Hoofdstuk IX : augustus 1985 – december 1991, huwelijk met Marianne.

Hoofdstuk IX. De periode augustus 1985 (begin huwelijk met Marianne) december 1991 (einde huwelijk met Marianne).

1. De situatie thuis. In 1985 woonden Marianne de Kemp en ik samen in Bodegraven. Al vanaf onze eerste kennismaking bij een etentje in het voorjaar van 1978 had ik al duidelijk gemaakt wie ik was en hoe ik het leven zag. Als ze het daarmee niet eens was, kwam er geen relatie tussen ons en al helemaal geen kinderen. Wij bespraken, eind maart 1985 opnieuw, onze gezamenlijke kinderwens. Ik had een grote kinderwens; van mij konden het er nooit teveel zijn. Hoeveel het er echt zouden moeten worden hebben we uiteraard niet van tevoren vastgelegd. Elke keer zouden we dat apart beslissen en als één van beiden niet verder wilde zouden we stoppen. Voor mij was wel voorwaarde – zoals ik al vanaf het allereerste begin in 1977 had helder gemaakt – dat ieder van de partners een grote mate van vrijheid zou behouden in contacten met anderen. Met mannen zowel als met vrouwen. Ik had geleerd, dacht ik, van mijn superjaloerse vorige relatie. Ieder zou zoveel mogelijk een eigen leven leiden, waarbij in geval van twijfel de kinderen altijd zouden voorgaan. Ik had immers ten eerste heel slechte ervaringen gehad in mijn vroege jeugd, toen ik jarenlang vastgebonden had gelegen, waartegen ik mij steeds hevig had verzet en vervolgens had ik heel slechte ervaringen met Hilde-Mieke gehad, die mij juist ook zoveel mogelijk wilde vastbinden. Zo hadden Marianne en ik ook besloten geen ringen te zullen dragen en op huwelijkse voorwaarden te gaan trouwen, nadat Marianne zwanger was geworden. Dat was wederzijds akkoord. Ik had erbij verteld, dat dat standpunt van mij onveranderlijk was. Als zij erop terug wilde komen, of mij ook wilde gaan vastbinden, was het huwelijk voorbij. Als ze deze afspraak niet wilde, moest ze het nu zeggen, want dan zouden we niet trouwen en geen kinderen krijgen. Dat werd vervolgens allemaal plechtig – o.a. via de notaris – beloofd en zo kon het huwelijk in augustus 1985 worden gesloten.
Mijn getuige was een heel goede vriendin van mij, Ellen Smelik. De getuigen van Marianne waren haar vader en haar moeder. Dat op zichzelf had me al te denken moeten geven. In januari 1986 werd Charlotte in Gouda geboren, waar ik uiteraard bij was.

Volgens de achterkant is de onderstaande foto gemaakt op 14 januari 1986, waarop ik zit met mijn oudste op schoot.

Ik was hier dus 39 jaar oud.

Dat is ie dan: mijn mooiste foto ooit. Ongeveer eind 1986.



Oktober 1986.

Hoewel we dat nadrukkelijk niet zo hadden afgesproken, had ik vanaf de dag van ons huwelijk geen enkele avond- of weekendafspraak meer met een vrouw. Onvermijdelijke zakelijke afspraken met een vrouw verschoven allemaal naar de lunch in plaats van naar een diner. Dat is nooit een eis van Marianne geweest, maar eigen initiatief van mij.


Van 4 tot en met 11 september 1987 had ik twee huisjes gehuurd in Bungalowpark Het Zuiderveld te Geesbrug, Drenthe, Papaver en Iris. Het ene huisje voor Marianne, Charlotte en mij, het andere huisje voor de vader en moeder van Marianne.

Na Charlotte kwam Jeroen in 1988 en daar was ik natuurlijk ook bij. In augustus 1988 nam Marianne ontslag uit het dienstverband van het Leyenburgziekenhuis en moest ik het gezinsinkomen alleen opbrengen. In november 1989 verhuisden we vervolgens naar de Perklaan 21 te Haren, in verband met mijn werk en met de geconstateerde oogafwijking van Jeroen.

Koos van Leeuwen, gefotografeerd op 3 december 1990, dus vrijwel 44 jaar, ten behoeve van een interview in een blad.
Na Jeroen kwam Bart in maart 1991 in Groningen – wederom in mijn aanwezigheid – ter wereld.


Waarschijnlijk de laatste foto van het complete gezin op 14 april 1991. Hier ben ik dus 44 jaar.

