Overpeinzingen, anekdotes en toevallige ontmoetingen, uit mijn leven gegrepen, deel I.

Dit hoofdstuk bevat allerlei verhalen over echte gebeurtenissen die ik heb meegemaakt. Sommige zijn wel komisch, vond ik, andere zeggen iets, of zeg maar liever: veel over mij. Als specialist in werving en selectie let ik altijd op de wijze waarop ik bij een firma wordt behandeld. Veel ondernemers maken voortreffelijke producten, waarvan ze doorgaans terecht vinden dat iedereen die zou moeten hebben, maar ze hebben tegelijk totaal geen oog ervoor dat de klant ook nog goed bediend moet worden. Ze nemen dan soms iedereen aan die voorbij komt lopen, zonder enige selectie. Dat is merkbaar bij sommige zaken. Ook al is het product dan nog zo goed, dan kom ik er nooit meer als ik echt fout behandeld ben. Ik blijf dan namelijk het risico lopen dat ik een volgende keer opnieuw slecht behandeld wordt en bovendien wil ik geen slechte werving en selectie belonen.

15 februari 2019.

Een ontmoeting met een NS-conducteur (v). De reis verliep voorspoedig. De trein reed mooi op tijd, met overstappen, eerst in Zwolle. Dat liep ook perfect. Vervolgens overstappen in Utrecht CS op de sprinter van 11.22 uur richting Den Bosch en ook dat ging helemaal goed. In deze stoptrein, waar ik dan in Geldermalsen uit zou moeten voor de trein naar Gorinchem, wilde ik te Utrecht dus plaats gaan nemen in de op dat moment nog lege 1e klasse coupé. Ik legde dus eerst even mijn kleine rugzakje af, waardoor ik even met een elleboog naar buiten stak, en precies op dat moment liep er achter mij een conductrice van de NS langs die ik niet had gezien of gehoord. Ze was wel in NS-uniform, maar was op dat moment blijkbaar niet in functie. We raakten elkaar dus heel even heel licht aan, maar ik schrok toch behoorlijk. Spontaan riep ik dus even:’ Sorry, maar ik had u niet gezien of gehoord’. Waarop de dame reageerde met: ‘Het geeft niet, want het is ook mijn specialiteit, om ergens geheel ongezien en geluidloos naar binnen en naar buiten te gaan. Dan kan dit dus gebeuren.’ Het klikte zeer goed tussen ons, dat was wel duidelijk, omdat we allebei een grote glimlach op het gezicht hadden. En ik reageerde dus meteen met zoiets als: ‘ Daar moet je natuurlijk wel nog aan werken, om voortaan bij het naar binnen en naar buiten gaan, tegelijk ook wat lawaai te maken.’ En zij weer, grijpende naar het conducteursfluitje om haar nek: ‘ Zou zo’n fluitje dan misschien een goed idee zijn?’ En ik weer enthousiast : ‘Ja, dat is een prima idee. Dat zal zeker gaan helpen.’ Vervolgens zij weer: ‘Maar ik doe dit (het geluidloos verplaatsen) als zeker twintig jaar. Zou het dan nog wel helpen?’ En ik weer: ‘Al twintig jaar? Nee, als je het al zo lang doet, dan kom je er hoogstwaarschijnlijk nooit meer vanaf. Dan ben je wel een hopeloos geval.’ Ze schoot in een luide lach. Het hele gesprek tussen ons ging helemaal nergens over, maar we vonden het allebei wel duidelijk leuk. Zij is net zo’n gekke ui als ik, ongeveer. Precies op dat moment komt haar wel dienstdoende collega in onze coupé bij haar zitten. En ze bespraken met elkaar allerlei trein- en controletechnische zaken. Ze moest er eerder uit dan ik, in Culemborg of zo. Maar ook bij het gedag zeggen trok ze weer een brede lach naar mij en zwaaide enthousiast met haar hand(en). Ik deed uiteraard hetzelfde. Jammer dat je zo’n persoon, met wie het zo overduidelijk over en weer klikte en die net zo vreemd uit de hoek kan komen als jezelf, je hoogstwaarschijnlijk nooit meer zult zien.

De apparaten van de Expert. 

Toen ik maar pas in het noorden des lands woonde, vanaf 1989 dus, had ik ook op gezette tijden elektronische spullen e.d. nodig. Wat ligt er dan meer voor de hand om die dichtbij aan te schaffen in de enige winkel met dit soort spullen in de wijde omtrek? De Expert dus.  Als het goed zou bevallen moest dat mijn vaste leverancier worden, waar ik voortaan mijn tv, wasmachine, koelkast en meer van dit soort spullen zou gaan halen. Het eerste dat ik er kocht was een Nespresso koffiezetapparaat. Het moet zo ongeveer het eerste model zijn geweest, werkend met de koffiecupjes die nu veel algemener zijn. Bij dat eerste model moest je het cupje nog in een aparte houder stoppen, welke houder je dan met een korte draaiende en stevige beweging  aan het apparaat vastzette. Hij deed het goed en het beviel ook goed: heerlijke koffie. Na enige weken kwam de vastgedraaide handel tijdens het tappen van koffie geheel los en viel met cupje en al op het aanrecht. Aanvankelijk denk je dan dat dat aan jou ligt, omdat je het ding blijkbaar niet vast genoeg had aangedraaid. Dus bij het volgende kopje toch het ding maar steviger aandraaien. Maar het deel bleef maar vallen, al zette ik er alle kracht van de wereld op. Dus ik met het apparaat terug naar de Expert, voor reparatie. Er was nog garantie op, dus na enkele weken kreeg ik het ding gerepareerd terug. En ik kon weer koffie drinken. Maar na enkele weken kreeg ik hetzelfde verschijnsel: volkomen onverwacht viel de handel weer op het aanrecht. Opnieuw steviger aantrekken, zonder dat het hielp, en daarna opnieuw naar de winkel. Bij de vierde of de vijfde keer het ding laten repareren zei de bediende: we weten inmiddels al wat het echte probleem is: het schroefdraad is te kort. Bij de nieuwere generatie is het schroefdraad langer en blijft de greep gewoon zitten. Aha, het was dus een apparaat met een productiefout. Maar repareren kon niet meer, omdat inmiddels de garantietermijn van een jaar was verlopen en ik kon het ook niet betaald laten repareren, want het kon sowieso niet meer gerepareerd worden.  Ik kon natuurlijk wel een nieuwe kopen. Die had dat probleem niet meer. Ik heb me omgedraaid en ben weggelopen. Voor mij sindsdien geen Nespressomachines meer en ik heb ergens anders een ouderwetse koffiezetter gekocht. De machines met de pads bestonden nog niet.

Twee jaar later, in 1991, toen ik inmiddels gescheiden was, moest ik mijn huis aan de Heesterlaan gaan inrichten. In het huis was wel een keuken maar geen kookvoorziening. Ik had wel een elektrisch kookplaatje met twee pitten, maar ik wilde een apparaat met vier pitten. Dus ik weer naar de Expert. Aan de verkoper vroeg ik welke mogelijkheden er waren en ik vertelde dat ik graag de simpelste voorziening met vier pitten wilde. Gas, elektrisch, inductie of nog anders maakte me niet uit. Als het maar simpel was: liefst meteen meenemen en meteen kunnen gebruiken, of als dat niet kon dan wel zo snel en simpel mogelijk. Ik had een superdrukke baan en was vaak in het land en kon niet voor elk wissewasje een dag thuis blijven. Hij raadde mij een vierpits elektrisch toestel aan. Stekker in het stopcontact en koken maar. Ja, dat was precies mijn bedoeling. Ik naar huis met het ding en ik probeerde de stekker in het stopcontact te steken, maar dat ging niet. Het was een buitenmodel stekker. Ik weer terug naar de Expert en sprak met een collega van de verkoper. Het apparaat dat ik gekocht had werkte met krachtstroom, aldus deze Expertmedewerker, en dan krijg je een andere contactdoos aan de muur. Of ik krachtstroom in mijn huis had wist ik niet, dus dat ben ik eerst even gaan uitzoeken. Dat moest dan volgens de geraadpleegde installateur worden gemaakt, maar dat was zo gepiept, zei de installateur. En hij kon op een zaterdag komen, dus dat was ook prima. Maar dat ‘zo gepiept’ viel heel erg tegen. Niet alleen moest de hele meterkast worden vernieuwd, maar ook moest er een aparte leiding worden getrokken van de meterkast naar de plaats in de keuken waar ik het toestel wilde hebben. Hoe en waar die leidingbuizen liepen, kon hij niet nagaan dus hij heeft vervolgens proefondervindelijk delen van de betegelingen gesloopt om bij de pijpen te komen, waar de nieuwe leiding door moest komen. Het werd een enorme chaos tussen meterkast en keuken. Bovendien moest er dan nog een inspecteur langs komen, die uiteraard alleen maar doordeweeks kwam, om de nieuwe meterkast met leiding goed te keuren. Ook de tegels moesten opnieuw worden gezet en ook dat kon alleen maar doordeweeks. Toen uiteindelijk alles weer strak in de tegels zat en de installatie was goedgekeurd kon eindelijk die vermaledijde stekker in het speciale stopcontact. Daarna – hoera – de knop aanzetten en ……… er gebeurde helemaal niets. Wat ik ook deed, het ding kwam niet aan de praat. Ik kon dus  nog steeds niet koken. Vervolgens ben ik met het apparaat teruggegaan naar de Expert, waar ze het splinternieuwe praat ook niet aan de praat kregen. Het ding moest worden teruggestuurd naar de fabriek en dat kon natuurlijk wel enkele weken duren. Enkele weken later kreeg ik een nieuw exemplaar en dat deed het eerst in de winkel en vervolgens ook bij mij thuis: ik kon weer koken. Dus wat de simpelste en snelste oplossing moest worden, werd de meest omslachtige, duurste  en bewerkelijkste machine ooit, die bovendien ervoor zorgde dat een halve verbouwing in het huis nodig was, met een enorme troep tot gevolg. Wat een geweldig advies was dat van Expert. Precies het tegenovergestelde doen van wat ik vroeg. Een vierpits gasstel was binnen vijf minuten aangesloten geweest. Nu kostte het al met al enkele maanden. Na deze twee bijzonder slechte ervaringen heb ik daarna nooit meer iets bij deze Expert gekocht.  Terwijl ik in dertig jaar intussen heel wat dure apparaten heb aangeschaft. Hoe kortzichtig kunnen sommige ondernemers toch zijn?

