Overpeinzingen, anekdotes en toevallige ontmoetingen, uit mijn leven gegrepen, deel II.

Deel I uit deze serie is al lang en ik vreesde dus dat hij wel eens te lang zou kunnen worden. Vandaar dat ik maar een nieuwe pagina begonnen ben, want de anekdotes, toevallige ontmoetingen en overpeinzingen zullen blijven komen.

5 februari 2018.

Wout van Aart, een sterke Belgische veldrijder, won een belangrijke veldrit. Na afloop moest hij natuurlijk verklaren hoe het kwam dat hij gewonnen had. Hij had er twee redenen voor. De eerste was dat hij op smallere banden had gereden: 30 mm in plaats van de meer gebruikelijke 33 mm. Tja. En de tweede reden was dat na het steeds weer tussentijds schoonmaken van alle bewegende delen van de fiets ze daarbij Dr Oetker bakspray hadden gebruikt. Dat zorgde ervoor dat alle modder en vuil minder makkelijk aan de verschillende bewegende delen bleef plakken. Dat vond ik meteen een heel sterk argument: het gebruik van dr. Oetker bakspray levert winnaars op.

Het is de zoveelste bevestiging van wat ik al jaren beweer: veel voorverpakt eten komt rechtstreeks uit de chemische industrie en kan niet anders dan ongezond zijn. Vermijd het voor consumptie. Die chemicaliën, zoals dr. Oetker bakspray, kunnen natuurlijk wel uitstekend werken bij fietsen die onder de modder en vuil hebben gezeten. Er zit heel veel, vaak jarenlang onderzoek in. Ze doen die spullen niet zomaar op de markt. Ik ga dus maar ook zo’n spuitbus halen, voor de situatie dat ik weer veel of althans veel meer ga fietsen dan ik nu doe. Of voor het onderhoud van andere bewegende delen ………….. Ik wil tenslotte ook wel eens bij de winnaars horen.

Oorlog en vrede.

11 februari 2018.

Inmiddels ben ik met het boek over Jan Pieterszoon Coen begonnen, zoals ik gisteren al meldde. Wat mij na de eerste twintig of zo bladzijden opviel dat deze Coen, zolang hij leefde (1587 – 1629) alleen maar een situatie van oorlog heeft gekend. Van 1568 – 1648 woedde immers de 80-jarige oorlog van Spanje tegen ‘Nederland’. Geen dag vrede dus. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) gold de wapenstilstand alleen maar voor ons gebied, zo las ik, want dat heb ik nooit geweten, maar niet voor de rest van de wereld, zoals Afrika en Azië, waar de oorlogstoestand en de oorlog ‘gewoon’ verder woedde.  Je realiseert je niet dat een toestand van vrede, waar we nu al zo lang in leven, eigenlijk de uitzondering is, en een toestand van oorlog doorgaans de ‘normale’ situatie was en voor veel volkeren nog steeds is. Ik heb wel al meerdere keren in allerlei gezelschap gezegd, dat ik me gelukkig prijs dat ik – geboren in 1946 – altijd vrede heb gekend. Wat dat betreft ben ik gewoon op een gelukkig moment geboren. Tegelijk zeg ik hiermee natuurlijk ook dat ik een toestand van oorlog best nog wel eens zou kunnen gaan meemaken. Een raar idee, maar wel realistisch.

De politiek die we vanaf WO II hebben gekend lijkt ook wel op zijn eind te lopen. In Duitsland kost het de grootste moeite nog een regering te vormen en in Nederland lukte het ook alleen maar met de grootste moeite. Ook in het Verenigd Koninkrijk en in de V.S. zijn regeringen gevormd met maar een heel minimale voorsprong op de oppositie. In Oost-Europa zijn bijna overal rechtse regeringen aan de macht en in Zuid-Europa lukt het de landen maar niet hun financiën in evenwicht te brengen. Alleen in China en in Rusland is (lijkt) er een hoge mate van stabiliteit. In het Midden-Oosten vliegen landen en volkeren elkaar voortdurend naar de keel. Waar dat nou toch naartoe moet?

Shoppen in de V.S.

Maandag 5 maart 2018. Gezichten en namen onthouden.

Stef Blok is de nieuwe Minister van Buitenlandse Zaken. Ik kende hem al toen hij nog Minister van Wonen was, vanuit mijn activiteiten voor het platform. Ik vond dat bepaald geen verkeerde Minister. Een saaie maar degelijke man, zegt men. De Volkskrant heeft vanmorgen een mooi artikel over hem, en de politiek in het algemeen. Geen verkeerde keus, volgens mij.

In dit Volkskrant-artikeltje stond een stukje, waarvan ik dacht dat het ineens over mij ging.  En wel het volgende:

Stef Blok staat op het Binnenhof bekend als de man die moeilijk gezichten kan onthouden. Collega’s die zich driemaal aan hem hadden voorgesteld, kregen bij de vierde keer de reactie: leuk u eindelijk eens in het echt te ontmoeten. Er lijkt dus sprake van nagenoeg strikt langs elkaar heen levende werelden.

Zo’n situatie heb ik zelf ook al meerdere keren meegemaakt. Meestal reageert de toegesprokene daar boos op, is mijn ervaring. Sommigen weigeren dan de toegestoken hand, en lopen weg met een boos gezicht. Dat moest ik dan weer een keer goed zien te maken. Ik kan niet alleen geen gezichten onthouden, maar ook geen namen. Ik heb dat steeds geweten aan mijn beroep: personeelsbaas in diverse titels, en Hoofd Werving en Selectie. In die hoedanigheden, vooral de laatste, heb ik vele duizenden cv’s en sollicitatiebrieven gezien en gelezen. Als het er geen tienduizenden zijn geweest. Mijn stelling was altijd: alles aan een cv is interessant, behalve de naam van de persoon. Of een persoon nu Jansen of Pietersen heet zegt me helemaal niets. Wel of het een man of vrouw is, de geboortedatum en -plaats, de opleiding en de ervaring van betrokkene, de hobby’s en al het andere dat op een cv en sollicitatiebrief voorkomt. Maar aan de naam van de persoon heb ik voor selectie helemaal niets. En die naam plak ik dus pas veel later op een kandidaat. Als ik dat stadium dus ooit bereik met iemand. Ik heb dus nu ook iemand gevonden die tenminste ten dele hetzelfde gedrag als ik vertoont, op dit punt dan.

De slag bij Samobor, 1 maart 1441.