Op een avond in juni 1991 met de drie maanden oude Bart bij haar op schoot, stelde Marianne dat ze van de afspraken met mij over ons huwelijk afwilde. Daar noemde ze geen enkele concrete reden voor. Dit huwelijk is niet uit elkaar gegaan vanwege vreemdgaan van man of vrouw of door of na ruzie. Marianne wilde mij plots – zonder enige reden – toch vastbinden. Dat betekende niet alleen het breken van de plechtige huwelijksbeloftes, met als gevolg dat dit het einde van ons huwelijk zou zijn, zoals we tevoren met elkaar hadden afgesproken, maar was ook het signaal dat ze me blijkbaar totaal niet vertrouwde. Zonder dat ze daar volgens mij ook maar de kleinste reden voor had. Een huwelijk waar de een de ander totaal niet vertrouwt is tot ondergaan gedoemd. Ik herinnerde haar aan onze trouwbeloftes en we besloten eerst nog drie maanden denkpauze in acht te nemen, voordat we definitieve plannen maakten. Drie maanden later, oktober 1991, bleef ieder bij het eigen standpunt, en besloten we uit elkaar te gaan. Niemand moet proberen mij – en nog wel zonder enige reden – vast te binden en bovendien is een huwelijk sowieso niet meer duurzaam, als het vertrouwen compleet weg is. Verder samenblijven zou ten koste van de kinderen gaan. Op 14 december 1991 kreeg ik de sleutels van een splinternieuwe flat aan de P.J. Noël Bakerstraat in Groningen – Zuid. Ik wilde ten behoeve van de kinderen in Haren blijven wonen, dus dit adres was tijdelijk. Tijdens het hele scheidingsproces is er geen ruzie geweest en er is niet met stemverheffing gesproken. Door geen van beiden. Ik ben altijd open en eerlijk tegen Marianne geweest, het omgekeerde kun je je met goede redenen afvragen.

Aanvulling van 19 februari 2018: Het grote dilemma dat ik met deze website steeds heb gehad is dat ik nu wel mijn kant van het verhaal hier kan vertellen, maar dat voor elke lezer de vraag is wat er nu van waar is. De ander zal wel een heel ander verhaal hebben. Hij zegt tegenover zij zegt. De zaak wie je nu geloven moet, wordt helemaal onoplosbaar, als de ander volledig het zwijgen er toe doet. Dan blijft mijn versie toch maar wat in de lucht hangen. Wie heeft het juiste verhaal en wie is nu de echte leugenaar en bedrieger? Dat dilemma duurde tot gisteravond. Via WhatsApp kreeg ik toch inzage in het Facebookaccount van Marianne de Kemp, dat normaal voor mij door haar is afgesloten en onbereikbaar. Tot mijn niet geringe verbazing las ik daar, dat Marianne de Kemp daar stelt dat ze op het Grotius Lyceum in Den Haag heeft gezeten. Dat was namelijk mijn school, waarvoor de schriftelijke bewijzen overvloedig op deze website zijn te vinden. Niet alleen dat ik mij niet kon herinneren dat wij op dezelfde school hebben gezeten, wij hebben het er ook nooit met elkaar over gehad. Een blik op Wikipedia bij de zoekterm in Google van “Grotius Lyceum” gaf het gegeven dat het Grotius Lyceum in 1968 is opgehouden te bestaan. Dat was bij de invoering van de Mammoetwet op 1 augustus 1968. Het Grotius Lyceum veranderde op die datum in Scholengemeenschap Hugo de Groot. Marianne de Kemp is geboren in juli 1960 en zou dus, als je haar mededeling over haar school mag geloven, op achtjarige leeftijd naar het Grotius Lyceum zijn gegaan. Dat kan onmogelijk waar zijn. Het is dus een leugen. Wel kan ze op de Scholengemeenschap Hugo de Groot hebben gezeten, maar dan op de MAVO-variant. Op het Grotius Lyceum is er nooit een andere mogelijkheid geweest dan hetzij HBS (A of B) of Gymnasium (A of B). Zou ze nu werkelijk niet meer weten wat de naam van haar school was? Toen zij van de basisschool kwam bestond het Grotius Lyceum al vier jaar niet meer. Wat was dan de reden dat ze de verkeerde naam voor haar Facebookaccount heeft gekozen? De verklaring is simpel. Leerling van Scholengemeenschap Hugo de Groot zegt helemaal niets over het soort onderwijs dat je hebt genoten. Dat kan echt van alles zijn en heeft dus weinig of geen status. Het enige dat je dan weet is dat ze als kind naar school is gegaan. Grotius Lyceum staat natuurlijk veel beter: dan heb je of HBS of Gymnasium gedaan. Met een dochter die gepromoveerd is, een zoon die afgestudeerd academicus is en met nog een zoon die mogelijk nog dit jaar ook zijn master haalt, en met een niet bestaande vader, kan moeder natuurlijk niet te ver achterblijven. En dat is de reden dat ze zich veel beter probeert voor te doen dan ze is. Door glashard te liegen over haar opleiding zet ze iedere lezer compleet op het verkeerde been. Dat is niet alleen liegen, maar ook bedriegen.  Deze stelling van mij  is nu voor iedereen controleerbaar: kijk maar op het Facebookaccount van Marianne de Kemp bij haar schoolopleiding en daarna op Wikipedia bij “Grotius Lyceum”. Het volgende is geknipt en geplakt uit Wikipedia:

Grotius Lyceum

Het Grotius Lyceum was een Nederlandse school in Den Haag, die bestond van 1946 tot 1968. Zoals bij lycea in die tijd gebruikelijk was, bood de school de keus tussen een vijfjarige hbs– en een zesjarige gymnasiumopleiding. Het eerste jaar was gemeenschappelijk. In 1968 fuseerde het Grotius Lyceum met de HBS Beeklaan, de voormalige Derde Gemeentelijke HBS, aan de Houtrustlaan en de ulo aan de Zonnebloemstraat tot de Scholengemeenschap Hugo de Groot. Die bestond tot 1981 en fuseerde in dat jaar op zijn beurt met het Tweede Vrijzinnig-Christelijk Lyceum tot het Segbroek College.