Het brood van Haafs. 

Het moet november 1989 geweest zijn en ik woonde maar net in het Groningse. De eerste of tweede dag maakte ik al kennis met de buren, die me prompt uitnodigden. Helemaal nieuw als ik in deze plaats was, deden ze enkele aanbevelingen. Ik heb de meeste zonder enige spijt ook opgevolgd. Maar het brood zou ik toch vooral moeten kopen bij de bakkerij Haafs. ‘Iedereen’ koopt daar zijn brood, want het is er heel goed. Zo gezegd, zo gedaan. Op de eerste zaterdagmorgen ging ik dus naar die winkel. En het was er werkelijk stampvol. Er kon geen mens meer bij. Een stuk of vier/vijf medewerksters bedienden de klanten. Er was geen nummertjesautomaat. Dat hoeft geen probleem te zijn. Als je maar de mensen bedient die vooraan bij de toonbank staan dan schuiven de volgende er geleidelijk naartoe, als de voorgaande klaar zijn. Maar hier gebeurde iets merkwaardigs. Eenmaal binnen bleek me dat de klantbediening door bakker Haafs op volstrekt unieke wijze was georganiseerd. Iedere medewerkster koos haar eigen aanpak. Er was een medewerkster, voor de binnenkomers de meest rechtse, die keek als ze klaar was met een klant, de zaak in en liet haar oog over de menigte gaan en als ze een naar haar mening prettige klant tegenkwam, dan kreeg die de beurt, ook al stond hij of zij in het midden of zelfs achteraan. Wat ze alle vier deden is dat ze uitsluitend naar een bepaalde hoek van de winkel keken. De voor de kijkers meest rechtse medewerkster keek dus uitsluitend naar de voor haar linkerkant van de mensenmassa. Maar een precieze afbakening was er ook niet, want de bediening overlapte elkaar overduidelijk. En iedere medewerkster had zo haar eigen aanpak.  Het was chaos. Ik had op deze manier geen idee hoe lang ik op mijn beurt zou moeten wachten en van welke medewerkster ik de aandacht moest trekken om aan de beurt te kunnen komen. Nu ben ik vrij lang dus ik steek er nogal bovenuit. Maar een veel kleinere en oudere man, vlak naast me, kreeg met deze werkwijze nooit een beurt, of zou er in elk geval heel lang op moeten wachten. De man begonnen te brommen en dat deed hij steeds luider. Op zeker moment had hij er genoeg van. Luid en duidelijk roepend zei hij zoiets als: ik vertrek uit deze bedieningschaos en ik kom er ook nooit meer terug. Waarop ik in gelijksoortige bewoordingen hetzelfde riep en ook wegliep. Het is dit jaar dertig jaar geleden en ik ben er ook nooit meer terug geweest. De bediening is het toen waarschijnlijk niet eens opgevallen. Ook bij de plaatselijke Jumbo verkopen ze tegenwoordig Haafsbrood, maar ook hier heb ik ervoor gezorgd dat ik dit nooit heb gekocht of zal kopen. Haafs bakte en bakt mogelijk nog steeds voortreffelijk brood, maar klanten zijn in hun ogen maar een lastig bijverschijnsel. Als je dat vindt, dan koop ik niks bij je. Al enkele jaren bak ik trouwens mijn eigen brood en dat bevalt me nog het beste.

Vrijdag 8 september 2017.

Hudson’s Bay.

Gisteren was in het nieuws dat de selectieprocedure voor de splinternieuwe Canadese warenhuisketen voor Nederland, te vestigen in voormalige V&D-panden, niet langer dan 2 (twee) minuten in beslag neemt. Althans in Leiden, maar ik mag aannemen dat dat ook voor de andere panden zal gelden. Algemeen bekend is namelijk dat Canadezen vele malen sneller dan Nederlanders, Nederlanders kunnen doorgronden in alle kwaliteiten die je voor een goede verkoopfunctie nodig hebt. Anders gezegd: er is geen mooier voorbeeld hoe onbelangrijk personeelsselectie wordt gevonden en daarmee hoe onbelangrijk klanten worden gevonden, dan wordt aangetoond bij deze personeelsselectie. Op vele plaatsen op deze site en in deze rubriek heb ik al aangegeven en aangetoond, vooral ook op basis van eigen ervaringen, welk merkwaardig gedrag met klanten vele verkopende medewerkers en medewerksters kunnen vertonen, als ze niet of slecht worden geselecteerd en/of ingewerkt en opgeleid. Voor veel ondernemingen zijn klanten blijkbaar maar een lastige bijzaak bij het realiseren van je bedrijfsdoelstellingen. Ook voor Hudson’s Bay dus. Als je er op let en er enige kijk op hebt, krijg je vaak het gevoel dat ze de eerste de beste vrouw of man die voorbij de winkel liep hebben aangenomen om te gaan verkopen, zonder enige selectie of zelfs zonder gesprek en vaak ook nog meteen, ook nog eens zonder enige opleiding of inwerken, op klanten worden afgestuurd. Dat getuigt voor mij voor een complete minachting van je klanten, als het om verkoopfuncties gaat, maar dat geldt nog sterker als er ook nog eens service aan klanten moet worden verleend. Met het verlenen van service aan mensen heb je toch wel enige interpersoonlijke vaardigheden nodig. Nog meer dan ik al was, weet ik, dat een bedrijf oprichten, waarbij van meet af aan wel een goede personeelsselectie heeft plaatsgevonden, onherroepelijk tot een succesvolle en zeer winstgevende onderneming zal leiden, zelfs al is de formule niet zo geweldig. Iedereen die wel eens serieus over het leiden en organiseren van een bedrijf heeft nagedacht weet: profit is people. Profit is people, is de slogan die je in tal van managementboeken en -studies zult vinden, maar in de praktijk lappen de meeste ondernemingen en nu dus ook Hudson’s Bay, deze gouden regel compleet aan hun laars. Hudson’s Bay heeft 20 september 2019 gemeld dat ze nog dat jaar uit Nederland zullen vertrekken.

Mijn wederwaardigheden met de installatie van het nieuwe KPN-modem.

Dinsdag 12 februari 2019.

Al vaker heb ik in hier persoonlijke ervaringen met leveranciers van spullen en diensten verteld. Met doorgaans verbazing wat er dan niet allemaal fout kan gaan. Ook bij schijnbaar heel simpele zaken. Gisteren had ik weer zo’n ervaring. En nog wel bij mijn voormalige werkgever en klant KPN Telecom.  Ongevraagd kreeg ik alweer een maand geleden een nieuw modem, bij KPN Experiabox geheten. Ik zag er steeds tegenop om het nieuwe modem te gaan installeren, want uit ervaring weet ik dat ik wel weer op enkele onvolkomenheden zal stuiten, die me veel tijd (en ergernis) zullen gaan kosten. Maar het moest er toch een keer van komen. Gistermiddag dus, het was kwart over één. Eerst pak ik het pakketje uit. Dan komt dus inderdaad een nieuw modem tevoorschijn, maar er zitten ook enkele voorverpakte kabeltjes, doosjes en stekkers in de doos. Plus een gebruiksaanwijzing. Tot hier ging het goed. De gebruiksaanwijzing begint dan met de controle of de meegeleverde spullen wel allemaal zijn meegeleverd. Of ontbreekt er soms nog iets? En hier kwamen meteen de verschillen. Ik had wel de gele en de groene kabel meegekregen, alsmede een nieuwe stroomadapter en een groen aansluitdoosje. Maar er ontbraken de grijze en de zwarte kabel, het witte aansluitdoosje, de telefoonstekker en de kabelstickers. Eerst heb ik de inhoudsopgave met toelichting drie keer overgelezen,  en daarna de verpakking nog eens helemaal binnenstebuiten gekeerd. Ik had echt, los van het nieuwe modem,  maar de helft van de spullen gekregen die er volgens de verpakkingslijst bij hadden moeten zitten. In de bijgevoegde brief stond nog dat op de website van KPN/handleidingen meer informatie te vinden was. Bovendien was er nog een app beschikbaar. Dus heb ik eerst maar de handleiding op het internet gelezen, maar daar werd ik niet wijzer van, op het punt van de bijgeleverde spullen. Daarna de app gedownload. Maar hiervan werd ik al helemaal niet wijzer. De hier gehanteerde methode van installatie week af van de bijgeleverde én van de internethandleiding. Hier moest je bijvoorbeeld eerst het oude en nieuwe modem met elkaar verbinden, wat niet hoefde van de bijgeleverde en ook niet van de internethandleiding. Maar op het punt wat nu wel en niet was bijgeleverd leverde ook de app geen nieuwe informatie. Dus toen heb ik toch maar de servicedesk van KPN gebeld. Ik wil natuurlijk niet halverwege de installatie meemaken dat ik toch nog zaken nodig heb die ik niet had gekregen. Pluspunt was wel meteen dat ik vrij snel contact had. Binnen een halve minuut of zo. Goed zo KPN. De medewerkster die ik trof sprak geen accentloos en foutloos Nederlands. Daar heb ik geen probleem mee, ware het niet dat zo’n medewerker weliswaar de taal niet helemaal goed beheerst, maar wel de techniek, naar ik aanneem. Terwijl ik wel goed het Nederlands beheers maar juist niet de techniek. Dat levert steeds herhaling van vragen van mij in steeds andere bewoordingen op, zodat de medewerkster begrijpt wat ik bedoel. Ik kon aan haar hulp opmaken dat ik eigenlijk helemaal geen bijgeleverde spullen nodig had. Zo’n modem wordt geleverd aan reeds bestaande klanten, om de oude te vervangen, maar ook aan nieuwe klanten die alles moeten vernieuwen. Dat snap ik wel, maar dan zaten er voor een bestaande klant teveel spullen in en voor een nieuwe klant te weinig.