Vanmorgen had Xinhuanet (onze Chinese vrienden dus) een reportage over het naspelen van de Slag bij Samobor, op 1 maart 1441. Het zal wel aan mij liggen, maar hoewel ik een groot liefhebber ben van geschiedenis en daarover hele stapels boeken heb gelezen, zei me deze slag dus helemaal niets. Ik had zelfs niet het flauwste idee tussen welke partijen dit geweest kon zijn. Dat moest ik dus even gaan opzoeken en dat kostte me best nog wat moeite. Alleen de Engelstalige Wikipedia had er een bericht over, maar ook na lezing daarvan was ik nog altijd niets wijzer. Het ging toen over Ulrich II van Celje, tegenover Stephan Banic.  De laatste verloor de slag, begrijpelijkerwijze. Zo’n nummerloze figuur die het opneemt tegen een heel edelengeslacht, die moest natuurlijk wel verliezen. De inzet was de Hongaars-Kroatische kroon. Ook van die kroon had ik nog nooit gehoord en bovendien schijnt Ulrich II er niet lang van genoten te hebben, toen hij kort daarna door de Turken werd verslagen. Ook na het lezen van diverse artikelen daarover was ik dus niets wijzer. Maar het grootste raadsel is natuurlijk nog wel waarom de Chinezen hier aandacht aan gaven. Hieronder een foto van de heropvoering van deze slag.

Mozes.

Mozes komt van de berg en spreekt het wachtende volk toe. Mozes zegt: ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws. Wat willen jullie het eerste horen? Het volk roept en schreeuwt in koor: “Eerst het goede nieuws!!! OK, zegt Mozes. Het goede nieuws is: “Het is me zojuist gelukt om de oorspronkelijk bedoelde 15 geboden terug te brengen tot slechts 10 geboden.” Het volkt juicht en gaat beginnen met het aanrichten van een feest. “Wacht even, wacht even. ” roept Mozes. “Ik moet ook eerst nog het slechte nieuws vertellen.” Het volk komt weer tot bedaren en als het weer stil is, gaat Mozes verder en zegt: “Het slechte nieuws is, dat overspel nog steeds niet is toegestaan.”.

Vrijdag 9 maart 2018. Lof.

Saoedi-Arabie krijgt nu ook het eerste popoptreden uit zijn geschiedenis, met een in Egypte beroemde vrouwelijke ster, die er blijkbaar voor islamitische begrippen nogal vergaande teksten op na houdt. In het contract daarover staat dan weer wel dat er tijdens het optreden niet mag worden gedanst en gezwaaid. Je kunt natuurlijk ook niet alles tegelijk hebben. Dansen doe ik sowieso nooit en zwaaien eigenlijk ook niet. De laatste keer, enkele jaren terug, was dat geheel per ongeluk. Ik heb er nog steeds spijt van. Voor de toen door mij toegezwaaide geldt nog: sorry, dat was niet de bedoeling. Ik maak natuurlijk wel een uitzondering voor lof.  Lof heb ik al vele jaren naar diverse mensen toegezwaaid. Zelfs dit jaar al een keer. Een jaar zonder lof is een verloren jaar, vind ik.

Juli 2019. Een gave van mij.

Het is een merkwaardige gave van me, die verder nergens op deze website vermeld staat, dat ik soms in een hele berg gegevens, of bij een stapel papieren, zonder aarzelen meteen het gegeven aanwijs of een velletje uit de stapel trek waar iets bijzonders of afwijkends op staat. De toeschouwers in grote verbazing achterlatend, hoe het toch mogelijk was dat ik – bij zoveel gegevens of papier – meteen de vinger op de zere plek kon leggen. Zo zocht ik eens in het Haagse Archief nadere gegevens van een rechtstreekse voorouder van me, die in de 18e eeuw uit Duitsland naar Den Haag was gekomen. Ik had alle registers al doorgezocht en niets gevonden, totdat een archiefmedewerker de suggestie deed om eens te kijken in de registers van het oudemannenhuis uit die tijd. Dat vond ik een goed idee. Ik werd dus verwezen naar een kast met zeker zes enorme folianten. Helaas bleek alles daarin genoteerd te zijn op een bijzonder merkwaardige wijze, maar kennelijk in de 18e eeuw heel normaal, maar er was geen chronologisch register of alfabetisch register op voor- of achternaam. Dat werd dus monnikenwerk, want dat kost weken werk om die ene naam te vinden in duizenden pagina’s, terwijl ik ook niet zeker wist of die naam eigenlijk in al die boeken wel voorkwam. Ik ging dus met een willekeurig deel eens aan een tafel zitten om na te gaan of ik de logica van toen zou kunnen doorgronden of anders het boek gewoon doornemen, bladzijde voor bladzijde. Ik sloeg dus dat enorme boek op een willekeurige plek, ongeveer in het midden, voor me open. En binnen seconden zag ik op precies die ene bladzijde de naam van die voorouder staan. En ik wist meteen waar en wanneer hij in Duitsland was geboren en op welke datum hij in Den Haag was overleden.

Onlangs had ik weer zoiets. In een presentatie, waarin heel veel getallen voorkwamen, zag ik bij sheet nummer zoveel ineens een getal staan bij een begrip, terwijl ik toch zeker wist dat dat zelfde getal bij hetzelfde begrip enkele sheets eerder 10 kleiner was. Eerst was het 2100 en enkele sheets later was het ineens 2110. Tussen honderden andere getallen en gegevens viel me dat ineens op. Ik maakte dus daar een opmerking over en de presentator bladerde enkele sheets terug en stelde ook vast wat ik had vastgesteld. Er stond een verschil waar de getallen hetzelfde hadden moeten zijn. De presentator was meteen een beetje van slag. In de rest van de presentatie meldde ze steeds weer dat de getallen nog moesten worden nagekeken. Ze was duidelijk van slag. Het was allemaal niet van levensbelang, maar ik kan het niet helpen dat ik zoiets ineens kan zien, waar iedereen er verder overheen kijkt. Tot verbazing van de omstanders.

Juli 2019. Het Frans en de Fransen.