Kijk voor de vergelijking dan eens op deze website naar mijn schoolopleiding. Dan zul je zien dat ik wel op het Grotius Lyceum zat en daar in mei 1967 eindexamen HBS-B heb gedaan en daarvoor ben gezakt. Daar heb ik alle schriftelijke bewijzen aan toegevoegd, voor iedereen te zien. Die gegevens staan er niet voor de gelegenheid vanaf nu, maar die staan er al jaren zo op. Nu mag de lezer nog een keer zijn mening vormen. Wie is  nu de eerlijke persoon en wie is de leugenaar en bedrieger?

In januari 2018 kreeg ik verdergaand inzicht in waarom ons huwelijk uit elkaar is gegaan. Het duurt bij mij vaak lang voordat het inzicht doorbreekt van wat er in het verleden met mij en soms ook door mij gebeurde. Daar zijn in deze levensbeschrijving meerdere voorbeelden van te vinden. Ik weet ook niet of dat typisch bij mij hoort, of dat dit bij meer mensen zo is.

Inzicht van januari 2018 is dat het bij mijn scheiding niet alleen niet ging over seks en relaties, dat wist ik al veel langer en Marianne ook, maar meer over controle. Door de vele documentaires over ‘true crime’ die ik de afgelopen maanden heb gezien, bij Investigation Discovery en bij Crime and Investigation, viel ineens het kwartje. Bij nogal wat misdaad en huiselijk geweld, tot en met moord toe, gaan aan het misdrijf vooraf  pogingen van één der partijen, meestal de man, maar soms ook wel de vrouw, de volledige controle over de andere partij te krijgen. De duimschroeven worden dan steeds verder aangedraaid, en op het laatst mag de ander helemaal niets meer zonder toestemming van de ander, die dat dan nog maar zelden of zelfs nooit meer verleent. Zodra de ander, doorgaans veel te laat, daaruit probeert te ontsnappen (of onvoldoende gehoorzaamt), volgt geweld, met nogal eens moord als slot. Wij zijn gelukkig nooit in de fase van het geweld aangekomen, omdat ik al direct bij het eerste signaal dat ik iets niet meer zelfstandig mocht beslissen, de relatie heb beëindigd, na een denkpauze van drie maanden. Bij veel van die documentaires zie ik het probleem al bij het eerste signaal al beginnen en het verloopt daarna ook steeds volgens hetzelfde patroon. Bij dat eerste signaal, aan het begin van de documentaire, begin ik me dan al direct af te vragen: waarom stop je niet met die relatie? Dit kan toch alleen maar fout aflopen? Totdat ik doorkreeg dat het bij mij ook zo gegaan is en dat ik wel meteen de conclusie trok dat dit moest stoppen. Achteraf bezien heb ik dus inderdaad niet alleen de juiste conclusie getrokken, maar ook op het juiste moment, al zat mijn hoofd toen vooral vol vraagtekens.

Als het dan eindelijk veel te laat in die relaties tot een scheiding komt, volgt vaak eerst nog een periode dat de boosdoener alsnog probeert de controle te houden, door de ander te gaan stalken en het leven onmogelijk probeert te maken. Het – zogenaamd – weer willen goedmaken, zit ook vast in het patroon. Als dat allemaal niet helpt volgt opnieuw geweld, vaak veel ernstiger tot aan moord toe. Gelukkig ging het bij mij snel uit, maar met dit patroon nu in het achterhoofd zijn die indianenverhalen die Marianne over mij heeft rondverteld, ook meteen beter verklaarbaar. Ook dat was een poging alsnog controle over mij en de situatie te krijgen.

Ook bij de min of meer recente gebeurtenissen zoals Elisabeth Fritzl, Natascha Kampusch en in de maand januari 2018 nog de familie Turpin met zijn 13 kinderen in Californië, zie je dat het steeds weer gaat over het uitoefenen van de volledige controle over mensen. De seks is maar een mooi meegenomen ‘bijproduct’. Als je over alles de controle wilt hebben en uiteindelijk ook hebt, dan ook daarover.

Dat verschijnsel – het willen uitoefenen van de volledige controle over iemand –  zit volgens mij in iemand gebakken. Je kunt dat niet met een pil of met gesprekken veranderen. Gelukkig maar dat dit soort mensen, die het voor elkaar krijgen, ook voor de rest van hun leven in de gevangenis verdwijnen. Als dat waar is, en die mening heb ik nu, dan moet ook Jan Zandberg dat gemerkt hebben. Vandaar dat het met hem nog sneller uitging dan met mij, hoewel ik al vrij snel was met scheiden van Marianne. En intussen ondervindt Marcel van den Schoor hetzelfde. Dat duurt nog korter dan met mij of Jan Zandberg dus dat is een kwestie van tijd.

2. Werk.
Eerst werkte ik nog als Hoofd Personeelsdienst bij het postdistrict Den Haag. Na deze periode, toen ik mijn doel van halvering van de personeelsdienst had bereikt, ging ik – september 1986 – weer terug naar de oude CAPL in de Zeestraat, waar ik vandaan was gekomen, met gelijktijdige bevordering naar schaal 12. Mijn carrière kwam nu dus vrij hard op stoom.


De overplaatsings- tevens bevorderingsbrief. Merk op dat aan schaal 12 ineens geen rangsnaam meer was verbonden. Bij de Rijksoverheid was die rang ‘Administrateur’, terwijl de PTT-rangsnaam isp ofwel inspecteur was. Schaal 13 stond dan voor isp*, ofwel ‘inspecteur ster’, en schaal 14 was dan de isp bd, ofwel de inspecteur voor bijzondere diensten. Vanaf schaal 15 en hoger ging het dan altijd om directeuren.