Maar vlak nadat we het probleem hadden opgelost en ik de verbinding wilde verbreken, moest ik van de medewerkster toch nog even aan de lijn blijven.  Na korte tijd zei ze: ik zie aan uw gegevens dat u teveel betaalt. U heeft het product X voor 92 euro per maand, maar product X kost maar 82 euro per maand. Dat zal ik dus even voor u corrigeren. Het loopt al een tijdje zo, met een te hoog maandbedrag, dus u krijgt nu eerst drie maanden voor 62 euro per maand en daarna betaalt u voortaan 82 euro per maand. Dat was dus een compleet meevallertje. Zonder het bellen van deze helpdesk, en dan speciaal met deze dame, was me dit nooit opgevallen. Nog een compliment dus voor KPN en in het bijzonder voor deze medewerkster.

Ik kon dus aan de slag met de installatie. Dat verliep verder voorspoedig. Eerst de tv opnieuw opgestart en dat verliep helemaal goed. Daarna het internet en dat ging maar gedeeltelijk goed, en vervolgens de vaste telefoon en dat ging weer wel helemaal perfect. Tenslotte gepoogd de WiFi weer op gang te brengen. En dat mislukte keer op keer. De nieuwe netwerknaam verscheen niet op de pc en op de iPhone in het zoekprogramma van WiFi-netwerken, dus ik tikte extreem zorgvuldig de nieuwe netwerktoegang en vervolgens het nieuwe wachtwoord in. Maar er gebeurde niets. De WiFi bleef zo dood als een pier. Weer heb ik de handleiding geraadpleegd en daarna de internethandleiding en tenslotte de app. Maar volgens alle drie had ik alles precies volgens de voorschriften gedaan, maar de WiFi bleef toch dood. Dus dan toch maar weer de KPN-helpdesk gebeld. Dit keer kreeg ik een andere medewerkster en deze sprak wel accentloos Nederlands, dus daar liep de communicatie toch iets makkelijker mee. En na diverse pogingen moest ik het toch heel anders doen. De oplossing was dat ik de oude netwerknaam moest blijven gebruiken, maar dan met het nieuwe wachtwoord. Dat had ik niet zelf kunnen bedenken en dat staat ook in geen van de drie handleidingen vermeld.

Voorval geciteerd in februari 2019, maar feitelijk al stammende van rond het jaar 2000.

Ik moest plots denken aan een gebeurtenis in of rond het jaar 2000 in Diemen, bij de Hogeschool Holland, waar ik ook een soort interim-hoofd PZ ben geweest. Om de Hoofden van Dienst, de Directie en de Raad van Toezicht met elkaar te laten kennismaken was een dinertje in Diemen of Muiden georganiseerd. Het ging bij elkaar om ongeveer 25 personen. Bedacht was om in een diner van, ik meen, vijf gangen,  het gezelschap bij elke volgende gang van plaats te laten wisselen. Je tafel en je plaats aan tafel was dus bij elke gang anders en het gezelschap om je heen dus ook. Bovendien verschilden alle tafels van elkaar. Er waren ronde, langwerpige en vierkante tafels. Toen ik dit allemaal zag schrok ik me een aap. Dat verklaart ook meteen mijn tegenwoordige toestand. Ik had al de ervaring dat ik met elk van de beide vrouwen met wie ik een aantal jaren had samengewoond had meegemaakt, dat ze geen van beiden konden bedenken welke stoel aan een vreemde tafel, in een restaurant of bij anderen, voor mij de beste was om op te gaan zitten, in verband met mijn stijve been en de gedragingen van mezelf en anderen onder te tafel. Bij de eerste gang van het eerstgenoemde dinertje zat ik echter meteen goed en zat ik niemand in de weg. Niet boven en niet onder de tafel.  Dat was dus een toevalstreffer, dacht ik. Toen kwam de tweede gang op een andere plek en aan een andere tafel. En ook hier zat ik meteen goed. Wat een toeval: twee keer de (enige) correcte plek aan een tafel. Toen kwam de derde gang en tot mijn stomme verbazing zat ik ook aan deze tafel weer op de enige plek die voor mij geschikt was. Dit kon geen toeval meer zijn. Hier had iemand over nagedacht. En bij de vierde gang zag ik dus al aankomen dat ik wel weer eens op de juiste stoel terecht zou kunnen komen en dat was ook zo. Tenslotte had ik bij de vijfde en laatste gang tevoren de zekerheid dat ik hier ook op de goede stoel terecht zou komen, en dat gebeurde ook. Degene die de verantwoordelijkheid had voor de tafelschikking, was het toenmalige Hoofd Facilitaire Dienst: Agnietha Mür. Vergeef me dat ik haar naam wellicht niet helemaal correct spel. Ik sprak haar dus na afloop nog even aan. En ik begon het verhaal van de beide vrouwen te vertellen en dat het dus geen toeval was dat ik vijf keer na elkaar steeds de correcte plaats kreeg, terwijl wij tevoren daarover nooit gesproken hadden. Ik plaatste haar dus op een voetstuk. Sterker: ik beloofde haar een standbeeld. Zij reageerde minzaam: met een glimlach en een tikkeltje uit de hoogte zei ze: “Koos, dat is in mijn vak.” Ik was uitgepraat en dat gebeurde toen ook al niet vaak.

Ontmoeting op 1 februari 2019.

In de stad heb ik bij een klein restaurantje een kopje koffie genomen. Ik was de enige klant. Aan het meisje dat hielp vroeg ik of ze er ook iets van gebak bij hadden. Dat bleek alleen maar een gevulde koek te zijn. Ik zei: ” Maar ik reken er dan wel op dat je die zelf hebt gemaakt!”. Zij antwoordde: “Uiteraard, vanzelfsprekend.” en ze trok er een vraagtekengezicht bij. De stemming tussen ons was uitstekend. Ik ging aan een tafeltje zitten en stelde bij het verorberen van koffie en koek vast dat er in die gelegenheid een bord stond met allerlei korte maar wijze raadgevingen voor een prettig leven. De laatste was: “Say: I love you.” Dat laatste was natuurlijk niet aan dovemansoren gericht. Bij het afrekenen meldde ik eerst aan haar dat ik goed kon proeven dat de koek met veel liefde en passie was gemaakt. Dat klopte precies volgens haar. Ze had hem ook met veel liefde en passie gemaakt, zei ze. “Fijn dat het ook zo goed te proeven is.” Na het betalen zei ik nog tegen haar: ik heb begrepen dat het in deze gelegenheid gebruikelijk is om af en toe ‘I love you’ te zeggen. Welnu, bij deze: en met een brede armbeweging zei ik haar aankijkend met een even brede glimlach: “I love you.” Zo goed? Ja, zo was het prima. Ze begeleidde men nog naar de deur en we namen, allebei met een brede smile,  afscheid van elkaar. Ik heb weer iemand en mezelf iets gegeven om nog even over na te mijmeren. Gewoon prettig gestoord.

Mijn legendarische talenkennis. 

Mijn kennis van vreemde talen is – bij mensen die mij wat beter kennen – legendarisch. Enkele voorbeelden.

Lang geleden in Italië. De tijd dat bij het kamperen de Camping Gaz nog niet was uitgevonden. We maakten ons warme eten, koffie en zo meer, klaar met behulp van een primus. Het ding liep op petroleum. Omdat de verbranding niet heel erg schoon was, moest je op gezette tijden het gaatje of de gaatjes waar de petroleum uit spoot schoonrijgen met een dun naaldje aan een handvat: de primusprikker. Die dingen waren nogal kwetsbaar dus je moest er een aantal van bij je hebben. In Italië waren toch op een keer onze primusprikkers op. Dus ging ik naar een Italiaanse kampeerwinkel en ging daar dan uitleggen dat ik primusprikkers wilde. Met handen en voeten poogde ik aan mijn Italiaanse gesprekspartner duidelijk te maken wat ik wilde. En ineens zag hij het licht: ‘Ahhh, agi per primus’ riep hij blij uit. Welnu die had hij wel en ik kocht er een aantal. Probleem opgelost. Nu weet ik dat dus voor de rest van mijn leven. Als ik nog eens in Italië verdwaal kan ik – in geval van nood – probleemloos primusprikkers in het Italiaans bestellen. Veel meer Italiaanse woorden ken ik niet, maar dit probleem zal ik in elk geval geen tweede keer meer hebben.

Zelfs Google kan geen afzonderlijke foto van een primusprikker meer produceren, dus dit is blijkbaar intussen een collector’s item geworden. Bovenstaand een primus met o.a. een drietal primusprikkertjes ernaast. Een duidelijker foto kon ik niet vinden.