Vandaag in The Guardian een ‘long-read’ over de neergang van de Franse keuken en het Franse restaurantwezen. Eens de top van de wereld, maar tegenwoordig kun je in Londen en New York beslist beter eten dan in Parijs, aldus de journalist, tevens globetrotter, die jaren in elk van die steden heeft gewoond. Ik kom niet zo vaak in Frankrijk, want waarom zou ik dat nou doen? Volgens de schrijver is het tegenwoordig in Parijs overal beginnen met paté en daarna is het entrecote, entrecote en nog eens entrecote. Merkwaardig. In het Engels moet er blijkbaar een dakje op de o, maar in het Nederlands wordt dat afgekeurd. Hoe het in het Frans moet interesseert me weinig. Kijk, dat lees ik nou graag: de neergang van iets Frans’. Ook de Franse taal was ooit de wereldtaal en het hele diplomatenkorps sprak in de hele wereld nog Frans met elkaar. Dat is lang voorbij. Tegenwoordig is het Frans een of ander Zuid-Europees streektaaltje. Ik zeg dat zo makkelijk, omdat ik ook Franstaligen in Brussel eens heb zien betogen met een spandoek over het Nederlands: ‘une langue si locale’. Of iets dat hierop lijkt, want mijn Frans is niet zo best. Als Franstaligen dat over het Nederlands kunnen en mogen zeggen, dan mag ik ook zoiets over het Frans zeggen.

En dan is nu ook de Franse keuken op zijn retour. Op de terugweg bedoel ik uiteraard.

Mei 2018. Broekspek.

Ik heb al talloze malen het personeel van mijn slager, dat wel wat van me gewend is, voor verrassingen geplaatst. Deze keer had ik broekspek nodig. Zelfs de tekstverwerker van Apple kent dit woord niet en keurt het af.  Toen ik dus aan een nieuwe medewerkster om broekspek vroeg keek ze me eerst enkele seconden zwijgend aan. Ze wist gewoon niet of ik een grapje maakte of serieus was. Uiteraard bleef ik met een stalen gezicht naar haar terugkijken. Na enige tijd riep ze toch maar naar achteren, waar blijkbaar de slager zelf rondliep, of ze ook broekspek hadden, waarop de slager meteen terugriep: ‘hoeveel?’. Toen was het ijs gebroken. Het moest nu wel een serieuze vraag zijn.

November 2019. Clovis of Chlodovech?

In mijn geschiedenisboek op school stond dat na het vertrek van de Romeinen (rond 476 na Christus) de Frankische koning Clovis uit het huis der Merovingen, over ‘onze streken’ regeerde. Pas na het lezen van meerdere boeken en artikelen over deze periode in onze geschiedenis trek ik heel andere conclusies, waaronder de belangrijkste: er is geen woord van waar.

De eerste vaststelling is al dat een koning met de naam Clovis nooit heeft bestaan. In geen enkele authentieke bron uit die tijd is de naam ‘Clovis’ terug te vinden. De eerste Frankische/Merovingische koning van na 476 heette Chlodovech en ook nooit anders. De naam ‘Clovis’ is een Franse uitvinding. Een naam met twee ch-klanken is immers voor een Franstalige onuitspreekbaar. En daarom verzonnen ze maar een naam die ze wel makkelijk konden uitspreken. Maar Nederlandstaligen hebben geen enkele moeite met het uitspreken van de naam ‘Chlodovech’. Dus waarom we dan een Franse fantasienaam zouden moeten overnemen is me een raadsel.

Ten tweede kun je je afvragen wat met ‘onze streken’ bedoeld zou kunnen zijn. Het meest voor de hand ligt om aan te nemen dat het moet gaan om grondgebied in het huidige Nederland. Maar helaas voor de stellers had volgens mij Chlodovech geen enkel gezag over zelfs maar een klein stukje van het huidige Nederlandse grondgebied. Zo waren de Merovingers wel in Luik, maar niet in Maastricht. Van alle Nederlandse steden die pas in de romeinse tijd zijn ontstaan, vooral aan de zogenaamde Limes, de romeinse grens langs de Oude Rijn, bleven waarschijnlijk alleen Nijmegen en Maastricht bestaan.

Onder andere Voorburg, Katwijk, Leiden, Alphen, Bodegraven en Utrecht bleven niet bewoond en raakten geheel ontvolkt. In Nijmegen bleef wel een bewoning in stand, maar uit geen enkele opgraving en in geen enkele bron uit de Merovingische tijd wordt de plaats na het vertrek van de Romeinen nog genoemd. Er is nog wel eens een Merovingische muntschat gevonden, maar dat is dan ook alles. Het zegt niets over het gezag van de Merovingische koningen dus ook niet over Chlodovech. Maar ook in en over Maastricht, dat wel bewoond bleef, meldt geen enkele bron iets over de eerste Merovingische koningen. De eerste keer dat er iets oververteld wordt is het bezoek van koning Childebert II aan Maastricht in het jaar 597, dus meer dan honderd jaar na Chlodovech.

In de Duitse Wikipedia staat een kaartje met het gezagsbereik van Chlodovech. En dat wordt geheel in Noord-Frankrijk en in België getekend, met een slurfje land vanuit België naar de streek van Rotterdam. Het lijkt me extreem onwaarschijnlijk. Tussen de huidige Belgische grens en Rotterdam is de oudste stad volgens mij Tilburg, waarvan je met enige fantasie kunt zeggen dat hij kort na 700 zou kunnen zijn gesticht. Er was rond 500 in die hele streek geen enkele stad of plaats van enige betekenis. Waarom zou Chlodovech uitgerekend die strook bezet hebben?

In het boek van Bart Van Loo over de Bourgondiërs staat ook een kaartje getekend van ‘Europa rond 500 nChr.’ Ook Bart Van Loo tekent het Frankische Rijk, rond 500 nChr, met gebied in België en Noord-Frankrijk, maar hij heeft een ander slurfje op het huidige Nederlandse grondgebied. Zijn slurfje land is wel 200 kilometer lang en reikt tot ongeveer het zuiden van het huidige Friesland. Ook dat lijkt me heel onwaarschijnlijk. Behalve dan wellicht in Nijmegen (maar daar was Chlodovech/de Merovingers vrijwel zeker nooit) hadden ze in die hele streek niets te zoeken. Er is geen enkele plaats van betekenis.

Kortom: niet alleen bestond Clovis niet, maar als Chlodovech bedoeld was, dan heeft hij volgens mij nooit over een stukje van het huidige Nederland gezag gehad. Pas zijn latere opvolgers, in elk geval vanaf Childebert II, begonnen met stukjes van het huidige Nederlandse grondgebied te bezetten. ‘Onze streken’ moeten dan in elk geval buiten het huidige Nederland gelegen hebben.

15 juli 2018. De das.