De afspraken met mij over de terugkeer van het Postdistrict Den Haag naar de Centrale Directie, concernstaf Management Development. Een jaar na de overplaatsing, dus eind 1987, zou ik in aanmerking komen voor schaal 13. Voor lezers die niet vertrouwd zijn met het overheidsrangenstelsel, dat toen ook nog voor de PTT gold, deze uitleg. Dit rangenstelsel bestond uit 18 schalen. Schaal 1 voor de interieurverzorgster en schaal 18 voor de hoogste ambtenaren bij gemeenten en het Rijk. Met schaal 18 heb je het dan over de gemeentesecretaris bij de grootste gemeenten of Directeur-Generaal bij de Ministeries. Begonnen in schaal 1 in 1967 bij de Staatsdrukkerij tot schaal 13 in 1987 bij de PTT is bepaald een steile carrière. Elke 20 maanden een promotie en dan twintig jaar lang. En met schaal 13 was het nog niet afgelopen. Daarover later.

In deze periode werd ik opnieuw verantwoordelijk voor alle beroepszaken van personeel tegen de PTT/KPN en omgekeerd. Zie hiervoor de voorafgaande periode.

Bij mijn vertrek van het Postdistrict Den Haag ging er een grote kaart rond met in koeienletters “WE WISH YOU GOOD LUCK”. Daarop hebben vele medewerkers hun naam met handtekening gezet. Het liefst had ik deze kaart gedigitaliseerd en op deze site geplaatst, maar wat in 1986 nog zo onschuldig leek, is met internettijdperk levensgevaarlijk geworden, als ik ruim vijftig precieze namen voorzien van een handtekening aan het net zou toevertrouwen. Vandaar dat ik volsta met een droge opsomming van de namen. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zich ervoor schaamt dat hij in 1986 bij de PTT heeft gewerkt, en bovendien kan niemand iets met namen alleen. Bovendien vind je in de diverse telefoongidsen van toen duizenden namen van PTT-ers. Bij de meeste namen stel ik me nog altijd het gezicht en de baan van betrokkene voor, maar sommige namen zeggen me in 2018 weinig tot niets meer. Nadeel van het soort baan dat ik had was en is dat veel meer mensen mij kenden dan omgekeerd. Daar komen ze dan:

W. Duijndam, A. Wolting, Remco Tap, C. Hekman.
H.Stikkers, A. Jonkers Both, P. van der Togt, R. Noordman.
T. Roeleveld, J.H. Kuiper, S. Dobrzynski, J. Geurts – Hengst.
Eva van der Gugten, J. Bruce, S.S.Woelk, J. de Block.
R. van Zwol, J.W. Klein, Eric Hisgen, A.F. Osseman.
Henk Lansink, R. Gijzen, Rie de Jong, Wout van Loon.
F. Teeuw, P. de Lange, Aletta van Erp, Rina Koevoet – van Andel.
J. Manuhutu, R. Abdoelkhan, B.Bal, Annelies Voerman.
E. Uitbeijerse, R. Smits, N. Marks,
N. Grootheest, A. van Houwaert, W. Heick,
E. van Raamsdonk, J.W. Roos, Jeannette van der Kraan.
J.Punt, Y. Oudshoorn, Bep van Kan.
I. A. Krijtenburg, A. van den Meijer, M. Bakker.

Dat waren dus 47 mensen in totaal.

Korte tijd later, op 16 januari 1987, vond er een reünie plaats van CAPL-ers. Waar anders dan op het roemruchte Voorlinden, ooit de kweekvijver voor het hoger personeel van de PTT, sinds 2017 een museum. Het is verrassend dat aan ieder door de heren Stremmelaar en Woltman, een complete lijst werd gestuurd met alle ex-CAPL-ers die zich hiervoor hadden aangemeld, een 155-tal mensen, voorzien van naam en huisadres. Dat zouden we tegenwoordig niet meer zo doen, maar ja, het internet bestond nog niet en niemand zag hier kwaad in of had er bezwaar tegen. Tegenwoordig hebben we ‘privacy’.

Het is gelukt om hierboven uitsluitend de namen hier te vermelden, zonder de adressen. Al is dit overzicht meer dan dertig jaar oud, en zullen de meesten van hen niet meer op dat adres wonen, of een aantal zelfs al zal zijn overleden, maar ik neem toch maar liever geen enkel risico. We kregen de lijsten zelfs zowel op alfabet als op woonplaats, maar ik volsta met de opsomming op alfabet, omdat de woonplaatsen ten eerste niemand wat aangaan en bovendien velen daar niet meer zullen wonen.


Bovenstaande foto heeft geen datum, behalve dan dat hij van januari is. Ik veronderstel dat hij van de reünie van de CAPL is van januari 1987 in Voorlinden. Leuke foto, maar wel jammer van die vouw.