In Denemarken – ongeveer in dezelfde tijd – bleek dat we een blikopener vergeten waren mee te nemen. Dus ik naar een Deense Blokker, die daar dan waarschijnlijk wel Bløkker geheten zal hebben. Opnieuw probeerde ik met gebruik van handen en voeten duidelijk te maken wat ik wilde. En ook zij zag ineens het licht. “Ahhh bliekeupner “(fonetisch gespeld) zei zij. Ja dat wou ik wel. Weer een probleem opgelost. En ook in Denemarken kan ik me sindsdien vrij goed redden, zeker als het om blikopeners gaat.

Het derde voorbeeld gaat over het Frans. Het is schoolwijsheid, die me ook altijd is bijgebleven. Van mijn oude en voortreffelijke leraar Frans: Lamme. De beste leraar die ik ooit had, maar het heeft helaas bij mij niet geholpen. Ik mis het gen dat je nodig hebt om het Frans machtig te worden. Zijn verhaal ging over de Frans-Duitse oorlog, 1870 – 1871. Duitse troepen waren Frankrijk binnengetrokken en daar troffen ze in huizen boven ramen en deuren ramen aan, sommige vast en andere konden zelfs bewegen: tuimelramen. Dat hadden die Duitsers nog nooit gezien en ze vroegen dus aan de daar woonachtige Fransen, wijzend op deze ramen: Was ist das? Die Fransen hadden geen idee wat die Duitsers zeiden en dachten dus dat ‘Was ist das’ de naam van het raam was, waar ze blijkbaar zelf ook nog geen woord voor hadden. Sindsdien is een tuimelraam in het Frans: le vasistas. Mijn kennis van het Frans gaat overigens niet verder dan ‘papa fume une pipe’ en ‘maman coupe le pain’. Dus ook in het Frans kan ik me sindsdien aardig redden, vooral dan als het over tuimelramen of bovenlichten gaat.

Nog niet zo lang geleden is mijn kennis van het Frans verder uitgebreid. Ik had het niet meer verwacht, maar het gebeurde toch. In de Renault van een vriendin van mij deden de ruitenwissers het plotseling niet meer. Ik begreep vrijwel meteen dat er dan een zekering moest zijn doorgebrand, maar ik had uiteraard geen idee waar in deze auto het zekeringenkastje zat. Ze moest vast wel een gebruiksaanwijzing van de auto aan boord hebben en dat was ook zo. Uit het handschoenenvakje toverde ze de gebruiksaanwijzing van de auto. Al snel merkte ik dat het hele vrij lijvige boekje in het Frans was. Met aan het eind een alfabetische opgave van trefwoorden. Uiteraard ook in het Frans. Maar wat is nu ‘zekering’ in het Frans? Ik had uiteraard geen flauw idee, maar zoals wel vaker in mijn leven, hielpen mijn beschermengeltjes mij weer. Ik sloeg het boekje met een diepe zucht open, precies op de bladzijde waar de zekeringen stonden. Zekering is in het Frans: la fusée. De zekering voor de ruitenwissers was o.a. dezelfde als voor de sigarenaansteker. Diep in het gat kijkend, dat zich in deze auto op het middenconsole bevond, zag ik een klein stukje zilverpapier op de bodem liggen. Dat heeft dus de kortsluiting veroorzaakt. Dat er uitgepeuterd en daarna de zekering gevonden en vervangen en alles deed het weer. Er bleven nog raadsels. Hoe kan het nou dat in een in Nederland voor het eerst afgeleverde Renault uitsluitend een Franstalige gebruiksaanwijzing ligt? Het was voor mij weer een bevestiging van de grondhouding van die arrogante Fransen als het over hun taal gaat. Iedereen moet maar Frans spreken en begrijpen. De Nederlandstalige gebruiksaanwijzingen op? Doe er dan maar een Franstalige bij. Dat kunnen alleen Fransen bedenken. Het Franse woord voor zekering vergeet ik dus nu ook nooit meer. Ook alweer een woord dat je in het dagelijks spraakgebruik regelmatig gebruikt.

In de NYT een leuke anekdote over de vriendschap tussen Israel en de Kurden:

One of the escapees was Zamir Shemtov, 63, now a dentist in Herzliya, who was a teenager in 1970 when his parents and extended family made their first attempt to flee Iraq. Arrested and locked up for a month, they tried again, but this time they were blackmailed, robbed, caught by the army and sent back to Baghdad, where his father was brutally interrogated, Mr. Shemtov said. Released two months later, they tried to get out a third time. This time, a Kurdish taxi driver ushered them to a safe meeting point where a young uniformed Kurdish fighter loaded them in his jeep and ferried them across the border into Iran. (In 1970 nog een vriend van Israël).

Mr. Shemtov said that near the end of the drive, his father offered the fighter his gold watch in gratitude.

“The young man answered, ‘I am Masoud Barzani, son of Mullah Barzani, and if Mullah would hear that I took a watch, he would hang me!’” Mr. Shemtov recalled. “‘Instead, all I ask as thanks is that you remember us well in the future.’”

A few years later, the young Masoud Barzani succeeded his father as head of the Kurdistan Democratic Party. Since 2005, he has been president of Iraqi Kurdistan.

De Romeinen: uitvinders van de Mariniers.

Zoals ik al gemeld had ben ik nu bezig met Romeinse Legioenen, een boek van de Engelsman Adrian Goldsworthy in de vertaling van een zekere Jetty Huisman. In de true crimeseries op de tv komen ook vaak militairen voor. Vooral als slachtoffer, maar ook wel als dader. Je kunt aan de ondertiteling meteen zien of de vertaler ook maar enig idee heeft van zaken uit de krijgsmacht. Ofwel je krijgt steeds correcte vertalingen, of de vertaler maakt er maar een rommeltje van. Dan worden legeronderdelen, rangen en standen en allerlei andere begrippen compleet door elkaar gehusseld. Het is dat je tegelijk de uitgesproken Engelse tekst erbij krijgt, anders zou je er soms helemaal niets van begrijpen. Het valt me altijd weer op dat de vertalers die er maar een rommeltje van maken, als ik de naam bij de aftiteling kan ontwaren, vrijwel altijd vrouwen zijn. De meeste vrouwen interesseert legerzaken geen ene bal en ik kan het ze ook niet kwalijk nemen. Maar blijf dan in zo’n geval van deze vertalingen af, want je doet daar de lezer geen plezier mee. Of laat je vertaling tenminste tevoren lezen door iemand die wel verstand heeft van legerzaken. Beroemd, of zo men wil berucht, is om de Engelstalige begrippen Marine en Marines te vertalen in het Nederlands. De ‘foute’ vertalers maken daar onophoudelijk het Nederlandse Marine en zijn verbuigingen van. Marine in het Engels is in het Nederlands Marinier. Het Nederlandse Marine is het Engels Navy. Ik gebruik hoofdletters om de te vertalen woorden aan te duiden. De marinier is een uitvinding van Michiel de Ruyter, hoewel de Britten dit betwisten. Wel is – meen ik – onomstreden dat de Nederlanders de Mariniers voor het eerst echt hebben ingezet, met name in de Tocht naar Chatham, in juni 1667. The Dutch Raid of Raid on the Medway.

En ja hoor, het was weer zover. Volgens Jetty Huisman was het aanzien van soldaten te land bij de Romeinen veel groter dan dat van de mariniers. Een belangwekkende ontdekking. De Romeinen hebben heel wat uitgevonden, waar we nog altijd letterlijk en figuurlijk van opkijken. Beton, centrale verwarming en bijvoorbeeld ook aquaducten die er nu nog steeds staan. Nu hebben volgens mevrouw Huisman de Romeinen ook al de Mariniers uitgevonden. Hoewel het boek – begrijpelijkerwijs – bol staat van de Romeinse (Latijnse) begrippen, geeft ze helaas niet aan hoe de Romeinen hun mariniers nu genoemd hebben. Dat zou ik graag hebben geweten en de huidige mariniers waarschijnlijk ook wel. Het is voor mensen zoals ik, die geen Latijn hebben gehad, wel een lastig te doorgronden boek, maar met deze vertaalstommiteit ertussen vraag ik me wel af wat voor andere fouten er nog meer in staan, die ik niet zo snel doorheb. Ik houd het er maar op dat bij de Romeinen de landsoldaten in veel groter aanzien stonden dan het personeel van de Romeinse marine.

Mijn boodschappenbriefjes.

Het boodschappenbriefje geeft aanleiding tot het geven van de volgende informatie. Mijn beide broers hebben al jaren een verschil van mening over de vraag of een boodschappenbriefje nu moet worden gerekend tot de litteratuur (en dus de kunst) of juist niet.  Ik neem hier zelf een middenpositie in. Mijn boodschappenbriefjes moeten beslist wel tot de litteratuur worden gerekend en dus ook tot de kunst. Ik zie namelijk het principiële verschil niet tussen een schilderij, waarvan niemand kan zeggen wat het voorstelt, ook de maker niet, en mijn boodschappenbriefjes die niemand, mezelf inbegrepen, kan lezen. Als het ene kunst is, dan het andere dus ook. Moeilijker heb ik het met boodschappenbriefjes die wel goed leesbaar zijn. Want niet alles waarvan je kunt zien wat het voorstelt of dat je goed kunt lezen is kunst. Dus dat moet ook gelden voor de goed leesbare boodschappenbriefjes. Daar kunnen dan nog altijd kunstwerkjes tussenzitten, maar het kan ook heel banale niet-kunst zijn. Ik ben mij ervan bewust dat op dit punt de meningen sterk uiteen kunnen lopen.