Een andere vaststelling die je kunt trekken is het antwoord op de vraag: Wie regeerde er na het vertrek van de Romeinen over (delen van) het huidige Nederlandse grondgebied? Het antwoord is: helemaal niemand.

In bijgaande foto viel me meteen iets op. We hebben het idee dat die Chinezen, zekere Chinese kinderen, met al die uniforme kleren aan, een zekere eenheid uitstralen. Dat viel me bij bijgaande foto ineens vies tegen. Wat mij opviel zal overigens maar een enkeling opvallen, vooral dan de enkeling die ooit, lang geleden, eens op padvinderij heeft gezeten. Het gaat me om de dassen die die kinderen omhebben. Je zag toen het verschil tussen een ‘goede’ groep meteen ten opzichte van een ‘verkeerde’ groep, in de wijze waarop ze hun groepsdas droegen. De correcte wijze is: over de kraag heen. Zoals wel meer uiterlijkheden bij padvinders precies tegenover die van alle andere mensen stonden: bijvoorbeeld elkaar de linkerhand geven (want die zou dichter bij het hart uitkomen) of elkaar niet bedanken voor wat je voor elkaar gedaan heb (het spreekt vanzelf dat je elkaar helpt, daar hoef je dus niet voor bedankt te worden). In ‘verkeerde’ groepen droeg ieder lid op zijn of haar eigen manier de groepsdas. Op of onder de kraag: het maakte niet uit.  Ik heb eigenlijk geen idee of deze ‘ouderwetse’ gewoonten bij padvindersgroepen nog wel bestaat. Of ben ik de laatste der Mohikanen (niet bedoeld is hier de gelijknamige padvindersgroep)?

Deze Chinese kinderen maken er wat mij betreft ook maar een potje van. Ik dacht nog even dat de regel in China zou kunnen zijn dat meisjes de das op de ene manier dragen en jongens op de andere manier, maar dat is toch ook niet het geval. Het is gewoon slordig, wat mij betreft.

De dasring.

Vanmorgen vroeg kreeg ik nog een voorbeeld voor de geest, waarbij padvinders in hun gedrag afweken van wat elders in de maatschappij gebruikelijk was. Dat betreft het oprollen van lange mouwen. Padvinders rollen die naar binnen toe op. Het verhaal dat ik erbij hoorde was, dat als je door het bos rende, je met naar binnen opgerolde mouwen niet aan een tak kon blijven hangen. Door deze herinnering realiseerde ik me ook ineens dat ik eigenlijk nooit geweten heb waarom de groepsdas over de kraag heen moest worden gedragen. En vervolgens met een dasring moest worden vastgemaakt, en zeker niet, zoals bijgaande Chinese kinderen (moeten) doen, met een knoop. Met het inzicht van vandaag zie ik de voordelen van de padvindersmethode wel. Aan een das die onder de kraag doorloopt en ook nog eens met een knoop van voren wordt vastgemaakt kun je jezelf – opnieuw in een bos – makkelijk ophangen. Boven de kraag gedragen en met een dasring vastgemaakt, kun je nergens achter blijven haken. Alles laat meteen los. Deze Chinese kinderen komen blijkbaar niet met hun uniform in een bos. Hun mouwen zijn ook niet opgerold, maar het zijn korte mouwen. Bij precies kijken naar de mouwen viel me wel op dat de meisjes blijkbaar nog een soort hemd aanhebben en de jongens niet.

De dasring kon je zelf maken, maar de techniek beheerste vrijwel niemand. Het heeft mij ook veel moeite en oefenen gekost. Ik betwijfel of ik het nog steeds zou kunnen. De meisjes hadden een andere dasring: kant-en-klaar. Maar die moesten dan weer hun eigen fluitkoord vlechten.

Een riskant modelletje, de meisjesdasring. (N.P.G. betekende Nederlands Padvindsters Gilde). Hiermee kon je overal achter blijven haken. Ze veronderstelden wellicht minder in een bos te komen dan de jongens. Of beter op de paden te blijven.

Woensdag 18 juli 2018. De haringen bij Albert Heijn.

Dat had ik dus niet moeten doen, gisteren. Tussen de middag begon het al met een zoute haring op mijn enige boterham. Die kun je bij de super slechts in verpakkingen van twee of drie kopen en dat werden er dus twee, voor op mijn enige dikke zelf gebakken boterham. De enige haringen die bij de AH te koop waren, waren ook nog eens voorzien van zo’n 35%-sticker, waaruit dus bleek dat diezelfde dag nog hun houdbaarheid zou eindigen. Wie de strenge maatregelen kent die top-haringverkopers, zoals onder andere de firma Koning in Rijswijk, en Simonis in Scheveningen hanteren, zoals ik, had beter moeten weten. Genoemde firma’s (en natuurlijk ook andere) bewaren en transporteren hun haringen een fractie boven nul: alles permanent op ijs. In de verpakking die je meekrijgt worden ook nog  ijsklontjes gestopt, voor je transport naar huis. Bovendien wordt er elke verkochte haring voor je neus en waar je bij staat schoongemaakt. Hoe anders gaat het in een supermarkt. Alle haringen worden al ergens centraal schoongemaakt en met machines verpakt. Bij welke temperatuur dat gaat weten we niet. De voorverpakte haringen worden ongetwijfeld gekoeld getransporteerd naar de winkels, maar uiteraard tussen alle andere spullen die ook gekoeld moeten worden vervoerd. Dat hoeft vast niet allemaal bij 0 graden Celsius en ik veronderstel dat dat ook niet gebeurt. Alles bij bijvoorbeeld 4 graden. Vervolgens worden de kratten met gekoelde waar de winkel ingebracht. Je mag alleen maar hopen dat dat met minimaal tijdsverschil gebeurt. Heeft u wel eens opgemerkt hoe lang zo’n kratje dan soms nog onuitgepakt in de winkel staat? Ik heb zo’n rijdend kratje meer dan eens in de winkel bij bijvoorbeeld de melkwaren zien staan als ik binnenkwam en als ik de winkel weer verliet stond het er een half uur of zo later, nog steeds zo.  Je krijgt bij de supermarkt je haringen uiteraard ook niet mee naar huis verpakt in ijs. Je kunt op deze manier gewoon geen kwalitatief heel goede haringen verkopen. In de inmiddels verdwenen haringtesten van het AD stonden supermarkten dan ook altijd laag, zo niet helemaal onderaan. Onze AH heeft er wel eens ingestaan met een voor een supermarkt extreem hoge 6. Een hoger getal voor een super heb ik nooit gezien, wel veel lager, tot een 1 toe, terwijl er ook genoeg achten en hoger werden uitgedeeld. Ik had dus beter moeten weten.