De CAPL bestond enkele jaren tevoren nog uit zo’n 150 medewerkers en inmiddels had de oude Directieraad van de PTT besloten deze afdeling grotendeels (of zelfs geheel) op te heffen, doordat vele werkzaamheden zouden worden gedelegeerd naar de werkmaatschappijen, vooral Post en Telecom. Bij terugkeer bij de Centrale Directie – eind 1986 – trof ik al een grotendeels ontmanteld CAPL aan. Vele kamers stonden leeg. Onder andere de centrale werving en selectie was inmiddels verdwenen, evenals de psychologische dienst. De medewerkers waren verspreid over de diverse business-units en werkmaatschappijen. Er moest een kleine en slagvaardige concernstaf Management Development worden gebouwd, met de beste PZ-persoon van Telecom en de beste van Post, zo had ik mij laten vertellen. Dat waren blijkbaar Peter Woltman van Telecom en ik van Post. Ook stond de verzelfstandiging van de PTT al vast. Begin 1988 werd de benoeming bekend van Ir. Wim Dik tot beoogd CEO van de verzelfstandigde PTT, die later KPN N.V. zou gaan heten. Hij trad per 1 april 1988 aan. Op 1 mei 1988 traden Ad Scheepbouwer en Ben Verwaayen in dienst, als nieuwe eindverantwoordelijken voor respectievelijk Post en Telecom. Aanvankelijk waren zij nog geen lid van de Raad van Bestuur. Al snel, zelfs in april 1988 al, werd duidelijk dat Dik een centrale werving en selectie, aanvankelijk zelfs voor alle niveaus, op holdingniveau wilde, terwijl die nou net was afgeschaft. Dat gaf de nodige discussies in de Voorlopige Raad van Bestuur. Van meet af aan liet ik aan Peter Woltman blijken dat ik er wel belangstelling voor had om die centrale Werving en Selectie voor heel KPN op te zetten. Peter had, net als de meeste andere oude PTT-managers, nu juist zoveel slechte ervaringen met de centrale werving en selectie gehad. De centrale werving en selectie bij de CAPL was traag en bureaucratisch, en bovendien kregen de bedrijfsonderdelen vaak niet de mensen die ze graag wilden hebben. Dat waren precies de redenen geweest om met die centrale werving en selectie te stoppen.

Aanvankelijk heb ik me bij de nieuwe concernstaf MD bezig gehouden met de ontwikkeling van nieuwe kaders voor Management Development, de loopbaanberaden voor de hoogste kaders van het bedrijf, en de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden, waaronder de pensioenvoorziening, voor de nieuwe groep medewerkers die een Persoonlijke Arbeidsovereenkomst (PAO) zouden krijgen, omdat ze boven de de hoogste (CAO-schaal 13 = overheidsschaal 14) schaal van de nieuwe CAO betaald zouden gaan worden. Deze groep zou de hoogste 500 mensen van de nieuwe KPN omvatten.

Doordat ik in 1967 begon onder het minimum van schaal 1, omdat ik toen nog niet meerderjarig was (nog geen 21), had elke promotie naar een volgende schaal al plaats als ik nog maar één periodiek in de oude schaal had gehad, en dus in de nieuwe schaal opnieuw helemaal onderaan moest beginnen. En dat zo dertien keren achter elkaar. Het was blijkbaar bij Personeelszaken ook iemand opgevallen, dat dat per saldo niet helemaal eerlijk was, vandaar dat ik begin 1988 in één keer naar het maximum van schaal 13 ging. Ik wil ook graag hier nog even kwijt dat ik geen enkele keer om een promotie of een salarisverbetering heb gevraagd. Geen enkele keer. Het overkwam me steeds, blijkbaar op grond van door anderen vastgestelde prestaties. Ook de slag meteen naar het maximum van schaal 13, van begin 1988, had ik nooit om gevraagd.

Peter Woltman bleef de benoeming van het nieuwe Hoofd Werving en Selectie van mei 1988, toen tot centralisatie op concernniveau besloten was, tot december 1988 voor zich uitschuiven. Het ging daarbij waarschijnlijk niet om mijn persoon, maar omdat hij het centraliseren van werving en selectie op holdingniveau totaal niet zag zitten. Pas op 9 december 1988, vlak voor de verzelfstandiging van de PTT op 1 januari 1989, werd ik benoemd tot Hoofd Werving en Selectie voor heel KPN, met de opdracht om KPN binnen 5 jaar te brengen tot de 5 populairste werkgevers van Nederland en de kwaliteit van werving en selectie aanzienlijk te professionaliseren en te verbeteren. Vanaf de eerste dag ben ik daarmee aan de slag gegaan. Alle doelstellingen heb ik ruim binnen de gestelde termijn gehaald. Dit is zo’n spectaculair proces geweest, dat dit mijn Opus Magnum is geworden. Mijn Levenswerk. Wat daar gebeurd is, daar heb ik een aparte website aan gewijd. Daardoor zal de periode van 9 december 1988 tot 1 oktober 1994, mijn vertrek bij KPN, in de rubriek ‘werk’ in deze levensbeschrijving niet verder worden behandeld. Deze geschiedenis is te vinden op www.invictusbv.nl.

Een uit mijn werk voortvloeiende neventaak was (1989 – 1994) het lidmaatschap van de onderwijscommissie van VNO/NCW, toen verreweg de grootste werkgeversvereniging van Nederland.  Dat was een landelijke commissie van de werkgevers, die het kabinet van gevraagde en ongevraagde adviezen voorzag, over alles dat met het onderwijs te maken had. In deze commissie waren de grootste bedrijven met een persoon vertegenwoordigd, alsmede enkele bedrijfstakken, zoals de metaalnijverheid en de agrarische bedrijven. Omdat vanaf 1 januari 1989 de PTT KPN werd en daarmee een bedrijf, werd KPN meteen ook lid van VNO/NCW en moesten ook meteen mensen worden aangewezen voor de diverse subcommissies die overlegden met de vakbeweging, de regering, en de Tweede Kamer.