Een representatief boodschappenbriefje van mij. Is dat nu kunst of niet?

Het cv van Karel de Grote.

In het boek over Karel de Grote, waar ik nu me bezig ben, uit de tachtiger jaren van de vorige eeuw, wordt er vanuit gegaan dat hij geboren is op 2 april 742.  Zijn officiële biograaf  uit die tijd, meldt dat er tot 769 niets bekend is over zijn jeugd. Zijn werk is zeker met medewerking van Karel tot stand gekomen en algemeen wordt er vanuit gegaan dat Karel blijkbaar zelf niet wilde dat er iets over zijn jeugd werd verteld, tot aan zijn 27e jaar. Toen ik dat zo las kon ik me dat – als cv-specialist en psycholoog van de koude grond – niet voorstellen. Het kan gewoon niet waar zijn dat iemand – die in zijn eigen tijd al ‘de Grote’ werd genoemd, historisch grootse prestaties heeft geleverd, en tot zijn 27e niets heeft gepresteerd dat de moeite waard is om te vertellen, ook niet volgens hemzelf. Talent komt niet plots op je 27e uit de lucht vallen. Dat bestaat gewoon niet. Dus hier moet ergens in de redenatie van ontelbare historici gedurende vele eeuwen een collectieve denkfout zijn gemaakt. Dus nam ik maar weer eens het onvolprezen Google tot raadgever. En bij Wikipedia over Karel de Grote stond dat ’tegenwoordig ervan wordt uitgegaan dat hij op 2 april 747 of 2 april 748 geboren is, terwijl vroeger altijd 2 april 742 als zijn geboortedatum werd aangenomen.’ Probleem opgelost. Vanuit mijn cv-kennis vermoed ik zelfs dat zijn geboortejaar eerder 748 dan 747 zal zijn geweest. Dan heeft hij dus tot aan zijn ongeveer 21e jaar niets gepresteerd dat de moeite van het vermelden – ook volgens hemzelf – waard is. En dat kan veel beter kloppen. Dat gebeurt nu nog steeds, elke dag. Nu hebben we uiteraard gereguleerd onderwijs, en dan kun je goed volgen wat iemand tot aan zijn afstuderen heeft gepresteerd, ook qua nevenactiviteiten. Die gegevens worden later in geen enkel cv meer opgenomen. Dat was er uiteraard in de achtste eeuw nog helemaal niet. Blijkbaar is het inzicht van historici en de historische wetenschap als geheel,  dat hij veel later moet zijn geboren, pas na medio de tachtiger jaren ontstaan. Want mijn boek gaat er zonder aarzeling van uit dat zijn geboortejaar 742 is geweest.

Wat deden de grote veroveraars en waarom? 

Het boek over Karel de Grote is uit. Het was leerzaam, maar gaf mij toch ook weer de nodige vraagtekens. Karel de Grote was een heerser in onze contreien of zelfs Europa, zoals we er wel meer hebben gehad. Eerst waren er uiteraard de Romeinen. In de zevende en achtste  eeuw hebben de Arabieren het nog geprobeerd, maar die werden halverwege Frankrijk gelukkig verslagen door Karels’ opa: Karel Martel.  Karel de Grote’s rijk viel na zijn dood uiteen en het duurde wel een tijd voordat er weer een overheerser kwam: de Spanjaarden in de zestiende eeuw, die ook onze streken hebben bezet. In de zeventiende eeuw kwamen dan de Turken die uiteindelijk in de slag om Wenen in 1683 werden teruggedreven. Daarna komt vanaf ongeveer 1800 Napoleon en tenslotte in de vorige eeuw Hitler. Eerst nog even de kaart van het Rijk van Karel de Grote.

In het boek van nazi-generaal Erich von Manstein ‘Verlorene Siege”, viel me het meeste nog op dat Hitler en de Duitsers helemaal geen plan hadden hoe ze Frankrijk en daarna Europa zouden gaan veroveren. Toen Duitse tanks in 1940 onverwacht snel aan het Kanaal stonden, wist niemand bij de Duitsers hoe het verder moest. Hele tankdivisies hebben toen wekenlang in het noordoosten van Frankrijk stilgestaan, omdat ze geen bevel hadden hoe het verder moest. Ook de geallieerden hadden vanaf het moment van hun oorlogsverklaring, 3 september 1939, geen plan en zelfs geen idee, hoe ze Duitsland dachten te gaan verslaan. Dat was het verrassende. Grote veroveraars zijn blijkbaar wel vaker of misschien wel steeds geheel planloos te werk gegaan. Alleen van de Romeinen kun je nog zeggen dat ze een plan hadden: heel Europa met de Rijn en de Donau als grens, inclusief Engeland, de hele Middellandse Zeekust en het Midden-Oosten. Voorbij Rijn en Donau liepen er vooral lieden in berenvellen rond en was de beschaving toch wel echt opgehouden. Volgens de Romeinen dan. Of Napoleon een plan had waag ik ook te betwijfelen, maar daar weet ik onvoldoende van. De Spanjaarden, Arabieren en de Turken hadden ook al geen plan. Wat was nu de bedoeling van Karel de Grote?  Ik ben er niet achter gekomen. De eerste vraag is uiteraard waarom hij Bretagne onbezet liet. Het boek rept er met geen woord over. Wie daar regeerden wordt niet vermeld. Er wordt in het boek ook geen oorlog in dat gebied gemeld. Blijkbaar vond de schrijver dat bij alle lezers wel genoegzaam bekend mocht worden verondersteld, waarom Bretagne vrij en onbezet bleef. Nazaten van Asterix wellicht?  Dan Brittannië. Anders dan eerder de Romeinen, later de Normandiërs (1066), zelfs de Nederlanders in 1667(Chatham), de Spanjaarden (Armada 1688), Napoleon en Hitler heeft Karel de Grote geen invasie in de Britse eilanden overwogen, laat staan verricht. De koninkrijkjes daar dienden voor hem alleen maar voor mogelijkheden tot huwelijken van vorstenkinderen.  Verder naar rechts omlopend komen we dan aan bij de Friezen. In onze schoolboekjes werd nog gerept over de verovering van Friesland door Karel de Grote, laatstelijk in 793. Het boek rept er niet over. Wel wordt gemeld dat bij de oorlog tegen de Avaren ‘zelfs’ Friese legeronderdelen meededen. Met dat ene woordje erkent de schrijver wel dat de Friezen lastpakken waren, maar een oorlog of een opstand: nee, dat meldt hij niet.  Dan de grens met Denemarken. De strooptochten van de Vikingen beginnen al in de tijd van Karel de Grote, maar toch heeft hij blijkbaar niet overwogen Denemarken binnen te trekken. Hij stond daar met zijn leger even buiten het huidige Hamburg, terwijl het eerste Vikingennest, Haithabu, relatief vlakbij was,  maar hij liet de Denen er verder hun gang gaan. Nauwelijks uitleg of verklaring. Dat de Deense koning Godfried overleed in 810 was reden om een voorgenomen veldtocht niet uit te voeren, aldus de schrijver. Hij had tientallen jaren eerder kunnen beginnen.  Voorbij de Elbe is hij naar het oosten toe niet geweest. Waarom niet? Geen idee.  Naar het zuidoosten toe veroverde hij wel het huidige Hongarije. Dat was dan wel een uitstulping van zijn rijk zonder verklaring waarom nu juist dit gebied.  In Italië stopte hij even voorbij Rome.  Dat was om de paus een lesje te leren, en verderop was er dan het Byzantijnse rijk. Hij heeft blijkbaar lang geaarzeld om met de Byzantijnse keizerin Irene te trouwen. Had hij dat wel gedaan, dan was er een enorm rijk ontstaan. Dat hij dat niet wilde was een keus, en geen oorlog voeren met de Byzantijnen dus ook. Dat begrijp ik. Hij is ook Spanje ingetrokken, tot voorbij Barcelona, maar stopte bij de Ebro. Daar kwam hij de Arabieren (Sarasenen) tegen en het was natuurlijk ook wat geweest om tegen de Arabieren een veroveringsoorlog te beginnen.  Het heeft nog bijna 700 jaar geduurd voordat alle Arabieren uit het Iberisch schiereiland verdreven waren. Wat nu dus het plan van Karel de Grote is geweest is mij vrij duister gebleven. Het is er hoogstwaarschijnlijk nooit geweest.

Wat ik er opnieuw van heb geleerd is dat grote veroveraars blijkbaar vaak helemaal geen plan hadden. Zeker niet in onze contreien. Opportunistische kansen hebben ze dan wel uitgebuit, maar het paste eigenlijk nooit in een groter geheel, behalve dan wellicht bij de Romeinen. Het is verrassend dat we tegenwoordig in Europa sinds 1945 geen veroveringsconflicten meer hebben. Wat Poutin met de Krim en in Oost-Oekraine doet is erg genoeg, maar kinderspel vergeleken met wat andere dictators hebben gedaan. Hopelijk blijft dat nog lang zo.

Nikki Haley.

Dinsdag 19 december 2017.

Al enige maanden volg ik enigszins het optreden van Amerika’s vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties: Nikky Haley.  En ik moet toegeven: met toenemende waardering. Het gaat me dan uiteraard in mijn geval niet zozeer om haar inhoudelijke standpunten, maar meer om haar persoonlijkheidskwaliteiten: intelligentie gepaard aan interpersoonlijke effectiviteit en stevigheid. Die worden natuurlijk meer op de proef gesteld naarmate de tegenwind sterker is. Gisteren was er weer eens sinds lange tijd een situatie waarin de V.S. alleen stonden tegenover alle andere 14 leden van de Veiligheidsraad, ter gelegenheid van de standpuntbepaling van de V.S. in het noemen van Jerusalem als hoofdstad van Israel.