Meteen al een uur na de lunch kreeg ik maagkrampen. En kort daarna zat ik met diarree op de wc. Dat kan alleen maar van de haringen geweest zijn, want van mijn zelfgebakken brood heb ik nog nooit last gehad. ‘Normaal’ voor mij is dat ik bij het opeten van voor mij verkeerd voedsel ik een uur tot twee uur later op de wc zit en maximaal twee uur later alles weer voorbij is. Deze keer was het anders. Met half één de lunch, zou ik met het ‘wc-werk’ om uiterlijk half drie moeten zijn begonnen en daar dan niet later dan half vijf mee klaar moeten zijn. Maar dat was deze keer niet het geval. Ook om half zes, als ik mijn nootjes mag met een glas wijn, was het rot gevoel in de maagstreek nog steeds niet weg en liep ik nog steeds af en toe naar het toilet voor een volgende portie, die wel steeds kleiner werd. Ik had ook nog eens extra voedsel voor het avondeten ingeslagen, zoals ik gisteren al meldde. Dat ging er best wel in en smaakte me ook goed, maar het was natuurlijk niet alleen meer maar ook anders dan anders. Om half negen was het laatste toiletbezoek. En zelfs toen ik tegen middernacht naar bed ging, had ik weliswaar geen aandrang meer, maar was het vervelende buikgevoel nog altijd niet verdwenen. Ik heb vervolgens prima geslapen, maar ook vanaf vanmorgen tot op dit moment (een uur of elf) is mijn buik nog altijd niet 100%.  Dat weet ik dus voorgoed. Voor mij geen haring meer bij een super en helemaal niet als de verkoopdatum ook de datum van uiterste houdbaarheid is.

Vrijdag 11 oktober 2019. PAS.

Gisteren kondigde ik al aan dat ik vandaag iets wilde vertellen over het Parental AlienationSyndrome (PAS), dat in het Nederlands het Ouderverstotingssyndroom blijkt te heten. Ik las bijna per ongeluk, want ik zocht er helemaal naar, een artikel over het PAS, dat onder de paraplu “Child Affected by Parental Relationship Distress” sinds juni 2016 in het DSM-5 is opgenomen. Het DSM-5 is een soort handboek voor psychiaters, waarin alle mogelijke mentale en persoonlijkheidsstoornissen worden beschreven. Hoewel oorspronkelijk van de vereniging van Amerikaanse psychiaters, wordt het tegenwoordig in een groot deel van de wereld van de psychiatrie gehanteerd. Ook in Nederland. Door psychiaters en verzekeraars, onder andere. Dat is natuurlijk handig en nuttig zodat psychiaters onderling, maar ook met patiënten en verzekeraars bijvoorbeeld, het over hetzelfde hebben, als ze een bepaald begrip gebruiken. Het boek wordt natuurlijk regelmatig aangepast aan nieuwe inzichten en ontdekkingen. Het duurt soms jaren of zelfs tientallen jaren, voordat een nieuw inzicht ook in het PAS wordt opgenomen. Het PAS bestaat al heel lang. Ik ben er zelf een slachtoffer van uit mijn jeugd en daarom vind ik het ook zo interessant, dat het nu blijkbaar erkend is als een echte stoornis. 

Volgens de DSM-5-psychiaters bestaan er slechts twee oorzaken voor het ontstaan van PAS bij een kind. De ene oorzaak is als het kind door één of beide ouders wordt mishandeld, misbruikt of verwaarloosd. Dan is het logisch dat een kind, overigens doorgaans op latere leeftijd, niet als klein kind verwacht ik, niets meer met die ouder(s) te maken wil hebben. De andere oorzaak is, als de ene ouder, na eenscheiding, de andere ouder zwartmaakt en neerzet als een verschrikkelijk persoon, doorgaans met toevoeging van meer bijvoeglijke en/of zelfstandige naamwoorden. Dan ontstaat er ook een verwijdering tussen de zwartgemaakte ouder en het kind en raakt het kind als bijna vanzelfsprekend aan de andere, zwartmakende, ouder juist extra gehecht, vooral als die ouder voor het kind altijd even aardig en lief is. In de praktijk is dan in verreweg de meeste gevallen de zwartgemaakte de vader en de zwartmaker de moeder. Er bestaat wel een vereniging ‘dwaze vaders’ (www.dwazevaders.nl), die de belangen van deze vaders poogt te behartigen, maar de tegenhanger bij de moeders bestaat niet, zover ik weet. 

Het opmerkelijke is ook dat – in die situaties van scheiding – de stoornis bij het kind terecht komt en dus niet bij de vader. Er bestaat bij mijn weten geen psychisch verschijnsel, waarbij de vader of moeder een syndroom krijgt als gevolg van de verwijdering van een kind. 

In de V.S. – waar anders – hebben advocaten de mogelijkheid van deze erkenning nu aangegrepen voor het verkrijgen van genoegdoening. Er is vooral dit jaar, 2019, een ware lawine aan rechtszaken ontstaan, nu eenmaal ontdekt is dat het om een erkende ‘ziekte’ gaat. Dat kan volgens mij juridisch op drie manieren. De eerste is dat vaders nu voor rechtbanken de volledige voogdij over de kinderen opeisen, en aan de moeders wordt ontzegd, als is aangetoond dat de ene ouder de andere zwartmaakt. Die moeders denken met hun gedrag dat ze de andere ouder daarmee treffen, maar in werkelijkheid treffen ze er niet hem maar hun kinderen mee. In de eerste 300 zaken van dit jaar gaan Amerikaanse rechters daar in 82% van de gevallen met deze redenatie in mee en krijgt de vader de volledige voogdij en wordt de voogdij aan de moeder ontnomen. Het is natuurlijk fout als een ouder willens en wetens de kinderen beschadigt. En dat doen deze moeders. 

De tweede mogelijkheid, die ik zelf bedacht, is de mogelijkheid om een schadevergoeding of smartengeld te krijgen van de andere ouder. Daar heb ik nog niets over gelezen. Maar ik weet niet hoe het zit met minderjarigen die iets eisen van een volwassene. Of dat dat pas later kan. 

En de derde mogelijkheid die ik kon verzinnen, is natuurlijk dat het strafrecht nog een rol kan krijgen. Ook daar heb ik nog niets van gelezen, maar het lijkt me toch strafbaar als iemand een kind willens en wetens beschadigt. 