Ik werd de vanzelfsprekende vertegenwoordiger van KPN in deze commissie. Ik trof daar een zeer gemêleerd gezelschap aan, met de vertegenwoordiger van Philips als veruit de belangrijkste deelnemer en een heel sterk secretariaat, dat alle voorbereiding, nazorg en de hele communicatie naar buiten uitstekend verzorgde. Binnen de kortste keren na mijn binnenkomst zette ik er samen met de Philipsman de toon. Als hij en ik het ergens over eens waren, en dat was heel vaak het geval, dan was dat ook meteen het standpunt van VNO/NCW. Uiteraard gaven we daarbij iedere deelnemer alle eer. Als er een standpunt van werkgevers moest komen over de agrarische opleidingen, bijvoorbeeld, dan volgden we als regel de opvatting van de vertegenwoordiger van die tak in onze commissie. Zowel Philips als KPN hadden en hebben weinig belang bij goede opleidingen voor agrariërs, en dus was onze mening daarover niet erg dominant. Hoewel ik me geen enkele naam uit die tijd van deze commissie herinner, heb ik er toch heel goede herinneringen aan.

3. Vakanties.
In 1985 ging ik na mijn trouwen met Marianne op vakantie naar Joegoslavië. In 1986 ging ik met Marianne en Charlotte naar Brommat in Frankrijk. Ook in 1987 was Frankrijk de bestemming met Marianne en Charlotte. In de zomer van 1988 was Jeroen net geboren en heb ik geen vakantiebestemming genoteerd. We hebben met Jeroen wel maandenlang overal naartoe heen en weer gesjouwd, naar de diverse specialisten, dus waarschijnlijk was ik enkele weken gewoon thuis. Mijn vakantie van 1989 was in elk geval van 1 juli tot en met zondag 23 juli, maar ook deze keer bleven we waarschijnlijk thuis. In 1990 was ik de hele maand juni vrij en gingen we op vakantie naar Zwitserland (waar intussen dr Simons, de oogspecialist, in Adelboden was gaan werken, die we ook een bezoek hebben gebracht) en Frankrijk. Marianne wilde altijd naar een warm land, maar niet te ver rijden. Dan ben je pas kort bij de Franse zuidkust zeker van zon en warmte, maar dat vond ze te ver. Dan bleven we halverwege Frankrijk hangen en dan kon het weer mee of tegen zitten, net zoals in Nederland. In 1991 zijn we maar een week weggeweest en wel in Oxford, Engeland. We verbleven in het Linton Lodgehotel, voor de somma van fl. 960,–.

4. Familie, vrienden en vriendinnen. De gehele periode had ik af en toe een afspraak met mijn moeder in Zoetermeer.



Hier een brief van haar.




Hier nog een brief. Tekenend voor onze moeder was, dat ze steeds op gezette tijden naar een ‘rusthuis’ ging, omdat de opvoeding van haar drie zoons, die toch bepaald niet erg lastig waren, niet meer goed aankon. Maar ook nadat we alle drie al lang het huis uit waren, ging ze hiermee door. Een vakantie kon ze uiteraard niet of niet goed betalen, en zo kwam ze er af en toe toch nog uit.

Met andere (voormalige) vrienden en vriendinnen had ik geen enkel contact meer tijdens mijn huwelijk met Marianne. Bijvoorbeeld ook niet met mensen van de padvindersgroep, waar Marianne en ik allebei lid van waren geweest. Ook met collega’s en voormalige collega’s had ik in die periode geen enkele afspraak in privétijd. Er staat in die jaren maar één dinertje met een vrouwelijke collega in mijn agenda, maar dat was bedoeld om haar op aardige wijze duidelijk te maken dat zij niet door alle collega’s zo geliefd werd bevonden. Een slechtnieuwsgesprek dus. Ik weet nog goed dat ik erg opzag tegen dit diner en dit gesprek. Kort hierna nam ze zelf ontslag, maar dat had niets met dit diner en dit gesprek te maken, maar met haar persoonlijke omstandigheden. Wat was ik opgelucht. Achteraf bezien had ik dit heel anders moeten aanpakken en zeker niet met een dinertje. Maar met meer geluk dan wijsheid werkte het uiteindelijk toch erg goed uit.

Zaterdag 7 juli 1990 waren broer Jan en Anneke 25 jaar getrouwd, en volgens Jan was dit feest in de Prinsestraat in Den Haag en was ik daarbij. Met Arie en Joke hadden we een afspraak op zondag 6 april 1991. Ik vermoed in Haren, maar of hun kinderen daarbij waren is niet opgetekend. In 1987 begon mijn vriendschap met Theo de Graaf uit De Meern, die tot op heden (2019) bleef en met Eric Hisgen ging ik in deze periode een aantal keren uit. Met vriendinnen ben ik de gehele periode niet uit geweest. Op zaterdag 25 november 1989 werd in het Van Pallandthuis een groepsreünie gevierd, wegens het 25-jarig bestaan van het Van Pallandthuis. Daar was ik niet voor uitgenodigd, dus daar wist ik het bestaan niet van. Pas ergens in of na 2011 heb ik daar voor het eerst van Carin van gehoord. Aan deze reünie ging een voorbijeenkomst bij Carin thuis vooraf. Daar zijn foto’s van, waaronder de volgende:

Van links naar rechts op de bank: Paul Jacobs, die twee maanden tevoren voor de tweede keer was gearresteerd op verdenking van kindermisbruik, waarvoor hij later ook is veroordeeld, Carin van de Craats, tweelingbroer broer van Paul, Peter Jacobs, Anneke Kuipers – de Combe. Wat een symboliek spreekt er uit deze foto. Peter tussen Carin en Anneke in, zoals het vanaf 1968 was en Carin tussen de (later) veroordeelde kindermisbruiker Paul Jacobs n de gewelddadige kinderverkrachter Peter Jacobs in, zoals het ook vanaf kort na 1968 was, totdat in juli 2016 Peter overleed. De andere persoon, zittend op de grond, is Joop Thijssen, die ook al vele jaren geleden overleden is en verder met deze geschiedenis niets te maken had.
Behalve de gefotografeerden waren daar nog: de Kerners, Rob Rapmund en Ria en Gerard Gutz-Wegner, waarvan alleen Rob Rapmund ook deel uitmaakte van het complot van de bankzitters. Hoewel feitelijk Rob Rapmund en Paul Jacobs nooit lid of leider van de groep waren geweest en ook Anneke nooit meer dan hulpje/draver is geweest, waren ze toch bij de reünie, terwijl anderen, die wel en soms zelfs tientallen jaren lid en/of leider waren, zoals ik, maar ook o.a. Paul Oomen, Wilbert Nieuwstraten, Gerard Laanen en Fred Haighton, niet waren uitgenodigd en dus niet aanwezig waren.

5. Politiek.

In het vroege voorjaar 1986 was ik als lijsttrekker van D66 gekozen in de gemeenteraad van Bodegraven.

De nieuwe gemeenteraad van Bodegraven, op 22 april 1986. Staande: vierde van links ikzelf, Achter de burgemeester staand Koos Karssen, naast Koos Karssen de heer Baggerman van de S.G.P., met wie ik een afspraak had om elkaar te steunen om eigen voorstellen te kunnen indienen.
Ik was daar actief, ook met vele avondafspraken, allemaal te Bodegraven. Dat duurde tot november 1989 toen ik verhuisde naar Haren. Aangekomen in Haren heb ik mij – nog in november 1989 – als eerste – ter kennismaking – vervoegd bij de toenmalige afdelingsvoorzitter van Haren: Dick Pegtel, thans (2016) nog lid van mijn eetclub. In het jaar 1990 werd ik verkozen tot zijn opvolger als afdelingsvoorzitter van Haren.



In mijn raadstijd te Bodegraven, maakte ik ook nog een kortstondige carrièreswitch mee naar de functie van vuilnisman. Het haalde zelfs de plaatselijke krant. Het duurde overigens maar drie uren. De persoon met de horizontale strepen ben ik.
Bijzonder is het proces in aanloop naar de verkiezing tot lid van Provinciale Staten van Groningen op 6 maart 1991 geweest. In het vroege najaar van 1990 moest je je daarvoor al kandidaat stellen, hetgeen ik inderdaad tijdig had gedaan. Ik woonde pas een paar maanden in de provincie Groningen en kende vrijwel geen enkel D66-lid in deze provincie, met uitzondering van enkele Harense leden en ook die nog maar kort. Op het aanmeldingsformulier werd ook gevraagd of je je kandidaat wilde stellen voor lijsttrekker en dat heb ik ook gedaan. Ik wist immers niets van deze provincie en dus ook niet of zich anderen hiervoor kandidaat zouden stellen. In oktober 1990 vond in een te kleine zaal in de stad Groningen de ALV van de regio plaats waar de kandidaten zich konden presenteren en daar was ik dus ook bij en heb mij gepresenteerd. In deze volle zaal kende ik helemaal niemand. Daarna vond de schriftelijke poststemming plaats, zodat de lijstvolgorde kon worden vastgesteld. Tot mijn verrassing bleek ik een vijfde plaats op de lijst bemachtigd te hebben, van zeker 25 kandidaten. Er bleek één andere kandidaat te zijn voor lijsttrekker en dat was Koosje van Doesen, die al fungerend fractievoorzitter was, tegen wie volgens mij toen niemand bezwaar had. Het leek me onjuist om als complete vreemdeling het te gaan opnemen tegen een goed functionerende zittende fractievoorzitter en kandidaat-lijsttrekker. Ik trok mij dus terug en zodoende werd Koosje de volgende lijsttrekker. In de hele provincie heb ik campagne gevoerd, precies volgens de plannen van de verkiezingscommissie. Ik kwam op tal van plaatsen in de hele provincie waar ik nog nooit van mijn leven was geweest. Ik ben er nooit vaker dan eenmalig en niet langer dan enkele uren geweest. D66 haalde voor de provincie negen zetels en ik was dus ruimschoots als lid gekozen. Opnieuw tot mijn verbazing haalde ik in zowat alle Groningse plaatsen voorkeurstemmen, in sommige plaatsen zelfs enige tientallen, en bij elkaar zo’n 500. De meeste andere kandidaten van onze en andere lijsten haalden (veel) minder voorkeurstemmen. Ik had zelfs meer voorkeurstemmen dan de alom bekende Groningse communist en volksmenner/stakingsleider, Fré Meis. Waar ik zoveel voorkeurstemmen aan verdiend had in een streek waar ik totaal onbekend was, is me altijd een raadsel geweest. Bij de portefeuilleverdeling in de fractie kreeg ik de portefeuille algemene zaken, waaronder financiën. Aangezien vrijwel alles dat je politiek wilt geld kost, gaf die portefeuille de gelegenheid om – indien ik dat wilde – me overal mee te kunnen ‘bemoeien’. Het was een goed team, dat het de volle vier jaar met elkaar uithield.