Nikki Haley in de Veiligheidsraad: in haar eentje tegen de rest van de wereld.

Je zult toch maar als taak hebben om de standpunten van Trump te verdedigen tegenover de rest van de wereld, waar letterlijk iedereen tegen je is.  En het moet gezegd: ze deed het met verve. Het is natuurlijk maar een indruk van me. Wellicht heeft ze een eersteklas tekstschrijver of zit ze aan medicijnen, maar het heeft er alle schijn van dat we haar hier echt zien zoals ze is. Ook de Israëlische premier Netanyahu prees vooral haar uitvoerig en niet Trump. Let maar eens op. Ze is al genoemd als mogelijke opvolger van Tillerson, de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Maar volgens mij kan ze nog wel verder komen ook.

De Wegelaergroep.

In de jaren 1958 – 1978 was ik lid en leider van deze Haagse padvindersgroep voor lichamelijk gehandicapte kinderen. Zie deze periode in mijn leven op deze website. Enkele jaren na mijn vertrek ging deze club er geleidelijk toe over om ook geestelijk gehandicapte kinderen als lid aan te nemen. Dat was in mijn tijd onmogelijk. We hadden toen als opvatting dat padvinderij een jeugdbeweging van waarden was. Die waarden stonden in de padvindersbelofte en de padvinderswet, die ieder nieuw lid bij zijn installatie aflegde. Bovendien was en is padvinderij een jeugdbeweging die tot doel had haar jeugdleden vaardigheden bij te brengen, die nuttig waren voor de rest van je leven: zoals kennis van de natuur, koken, je kunnen redden met primitieve middelen en nog veel meer. Maar ze gaf ook de mogelijkheid elke andere vaardigheid verder te ontwikkelen waar het kind of de jongere belangstelling voor had. Van lezen tot sterrenkunde en van nuttige handwerken tot woodcraft. Het was de tijd waarin ik ongeveer alles heb geleerd wat ik inderdaad in de rest van het leven nodig heb gehad. Enkele jaren na mijn vertrek begint echter de Wegelaergroep geleidelijk ook geestelijk gehandicapte jeugdleden toe te laten.  Ik heb heel lang gedacht dat dat een kwestie van slappe knieën was: iedereen die zich meldde werd gewoon aangenomen. Pas sinds vrij recent heb ik op hun website gelezen dat dat een bewuste keus is geweest. Maar met alle respect voor de belangen van geestelijk gehandicapte kinderen en jongeren: beneden een bepaald niveau is het niet meer mogelijk ze een groot aantal abstracte waarden van wet en belofte bij te brengen en ook zelf uit te laten dragen. Ook vele levensvaardigheden van eten koken tot kaart- en kompasgebruik, kennis van de natuur en nog veel meer kunnen niet meer worden overgebracht. Dat was dus precies de reden waarom deze groep (en vele soortgelijke groepen elders in het land) geestelijk gehandicapte leden niet toeliet. Bovendien haalt een groot aantal van dit soort leden het niveau van de groep als geheel ook naar beneden. Met als gevolg dat jongens en meisjes die uitsluitend lichamelijk gehandicapt zijn en op gewone scholen of Mytylscholen gaan, ook steeds meer wegblijven: zij kunnen in toenemende mate ook niets meer opsteken. Op den duur is zo’n groep dus – als padvindersgroep – ten dode opgeschreven. Dat was mijn opvatting en dat is hij nog steeds. Je kunt met geestelijk gehandicapten geen padvinderij bedrijven, net zo min als je met deze mensen de gehele Tweede Kamer of een bedrijf kunt vullen: dat gaat niet goed. Sommigen zien padvinderij alleen als het doen van spelletjes met kinderen. Dan kan het inderdaad met alle kinderen. Wie padvinderij ziet zoals het bedoeld is: een gemeenschap van waarden, die doet aan verrijking van kennis en vaardigheden van kinderen en jeugdigen, kan dat helaas niet doen met kinderen die een stevige mentale beperking hebben.

Hun clubhuis, het Van Pallandthuis aan de Brusselselaan in Scheveningen, midden in de Nieuwe Scheveningse Bosjes, is in 1964 neergezet dankzij de enorme inspanning van velen en in het bijzonder van mijn grote voorbeeld: de zwaar gehandicapte oubaas en hopman Reinier Kerner. Na 50 jaar, in 2014 dus, was dit gebouw wel afgeschreven en aan vervanging toe en werd besloten tot nieuwbouw. Naar maatstaven van 2014 beoordeeld zou dit nieuwe gebouw gauw anderhalf miljoen euro moeten gaan kosten. In het bestuur van de Stichting van Pallandthuis, waar nog altijd enkele mensen uit ‘mijn’ tijd in zitten, werd besloten dit nieuwe huis neer te gaan zetten en gelden hiervoor te gaan verzamelen. Het project zou begin 2016 starten en het huis zou er eind 2017 dan moeten staan. Zo staat nu (mei 2019) het ook nog op hun website: www.vanpallandthuis.nl  De bouwvergunning was al geruime geleden aangevraagd en verkregen. Maar eind 2017 is nog maar een fractie van het vereiste geld binnen en kort daarna heeft de gemeente de verleende bouwvergunning weer ingetrokken.

Ik heb mij dus maar eens vergewist van de huidige status van deze groep op hun website: www.wegelaergroep.nl  Daar bleek dat er vandaag de dag nog twee onderdelen zijn: scouts (11 – 18 jaar) en roverscouts 18 – 30 jaar).  Volgens de moedervereniging Scouting Nederland zijn ‘scouts’ jongens en meisjes van 11- 15 jaar, zijn ‘explorers’ jongens en meisjes van 15 – 18 jaar en zijn ‘roverscouts’ jongeren van 18 – 21 jaar. Hier zie je dus duidelijk dat bij geestelijk gehandicapten er andere leeftijdsgrenzen gelden. De ontwikkeling van geestelijk gehandicapten staat namelijk, per persoon verschillend uiteraard, op een zekere leeftijd stil. Dan blijft betrokkene het niveau van bijvoorbeeld een 11-jarige houden. Er is dan geen verschil in functioneren tussen een 11-jarige en een 18-jarige. In het gewone leven is een 11-jarige nog een basisschoolkind, terwijl een 18-jarige op de universiteit kan zitten. Die spelen niet meer met elkaar, omdat het niveauverschil te groot is. Maar bij een groep voor geestelijk gehandicapten kunnen die nog wel makkelijk met elkaar spelen. Om precies die reden is de maximale leeftijdsgrens bij de huidige Wegelaergroep opgerekt van 21 naar 30 jaar voor ‘roverscouts’. Om precies deze reden is ook de bovengrens van 30 jaar discutabel. Dan moeten ze ineens van de groep af, terwijl er tussen een 30-jarige en een 31-jarige ‘roverscout’ geen enkel verschil is. Ze doen nog steeds dezelfde spellen. Je kunt de maximale leeftijd dus net zo makkelijk bij 40 als bij 50 jaar stellen, of zelfs nog hoger.

In ‘mijn’ tijd waren er nog zeker zes onderdelen, die alle zes wekelijks bij elkaar kwamen en die wel waren ingedeeld volgens door Scouting Nederland gestelde leeftijdsgrenzen.  Inmiddels zijn het dus nog twee onderdelen die elk om de veertien dagen samenkomen en allebei volledig bestaan uit geestelijk gehandicapten.  Als ik de foto’s van het zomerkamp van 2017 zie, dan kan ik de namen van precies 6 jeugdleden bij de deelnemers ontdekken: drie scouts en drie roverscouts. Van het zomerkamp 2018 zijn er helemaal geen foto’s opgenomen. Is dat er wel geweest? Wanneer zou het zomerkamp van 2019 zijn? Dat is nu toch echt niet ver meer weg, maar wordt op de website (nog) niet vermeld. Is het verantwoord om anderhalf miljoen euro te investeren in het doen van spelletjes voor zes kinderen, met de tendens dat het aantal nog wel eens verder zal gaan dalen en zonder verdere toegevoegde waarde? De vraag stellen is het antwoord geven.

Vervolgens heb ik ook nog even gekeken of er nog andere padvindersgroepen van deze soort zijn die nog wél een levensvatbare groep vormen.  En tot mijn verrassing bleek me dat alle soortgelijke groepen die ik gekend heb in den lande inmiddels niet meer bestaan, nadat ze eerst overgegaan waren tot het toelaten van geestelijk gehandicapte kinderen. Er is – voor zover ik ze kon vinden – nog maar één andere groep actief: de Wepadojebgroep te Utrecht. En laat dat nou ook nog eens een padvindersgroep zijn voor alleen kinderen die lichamelijk gehandicapt zijn…….. Zo te zien zijn ze met circa twintig kinderen, die overigens slechts 1 x per maand samenkomen, maar dan wel heel lang: van 12.00 uur tot in de avond.

Mijn advies is: trek de stekker maar uit zowel de Wegelaergroep als het Van Pallandthuis en zoek voor het overgebleven geld een mooie bestemming. Zoals de Wepadojebgroep.

Het wasbolletje.