Dus eindelijk worden de rollen nu omgedraaid. In Nederland is bij mijn weten nog geen zaak geweest met deze overwegingen. Want het DSM-5 is ook in Nederland de standaard. Er komt nu vast ook een vereniging ‘dwaze moeders’ of zoiets. Maar het zou ook wel erg snel zijn als de tsunami aan rechtszaken in de V.S. dit jaar pas op gang is gekomen. Het is bij veel zaken zo gegaan. Eerst nemen de V.S. het voortouw en later volgen dan de andere westerse landen, zoals Nederland. Op het gebied van muziek, mode, gewoonten en het recht. Het is een kwestie van tijd dus. 

Overigens, voor alle duidelijkheid: ik ga ervan uit dat in de overgrote meerderheid van de echtscheidingen ouders elkaar niet zwart zullen maken. Dat hoop en verwacht ik toch. Maar als het wel gebeurt, dan gaat het in mijn ervaring meestal zoals ik hierboven beschreven heb,

Morgen iets over mijn eigen geschiedenis met PAS.

 Zaterdag 12 oktober 2019.

Dan nu mijn persoonlijke kant en ervaring met PAS, zoals gisteren beschreven in het algemeen. Mijn vader ging in september 1948 het huis uit, zo blijkt uit de GBA/BRP. Mijn broers waren toen 9 en 7 jaar en ik nog geen twee. Ik heb daar dus geen enkele herinnering aan en ook niet aan mijn vader. Toen ik weer thuis kwam, zie desgewenst mijn jongste geschiedenis op deze site, was ik 11 en mijn beide broers waren toen dus 16 en 18. Onze moeder, die ook typisch zo’n moeder was die onze vader voortdurend zwartmaakte, had haar werk met mijn beide broers dus al gedaan toen ik mij bij hen voegde. Ik kan mij niet herinneren dat mijn moeder zo vaak in woorden bij mijn vader stilstond. Als het onderwerp ‘vader’ al heel af en toe voorbijkwam, dan was haar blik voldoende om te weten wat zij erover dacht. Ik heb dus dezer dagen aan mijn broers gevraagd wat moeder in de tijd van mijn afwezigheid, van mijn 4e tot mijn 12e jaar, over onze vader heeft verteld. Voor mij was wel helemaal duidelijk dat mijn vader een vreselijke man was, zonder dat er veel woorden aan werden vuil gemaakt. 

Pas een aantal jaren later, het zal februari 1962 zijn geweest, toen ik dus 15 jaar was, ben ik met mijn broers naar de 92e verjaardag van mijn opa in Delft gegaan. Daar zag ik voor het eerst mijn vader. Ik heb geen woord met hem gesproken en zover ik mij herinner, hebben ook mijn broers dat niet gedaan. Ik kan me ook niet herinneren dat ik toen een gesprek met iemand anders heb gevoerd, zoals met zijn dochter en dus mijn tante Ida. We zaten daar volgens mij maar stilletjes en hooguit een uurtje. Vader was uiteraard voor ons, de drie broers, persona non grata. Daar sprak je sowieso niet mee. Ik kan me wel enkele verhalen van opa herinneren over zijn werk, als molenmaker. Enkele jaren later gingen we nog een keer naar opa’s verjaardag. We hadden dat blijkbaar aangekondigd, want toen we met zijn drieën aankwamen zat er wel hetzelfde gezelschap van de vorige keer, maar bleek opa intussen overleden te zijn. Dat moet dus op 8 februari 1966 geweest, zijn 96e verjaardag, toen ik intussen 19 was geworden. Toen we vaststelden dat opa overleden was, zijn we boos weer vertrokken. We voelden ons genomen. Dat was de tweede en ook laatste keer, dat ik mijn vader heb gezien en opnieuw niet heb gesproken. 

Pas vele jaren later ontdekte ik in deze eeuw, dat ik nog een zus bleek te hebben, uit het tweede huwelijk van mijn vader. Die hebben we inderdaad gevonden, in Neede, en die kon ons, toen we met zijn drieën bij haar op bezoek gingen, vertellen wie onze vader nu in haar beleving was geweest. En toen kwam er een heel ander verhaal en een heel andere persoon tevoorschijn dan onze moeder ons steeds had wijsgemaakt. Mijn vader was – volgens mijn zus – een heel lieve en zachtmoedige man, die ook heel erg goed was voor zijn dochter. Dochter Tineke kon het heel goed met haar vader vinden, veel beter dan met haar moeder. Vader en dochter refereerden samen aan zijn vrouw en haar moeder als ‘die draak’. Vader was een doetje en had niets in te brengen. Mijn vader heeft gewoon twee keer de voor hem verkeerde vrouw getroffen, zo kwamen we samen tot de conclusie. Nog later bleek Tineke nog een dochter te hebben die óns vond. Ook met haar hebben we kennisgemaakt. En ook zij kon uit eigen ervaring vertellen wie onze vader was geweest. En hoewel moeder en dochter onderling gebrouilleerd bleken, was het verhaal over onze vader, haar opa, vrijwel identiek aan dat van haar moeder. Haar opa was een lieve man en een goedzak. 

Pas de laatste paar jaar ben ik me gaan afvragen, waarom ik toch nooit contact met mijn vader heb gezocht. Ook mijn broers hebben dat nooit overwogen. Ik had natuurlijk met hem eindeloze gesprekken kunnen hebben en hem zo uit eigen ervaring heel goed hebben leren kennen. Wat zou daar op tegen geweest zijn? Het is gewoon nooit in me opgekomen. Wij hebben gewoon de helft van onze ‘roots’ gemist. En dat allemaal als gevolg van PAS. Blijkbaar is het zo dat als de band tussen vader en kind eenmaal gebroken is, als gevolg van PAS, dat vader noch kind het initiatief tot een herstel van het contact zullen nemen. Maar op latere leeftijd kan het kind er wel last van krijgen. De vader blijkbaar nooit. Onze vader heeft dus ook nooit zijn kleinkinderen gekend. 

Zo blijkt dus het leerstuk te zijn dat het inderdaad bij PAS zo is, dat niet de vader het meest wordt getroffen, maar juist het kind. Het is alleen wat merkwaardig dat PAS, volgens het DSM-5, alleen bij kinderen. Ik heb zelf nu de ervaring dat PAS op latere leeftijd terug kan komen. Dat is ook niet zo vreemd. Als mensen ouder worden gaat het lange geheugen steeds beter werken, ten koste van het korte geheugen. optreedt

5 augustus 2018. Links activisme door de jaren heen:

7 augustus 2018: Zoek de lantaarnpaal.