6. Allerhande.
In februari 1985 kocht ik een nieuwe Ford Sierra Laser, PD-85-NX. Kleur niet onthouden of genoteerd. Ik bleef ook nog lid van de Raad van Toezicht van de Hogere School voor de Gezondheidszorg te Leusden.

In 1986 ben ik een procedure gestart tegen Aegon. Bij Aegon had ik levensverzekering lopen, maar ik wilde daarvan af. De groei van het kapitaal bleef niet alleen op de van tevoren door Aegon gestelde verwachtingen, maar het kapitaal liep zelfs terug. Bij de afkoop kreeg ik zelfs nog een stuk minder terug dan was verteld bij de laatste tussenopgave. Dus schreef ik eerst aan Aegon een informatieve brief met de vraag op welke wijze men tot de berekening van de uiteindelijke afkoopsom was gekomen. Het antwoord was ontwijkend. Ik kreeg geen inhoudelijke reactie. Ik zocht het steeds hoger op en ben zelfs een keer bij het Hoofdkantoor van Aegon in Mariahoeve, bij de Raad van Bestuur uitgenodigd, maar ook toen kreeg ik geen concreet antwoord. Ik was gestuit op wat jaren later de ‘woekerpolisaffaire’ ging heten. De lage afkoopwaarde bleek hem toen te zitten in de extreem hoge in rekening gebrachte administratiekosten, maar daar kreeg ik ondanks herhaald vragen – ook op het hoogste niveau – nooit een berekening van. Op zeker moment heb ik het laten zitten. Voor mij is Aegon sindsdien een criminele vereniging, waar ik niets meer mee te maken wilde hebben en ook nooit meer. Niet alleen pogingen om de klanten op te lichten, maar het ook nog uitvoeren en daarover geen verantwoording willen afleggen. Later begreep ik dat ook andere verzekeraars, misschien wel alle andere verzekeraars, zich ook op ditzelfde criminele pad hebben begeven en zelfs tot op heden – 2019 – daarover nog geen verantwoording willen afleggen. Voor mij heeft Aegon echter voorgoed afgedaan.


Bovenstaande foto moet genomen zijn in een kas / vlindertuin. Weet niet welke en waar. Ik noemde de foto, die van 1987 is, ‘vlinders vangen’.

In de week van 21 maart 1988 was ik met een flinke delegatie van de voormalige leiding van de Wegelaergroep bij het graf van vroegere mede-leider Loek Leeuwenburg. Dit bezoek was nog door de oude Kerner georganiseerd, dus had hij mij ook uitgenodigd en was ik er ook. Loek was vermoord, volgens de politie: in het homoseksuele milieu. Loek was alleen geen homo, maar juist een uitgesproken hetero. Loek was zwaar spastisch (denk aan Stephen Hawking) en kon dus lastig of zelfs geen vriendin krijgen. Effect was dat hij blijkbaar de seks in andere kringen zocht en daarbij niet de goede keus heeft gemaakt. Dit is dus een mooi voorbeeld van een totaal verkeerde inschatting en van het slechte recherchewerk van de politie. In augustus 1988 was de begrafenis van Kim de Voogd, het in onze padvinderstijd alom tegenwoordige hulpje van de Kerners, die voor Kerner en het van Pallandthuis zorgde. De groepsvertegenwoordiging voor deze begrafenis was deze keer door Carin van de Craats verzorgd en dus werd ik niet geïnformeerd en was ik er ook niet. De Jacobsen en haar andere criminele vrienden en vriendinnen waren er ongetwijfeld wel. Bij de reünie van november 1989 was ik evenmin uitgenodigd en ook – door Carin – het criminele deel van de leiding van toen wel. Een aantal van hen was zelfs nooit lid of leider van de groep geweest. Op 21 juli 1988 heb ik het Canadese adres van Marjolein Jellema gekregen, die dus toen nog net niet of juist net wel was geëmigreerd naar Canada. Op donderdag 31 mei 1990 had ik het laagste gewicht sinds mijn jeugd: 87,1 kilo.


Hierboven nog een documentje met mijn bloedwaarden van augustus 1989. Ik weet niet waarom deze bloedwaarden bij mij zijn gemeten. Wellicht met het oog op een te sluiten levenhypotheek? In elk geval waren deze bloedwaarden blijkbaar geen reden voor een behandeling, want die herinner ik me niet. De waarden zelf zeggen me ook helemaal niets. Ik ben geen dokter. Het moet wel een van mijn gezondste periodes geweest zijn, hoewel ik nooit, behalve in mijn jonge jaren dan, erg ziekelijk was. In augustus 1989 woog ik ook nog eens relatief weinig: ongeveer 89 kilo bij een lengte van 1,89 meter.

Laatste versie: 27 februari 2019. Deze pagina is nog niet af. Hij moet nog worden aangevuld en hier en daar verbeterd. Ook wil ik nog foto’s en documenten toevoegen. Als U op de hoogte wil blijven van alle komende wijzigingen, verwijs ik u graag naar de RSS-feed op de homepage.