Een andere ervaring van mij, die velen met me zullen delen, is dat wasmachines erg knap zijn om zaken waar iets in kan, zoals kussenslopen en dekbedhoezen, ook inderdaad vol te stoppen met ander wasgoed in die machine. Hoe ze dat doen is mij altijd al een raadsel geweest, maar het lukt ze bijna altijd. Totdat ik, enkele wassen geleden, ineens het bolletje kwijt was, waar ik steeds het wasmiddel in doe. Toen alles hing bleef ik met het raadsel over: waar is nou toch mijn wasbolletje? Alle stukken waar iets in kon passen, zoals inderdaad kussenslopen en de dekbedhoes en alle andere mogelijkheden heb ik nagekeken, alsmede overal op, onder en achter zaken waar ik met wasgoed langs moet zijn gelopen, nageplozen, maar nergens was mijn bolletje te vinden. Dan moet ik toch maar weer een wasmiddel kopen met bolletje of anders de gebruiksaanwijzing van de wasmachine nog eens goed doornemen hoe je ook zonder bolletje kunt wassen.

Totdat ik vanmorgen weer eens een schone broek aantrok. Dat moet namelijk af en toe, vind ik. En wie schetst mijn verbazing dat in een broekzak mijn verloren gewaande wasbolletje bleek te zitten. En helemaal op de bodem. Zelfs bij het losjes opvouwen en in een kast leggen was het me nog niet eerder opgevallen. Nu weet ik dan pas dat je bij het wassen, niet alleen de zakken van je spullen moet legen, voordat je het kledingstuk in de machine stopt, maar ook weer controleert nadat de was gedaan is.

Het bewuste bolletje.

Vakantie in Iran, januari 2018.

In de provincie Isfahan is blijkbaar, volgens Xinhuanet,  ‘on Maranjab desert’ een nieuw toeristisch gebied geopend:

Het onderschrift van Xinhuanet: A woman walks on Maranjab desert in Isfahan province, Jan 12. 2018.

Dan de volgende:

Onderschrift van Xinhuanet is: Tourist driving a car on Maranjab desert in Isfahan province, Jan 12, 2018.

Tenslotte de derde foto:

Onderschrift van Xinhuanet is: A woman takes selfie on Maranjab desert in Isfahan province, Jan 12, 2018.

Vooral de laatste foto is opmerkelijk.  Blijkbaar is hier de boodschap: In ons nieuwe toeristengebied mag een vrouw zonder sluier lopen en ook desgewenst een selfie maken. Het is de vrouw tevens toegestaan haar eigen kameel mee te nemen en ook op de selfie te zetten.

De Nederlandse politie.

Al vaker heb ik mijn opvatting over de Nederlandse politie beschreven. Dat onder andere het surveilleren compleet is afgeschaft. Politie komt alleen op straat als er een noodoproep is, of als men lekkers voor elkaar wil halen. Afgelopen december bij de intocht van Sinterklaas liep ik langs een meisje van een jaar of 5: die luidkeels en traag-nadrukkelijk uitriep: Kijk eens mamma, een politieagent!!!!.  Het was duidelijk dat ze die nog nooit in het echt had gezien. Zoals vandaag de dag hele scholen opgroeien zonder dat ze ooit een agent in het echt hebben gezien.  Daarom sprak onderstaande cartoon die ik vond mij zo aan. Kinderen kennen eerder motorbendes van de straat dan politieagenten:

Ik verzin het dus niet. Meer mensen denken er blijkbaar zo over als ik.

Vanille. 

Juni 2019. Een bericht  viel me op dat de reclamecodecommissie zich in beroep opnieuw heeft gebogen over het gebruik van het woord ‘vanillevla’ door Optimel. Het blijkt dat daar geen enkele vanille in zit, maar het product alleen maar naar vanille smaakt. Ik heb daar in deze rubriek wel eerder op gewezen, niet alleen bij Optimel overigens. Vanille is namelijk zwart (en duur) en waarom dan vanillevla zo nadrukkelijk geel moet zijn, heb ik nooit begrepen.  Alleen bij het vanille-ijs van Jumbo heb ik wel eens zwarte puntjes gezien, en dat ijs is ook niet geel, en dat suggereert tenminste en mogelijk is het ook zo, dat daar wel echte vanille inzit. Ik heb overigens ook wel eens precies dezelfde verpakking van Jumbo-ijs gezien, dus mét puntjes, maar dat het ijs zelf geen enkel zwart puntje bevatte. Optimel is ook in beroep in het ongelijk gesteld. In vanillevla moet echte vanille zitten. Anders moet je het het ‘vla met vanillesmaak’ noemen.  Een terechte uitspraak. Het zou wat moois worden als we voortaan appelsap kunnen kopen, met fraaie appels als illustratie waar geen enkele appel aan te pas is gekomen. En ga zo maar door. De winkel komt dan helemaal vol te staan met artikelen waar niet in zit wat er op de verpakking wordt afgebeeld. De chemische industrie zal staan te juichen. De koersen ontploffen. Inmiddels hebben alle grote fabrikanten en alle grote winkelketens beloofd dat ze voortaan hun vanillespullen zullen verkopen als vla (of yoghurt of ijs etc.) ‘met vanillesmaak’. Of er voortaan echte vanille in zullen doen. Eindelijk gerechtigheid.

Mijn vogelkennis. 

Ik ben, zoals velen die mij kennen, goed zullen weten, een echte vogelliefhebber en -kenner. De Chinese vogels zijn dan natuurlijk nog niet mijn echte specialiteit, maar ik leer graag nieuwe zaken.  Zo zag ik op Xinhuanet onder meer volgende twee foto’s van vogels:

Dit zou dan de ‘orange-bellied leaf bird’ zijn. Oftewel de ‘bladervogel met oranje buik’. Voor de leek moeilijk te herkennen, vooral als de buik niet zichtbaar is, maar voor de kenner meteen duidelijk.

De volgende mag er ook zijn:

Volgens het onderschrift is dit dan de redheaded trogon. Oftewel de roodkoptrogon. Dat het een trogon is ziet natuurlijk bijna iedereen (let op de staart!), maar dat het hier de roodkoptrogon is, ligt toch wat lastiger.

Een treinstation. 

In de afdeling ‘curieus nieuws’ het bericht uit de New York Times over het treinstation Teesside Airport Railway Station in Engeland. De treinverbinding is hier éénmaal per week. Het bijbehorende vliegveld was bedoeld voor 900.000 personen per jaar, maar het werden er 125.000.

Het heeft veel weg van het station Haren, behalve dan de luxe loopbrug. 

Hier dus de eenwekelijkse trein ter plaatse van binnen. Vooral bemand door mensen die deze curieuze treinreis wel eens mee willen maken. Zij willen nergens heen. De treinreis duurt 14 minuten. Doorgaans zijn de treinen die te Haren stoppen een heel stuk drukker.

Mei 2019. Het cameratoezicht in de nieuwe stoptreinen.

De nieuwe stoptreinen zijn onder andere voorzien van camera’s. Bij elkaar misschien wel enkele tientallen camera’s per treinstel. De 1e klasse-coupe ligt pal achter de cabine van de machinist. De deur naar die cabines is dan ook aan het einde van het  gangpad in de trein. Het viel me ineens op dat er ook in de 1e klasse-coupe uiteraard ook een camera aan het plafond hing, maar dat deze gericht was naar het overgangsbalkon naar de tweede klasse. Effect is dat er van de (mensen in de) 1e klasse-coupe dus geen beelden worden gemaakt. Wat zou daarvan de reden zijn? Worden in de 1e klasse geen calamiteiten verwacht die het opnemen waard zijn, omdat problemen altijd in de tweede klasse ontstaan? Ik kon het me niet voorstellen. Er moest dus een andere reden zijn. En ik denk hem gevonden te hebben. Als de camera gericht zou worden op de 1e klasse, komt uiteraard onvermijdelijk ook de deur in beeld, die naar de machinistencabine gaat. En dan wordt permanent opgenomen wie er daar naar binnen gaat, hoe lang die persoon daar blijft en wanneer deze weer in de trein verschijnt. En die registratie van bezigheden van treinpersoneel wordt door dat personeel niet op prijs gesteld. Uit veel ervaring in treinen weet ik dat sommige conducteurs het kennelijk heel gezellig vinden in de machinstencabine. Ik heb meegemaakt dat de trein door meerdere raddraaiers flink wel bevuild en een man er zijn behoefte in deed. De conducteur zat intussen gezellig bij de machinist en bleef daar ook zitten. Ze kwam er alleen maar af en toe uit om de trein bij elke halte ‘weg te fluiten’ en ging dan meteen weer de cabine van de machinist in.  Een zeer kordate Surinaamse passagiere, heeft vervolgens de raddraaiers bij een volgend station de trein uit geschreeuwd en geduwd. En ze deden dat ook nog. En de conducteur? Zij bleef gezellig bij de machinist zitten. Als er in die trein camera’ s hadden gezeten, dan waren de raddraaiers mooi in beeld gekomen, evenals de kordate dame die krachtig ingreep. En was meteen ook duidelijk waar de conducteur intussen was.  Dat eerste is wel de bedoeling, maar het laatste natuurlijk niet. Effect is wel dat de 1e klasse helemaal niets op beeld komt.

Muizen vangen.

Enkele weken geleden belde de maaltijdbezorger, die een maaltijd voor mijn buurvrouw bij zich had, bij mij aan, omdat hij bij haar geen gehoor kreeg. Dat gebeurt wel vaker. Doorgaans heeft ze dan de bel niet gehoord.