In een nieuwsbericht stond dat een dame met haar auto tegen een lantaarnpaal was gebotst op de  Oterlekerweg  in Stompetoren.

Er werd een printje uit Google Street View bijgevoegd. De vraag is nu: zoek de lantaarnpaal. Je vindt hem wel, maar het zal toch een hele tour zijn om hem met je auto te raken.

En als u hem vindt: hoe krijg je het voor elkaar daar op deze weg tegenaan te botsen?

10 augustus 2018. Waterstanden.

Gisteren ging ik dan inderdaad vrij onverwacht al vroeg met de trein naar Nijmegen. In Nijmegen bus 80 genomen naar Millingen aan de Rijn, hoewel deze plaats niet aan de Rijn ligt, maar aan het Bijlandsch kanaal. Aan de bushalte Millingen Grensstation, op enkele passen van de grens met Duitsland, uitgestapt. Ik heb daar overigens geen grensstation gezien, wat dat ook mag zijn. De reis met deze bus 80 was op zich al een uitje. Ik zat vrijwel de hele busreis alleen in deze bus en kreeg zo een privé-rondleiding. De rit voert door de gemeente Berg en Dal en deze gemeente doet inderdaad zijn naam eer aan. Hij lijkt in veel opzichten op Wassenaar of Bloemendaal, met vele grote vrijstaande huizen, tussen veel groen, maar het verschil is wel dat veel van deze huizen een ver en vrij uitzicht hebben over een glooiend landschap. Schitterend. In Wassenaar en Bloemendaal kijk je toch vooral uit op je eigen tuin of op de heg van de buren. Vanaf de grens Duitsland inlopend kom je al na een paar honderd meter bij het dorpje Bimmen.

Op de achtergrond zie je de Rijndijk al liggen. Bimmen is een dorpje van niks. Hooguit een paar honderd huizen, waar absoluut niets te beleven is. Geen winkel of winkeltje, geen kroeg of café, geen enkele attractie. De enige attractie die mijn iPhone meldde was een brievenbus van de Deutsche Bundespost. Die wordt waarschijnlijk elke dag een keer geleegd, en dat kun je dan desgewenst bijwonen. Dat is alles. Zelfs een bankje om op te zitten heb ik niet gezien. Mijn iPhone meldde overigens nog wel een ‘kroeg’ met de naam Bei Gemma, maar daar aangekomen bleek het pand niet alleen gesloten maar zelfs in afbraak te zijn, zonder vermelding of en zo ja wat er dan voor in de plaats zou komen. Volgens mij kan geen enkele ondernemer hier een droge boterham verdienen.  Enfin, in het dorp de toegang naar de Rijndijk opgezocht en gevonden en die vervolgens opgegaan.

Ik had dit plekje uitgezocht omdat de Rijn bij Lobith (aan de overkant) vandaag op ongeveer 6,97 meter stond: de laagste stand in tientallen jaren. De laagste stand ooit was 6,89 maar het zou vanaf vandaag gaan regenen. Toen ik Duitsland weer uitliep zag ik toen ik mij omkeerde het onderstaande bordje staan.

Pas bij maken van dit artikel veel me op wat voor vlaggen er op de achtergrond hangen. De Duitse vlag is de Duitse staatsvlag, niet de zogenaamde civiele vlag, die het moet stellen zonder wapen in het midden en die wordt gebruikt door burgers en bijvoorbeeld bij sportwedstrijden. Merkwaardig. Daar achter hangt de Nederlandse vlag maar wel ondersteboven. Waarom bezoekers in dit plaatsje (toch) zo welkom zijn en wat er dan voor ze te zien of te doen is, is mij een raadsel. De brievenbus die dagelijks geleegd wordt is volgens mij het enige vertier en de enige bezienswaardigheid in Bimmen. Meteen over de grens in Nederland staat dan een bankje waarop je desgewenst kunt zitten. Let ook even op de bijzondere steentjes van deze Duitse weg: het zijn precies dezelfde steentjes die ook liggen direct na de grensovergang met Duitsland bij Nieuweschans in Groningen.

Een paar honderd meter verder in Nederland staat dan De Gelderse Poort: een behoorlijk groot restaurant, vlakbij de pont naar de overkant van de Rijn, naar Lobith. Die pont was trouwens uit de vaart, vanwege de lage waterstand. Bij dit restaurant een uitsmijter ‘De Gelderse Poort’ besteld en genuttigd. Verrukkelijk, maar ontzettend groot. Aldaar ook onderstaande foto’s gemaakt van de Rijn (of het Bijlandsch Kanaal) bij zeer laag water.

Staande op de aanlegplaats van het pontje. Let op de scheefgezakte boot.

Op dezelfde aanlegplaats staand, maar dan naar rechts, richting Duitsland, kijkend.  Ik nam deze foto’s vanaf een vast punt, zodat ik later, als de Rijn juist heel hoog staat, deze foto’s ter vergelijking kan maken.

Tot hier was het nog altijd droog en had ik nog geen drupje regen gezien. Van hieruit naar de bushalte bij het Millingse gemeentehuis gelopen en daar de bus naar station Nijmegen genomen. Aldaar op de Arrivatrein naar Mook Molenhoek gestapt. Het geluk zat me weer eens mee want de trein zou niet verder gaan dan Cuijk, wegens panne, maar zover hoefde ik ook niet. Vanaf station Mook Molenhoek naar de Maas gelopen, omdat ik ook daar het laagwater wilde zien en vastleggen.

Eerst de foto naar links genomen van de Maasdijk:

Let op het bordje: De Limburgers heten u welkom.  Daar zal dus de grens tussen Gelderland en Limburg liggen.

Vervolgens vanaf dezelfde plek een foto naar rechts, van de splitsing van de Maas en het Maas-Waalkanaal.