Dus ik bel vervolgens ook bij haar aan, wat langer dan normaal, maar ook toen deed ze niet open. Dat gebeurt zelden. Ik heb wel een sleutel van haar huis, maar zonder haar medeweten (of zonder heel dringende reden) ga ik toch nooit zo haar huis in. Dus ik kijk eerst door haar voorraam of ze wellicht op de grond ligt en hulp nodig heeft, maar dat was niet het geval. Vervolgens ga ik aan de achterkant van haar huis kijken of ik haar daar zie, maar ook dat was niet het geval. Pas daarna ben ik haar vaste hulpverlener gaan bellen, of hij soms wist waar ze was. Hij veronderstelde dat ze een wandeling was gaan maken en de maaltijdbezorger vergeten was. Ze heeft tussen de middag ook vaak geen zin in een warme maaltijd. Kort hierna zag ik haar voorbijlopen. En kon de maaltijd alsnog afleveren.

Ik ging weer terug naar mijn bank en tot mijn stomme verbazing zag ik ineens een muis in mijn huiskamer lopen. Dat had ik mijn hele leven nog niet meegemaakt. Ik ken een muis alleen van plaatjes en van Mickey Mouse, en dan houdt het wel op. Ik begreep meteen hoe het kwam. In dit parkachtige landschap lopen vast ook veel muizen rond. Van poezenbezitters weet ik ook dat hun poezebeest af en toe met een dooie muis thuiskomt. Bij het regelmatig heen en weer lopen naar het huis van mijn buurvrouw heb ik regelmatig mijn deur open laten staan en daar had de muis blijkbaar dankbaar gebruik van gemaakt.

Wat nu? Ik ben dus op het internet gaan opzoeken wat men in zo’n geval moet doen. Bij gemeentelijke en professionele plaagdierenbestrijders, fabrikanten en leveranciers van muizenvallen, muizengif en andere hulpmiddelen. Er zitten allerlei nuances tussen de verschillende verhalen en methodes, maar over sommige zaken zijn ze het wel eens: muizen lopen in huis langs de plinten en als lokmiddel is pindakaas het beste, hoewel sommigen de voorkeur aan jam geven of zangvogelzaad. Of een combinatie.

Ik ben dus vervolgens de verschillende winkels afgegaan. Zowel Blokker als Action verkopen muizenvallen; Blokker verkoopt ook muizengif. Die muizenvallen zijn allebei van de soort: als de muis van het lekkers eet, klapt de val dicht en overlijdt de muis. Een verkoper raadde me de plaatselijke dierenwinkel aan. Die had inderdaad vallen in diverse soorten en maten waarbij de val dichtklapt, en de muis er niet meer uit kan, maar wel in leven blijft. Dan kun je hem weer buiten zetten.

Ik kocht een modern en licht plastic modelletje, om langs de plint te zetten en bij de super kocht ik pindakaas en zangvogelzaad.  Pas thuis realiseerde ik me dat ik ook nog kleine toastjes had moeten kopen om het lekkers op te smeren, want dan blijft de val schoon. Dus ik weer terug voor toastjes. Ik zet de gevulde val langs een plint. Als ik zit zie ik ineens twee muizen. En de muizen lopen allebei kris kras door de kamer, maar nooit langs een plint en ze komen dus ook niet in de buurt van de val. Na enige studie van het muizengedrag kom ik tot de conclusie: muizen lopen helemaal niet langs plinten. Muizen nemen altijd de kortste weg van de ene mogelijke schuilplaats (achter een kast of ander meubelstuk) naar de volgende schuilplaats. Met deze kennis gewapend zette ik de val vervolgens op een muizenlooproute. Maar bij terugkomst als ik weg was geweest, lag de muizenval op zijn kant, ondersteboven of opzij. De muizen hadden er dus wel mee gespeeld maar gingen er niet in. De ontwerper van dit modelletje is ervan uitgegaan dat muizen langs plinten lopen en dan staat het ding ook redelijk stevig. Maar zomaar ergens midden in de kamer blijkt hij toch te licht. Ik ging dus weer terug naar de winkel voor een robuuster model.

En ik kocht een val voor maximaal tien muizen, die als een blok op de grond staat. Ook begon ik de deuren van alle kamers steeds achter me te sluiten en eventuele kieren te dichten. Zo compartimenteer je de muizen, anders moet je in elke kamer een val zetten. Ook begon ik fanatiek te stofzuigen, na elke hapje of maaltijd die ik nam. Ook alle water- en vochtbronnen legde ik steeds droog. Elk druppeltje dat op aanrecht of vloer kwam, maakte ik steeds weer droog. Ook het vulbakje van cv-ketel en koffiezetter maakte ik leeg. Zo moedig ik de muis aan om toch vooral van het lekkers te snoepen dat ik speciaal voor hem heb neergezet.

De volgende avond zat ik rustig op de bank en zag ik plots drie muizen tegelijk lopen. Ik heb blijkbaar een hele familie binnengelaten. En warempel, op zekere dag zat er in de grote val een muis. Die muis heb ik dus meteen maar buitengezet. Nu waren er nog tenminste twee.

Weer enkele avonden later deed ik om half één het licht uit en draaide me om, toen ik ineens een geluid hoorde, gevolgd door licht ‘gerommel’. Ik had blijkbaar nog een muis gevangen. Ik bleef lekker liggen en wilde gaan slapen, maar ik bleef maar naar die geluiden luisteren.  Ik besloot toch maar op te staan, mijn ochtendjas aan te doen en die muis toch maar even weg te brengen. Tot mijn  verrassing zat de muis in het lichte modelletje muizenval. Muis weggebracht en ben weer gaan slapen.

De volgende morgen bekeek ik de lichte muizenval en zag ik dat de muis zichzelf al een flink eindje had bevrijd. Er zat al een gat in ter grootte van een dubbeltje. Nog even en hij was weer vrij geweest. Dus ik weer terug naar de winkel en ik kreeg mijn geld terug. Dat hadden zij nog nooit meegemaakt. Ik kocht wel weer een nieuwe val, eentje waar de muis niet uit kon ontsnappen.

Het duurde me allemaal te lang. Er moest nog tenminste één muis in mijn huis zijn. Ik moest een nieuwe strategie bedenken. Ik bedacht dat ik een spoor moest leggen met kaas. Een spoor van pindakaas, jam en/of vogelzaad op de vloer al dan niet op een stukje toast leek me niet zo’n goed idee. Dan worden de hapjes gewoon te groot en heeft de muis al zijn buikje rond voordat hij bij de val aangekomen was. En ik koos voor kleine stukjes kaas. Geen enkele ‘deskundige’ had dit aangeraden, maar de muizologen hadden wel meer zaken verkeerd gezien, dus waarom dit niet? Ik legde een heel klein stukje kaas op 7 centimeter voor de nieuwe kleine val, ook een even klein stukje meteen na de ingang van de val en tenslotte een groter stuk aan het eind. Als hij daaraan begon klapte de val dicht. Deze aanpak heb ik nergens gelezen, dus nu werd het spannend. Ik ben toch wel intelligenter dan een muis?

Nog geen uur na de installatie was de derde muis gevangen, met de nieuwe methode. Conclusie: muizen houden van kaas. Dat staat in elk kinderboek, maar alle ‘deskundigen’ vinden van niet en raden pindakaas of jam aan.

Nu dus wachten of ik nu nog een of meer muizen heb. En inderdaad liep er ineens toch nog een muis rond. Het waren er dus tenminste vier geweest. Ik koos uiteraard voor dezelfde aanpak, met een spoortje van kleine blokjes kaas tot in de val. En ook nu weer had ik binnen een etmaal ook de vierde muis gevangen en kon hem weer zijn vrijheid teruggeven.

Zou er ook nog een vijfde muis zijn? Het is inmiddels een week geleden dat ik de vierde ongewenste vreemdeling heb uitgezet en ik heb nog geen vijfde muis gezien, noch heb ik nog ergens sporen, zoals muizenkeutels waargenomen.  Het muizenprobleem heb ik opgelost. Maar eerst moest ik door een woud van deskundigen heen, die elkaar allemaal napraten over waar muizen lopen en wat ze lekker vinden. En zelf de methode moeten bedenken en uitvoeren, die ik nergens gelezen heb.

De visboerin.

Vorige week heb ik bij een delicatessenwinkel in mijn woonplaats een portie van 150 gram rivierkreeftensalade gekocht en meteen bij de lunch opgepeuzeld. Ik wist dat dit riskant was, omdat de omzetsnelheid van dit product er niet erg hoog kan zijn, en dat alle visproducten nu eenmaal erg kwetsbaar zijn. En ja hoor: een half uur later zat ik weer op de doos met buikloop. Ik was voor de zoveelste keer gewaarschuwd. Gisteren was ik dan weer bij onze nieuwe viswinkel, waar ik nu al zeker een keer of zes vis had gekocht, alsmede ook bakjes met allerlei vissalades. En geen enkele keer heb ik zelfs niet het minste verkeerde buikgevoel gehad, laat staan darmproblemen. En deze keer nam ik behalve enkele vissen, ook weer een bakje met 150 gram garnalensalade.  Ik raakte in gesprek met de onderneemster: ik schat haar ongeveer 25 jaar, maar mijn inschattingsvermogen van leeftijden van mensen is traditioneel bijzonder zwak. Ik zei tegen haar: “Ik zal maar meteen bekennen dat ik vorige week vreemd ben gegaan.” Ze vertrok geen spier. “Ik heb vorige week bij de delicatessenwinkel verderop een bakje rivierkreeftsalade gekocht, maar ik heb dat meteen moeten bezuren met de volgende aanval van buikloop. Darmproblemen heb ik hier nog geen enkele keer gehad. Ik beloof dat ik je voortaan dus trouw zal blijven. ” Ze waardeerde op een heel gezonde manier zowel mijn ‘bekentenis’, alsmede mijn waardering voor haar winkel. Thuisgekomen heb ik het bakje garnalensalade meteen weggewerkt en heb er ook totaal geen last van gehad.