Vanaf hier naar Van der Valkrestaurant Molenhoek gelopen en daar gebruik gemaakt van het toilet. Terug naar de bushalte van lijn 83 voor de terugweg naar station Nijmegen. De vijf minuten dat ik daar moest wachten begon het net lichtjes te regenen en ook te onweren. Eenmaal in de bus zittend begon het te stortregenen en heftig te bliksemen en te donderen. De buschauffeur reed compleet ongestoord verder, alsof er niets aan de hand was, al kon hij volgens mij niet veel door zijn voorruit zien omdat zijn ruitenwissers het watergeweld niet aankonden. Hij kende blijkbaar de weg op zijn duimpje. Aangekomen op het busstation Nijmegen stortregende het nog steeds en in de twintig meter lopen naar de stationshal werd ik nog mooi even kleddernat. Daar de trein terug naar het noorden genomen.  Om half zes kwam ik weer terug aan op het station en liep nog even naar de supermarkt. Het regende lichtjes, maar met bij elkaar een minuut of twintig lopen, werd ik toch nog flink nat. Nog voor zes uur was ik terug in huis.

Dinsdag 14 augustus 2018: Oerdegelijk Duits constructiewerk.

Een bezoek aan het plaatselijke Atlantikwall Museum:

Oerdegelijk Duits constructiewerk, zoals men ziet. Staat er mogelijk straks net zo lang als nu de Egyptische piramiden. Alleen het fietsje, het naambord en de meeuwen zijn niet authentiek, terwijl ik van de zendmast niet helemaal zeker ben. Waarvoor zou die tegenwoordig dienen, als hij actueel is? Camera’s?

11 september 2018. Het pannetje.

Vanmorgen was het dan weer eens zover. Ik herinnerde me de volgende droom van vannacht. Het gebeurde – zoals altijd – op een voor mij totaal onbekende plaats of stad. Er kwam geen enkele bekende in voor, hetgeen soms wel eens gebeurt, maar deze keer dus niet. Ik liep af op een Italiaans afhaalrestaurant. Het was er binnen en buiten erg druk, en buiten hing aan de gevel een grote menukaart, die je ook van een afstandje nog goed kon lezen.  Het was allemaal in het Nederlands, dus ik veronderstel dat het ergens in Nederland of België was. Bovenaan op de menukaart stond de dikgedrukte zin, dat je bij bestellen een pannetje bij je moest hebben,  zodat het bestelde daar in kon worden meegenomen. Toevallig (?) had ik een pannetje bij me, in elk geval groot genoeg voor één portie, dus ik was blijkbaar van plan alleen en thuis of ergens alleen binnen te gaan eten. Ik vroeg me wel meteen af hoe dat dan zou moeten gaan als je een pizza wilde bestellen (grote pan mee, of krijg je die dan toch in een doos?), maar aangezien ik geen pizza wilde bestond dat probleem dus niet voor mij. Ik ging met mijn pannetje naar  binnen en kon plaatsnemen aan een grote tafel, met mijn pannetje voor me op de tafel, waar bij elkaar wel enkele tientallen mensen rondom omheen aan zaten, maar geen van alle anderen had een pannetje bij zich. Achter de zitters stonden nog ten minste evenveel staande klanten, die ook geen van allen – zo te zien – een pannetje bij zich hadden.  Een bijzonder zenuwachtige en sterk zwetende medewerker (het was een warme zomerdag) nam de bestellingen op. Hij gebruikte daarbij een voor mij totaal onnavolgbare volgorde van de bestellingen. Hij sloeg mij over. Ik had geen idee waarom, maar ik werd er in het geheel niet ongerust van. Tenslotte kon ik zitten en dan kan er van mij altijd veel. Hij heeft hier vast ervaring mee en dus ook een soort plan of aanpak, al begreep ik niet wat dat plan of die aanpak dan zou kunnen zijn. Na verloop van enige tijd werden de bestellingen aan de bestellers afgeleverd, in eigen verpakkingen van het restaurant, bij niemand werd hun (niet) meegenomen pannetje gebruikt. Er verschenen dus lege plekken aan de tafel en ook rondom de staanders om ons heen. Meteen kwam er een volgende ronde voor het opnemen van bestellingen en opnieuw werd ik overgeslagen. Ik vond het nog altijd heel gewoon. Ik moest gewoon wat meer geduld hebben. Bij de derde of vierde bestelronde, inmiddels was de ruimte behoorlijk leeg geworden, zag de medewerker voor het eerst mij zitten en vroeg me wat ik kwam doen. Ik legde uit dat ik graag iets wilde bestellen en dat ik daarom ook een pannetje bij me had, precies zoals het ook op de buitenmuur was voorgeschreven. Hij keek me aan alsof ik van een andere wereld kwam.  Einde droom.

Dinsdag 25 september 2018. Het schoonhouden van mijn huis.

Door het vele gedoe kom ik tegenwoordig te weinig toe aan het schoonhouden van mijn huisje. Dat doet me denken aan vroeger, toen ik nog elke dag naar het werk ging. Dan maakte ik elke dag van maandag tot en met vrijdag heel lange dagen en was ik elke avond weer blij dat ik weer tussen de klamme lappen kon kruipen. Om het andere weekend had ik dan mijn kinderen met wie ik dan natuurlijk ook bezig was: boodschappen doen, de maaltijden verzorgen en met de kinderen allerlei clubs, vrienden en vriendinnen aflopen. Elke zondagavond als ik ze weer bij hun moeder had afgeleverd, zeeg ik dan toch behoorlijk afgedraaid op de bank neer en kwam er urenlang ook niet meer vanaf.  In de tussenliggende ‘vrije’ weekends zou ik dan tijd hebben moeten vrijmaken om het huis dan flink op te poetsen, maar daar kwam het dan ook vaak niet echt van. Ik was namelijk ook nog actief voor allerlei clubs, vooral de politiek (lid van Provinciale Staten en plaatselijk afdelingsvoorzitter), was een echte tijdvreter.  En ik moest op de zondag de komende week voorbereiden. Mijn huis moet in die tijd voor mijn kinderen wel een rommeltje geweest zijn, heel anders dan ze bij hun moeder gewend waren, waar het ongetwijfeld altijd spic en span was. Maar die werkte of niet, of niet meer dan halve dagen, dus die had ook veel meer tijd dan ik om haar huis op orde te houden. Wat ik de afgelopen dagen dus meemaak is een kleine en korte variant op de tijden van toen. Ik hoop en verwacht de achterstand komend weekend helemaal te hebben ingelopen.

Vrijdag 2 november 2018. Goede doelen.

Gisteren een persoon aan de deur met een schitterende en forse brochure over het vele dierenleed dat er in Nederland heerst. Ze begon met een heel verhaal, maar ik ken de uitkomst al: ik zal er geen stuiver aan geven. Dus ik onderbrak haar, want anders had ik er nog geruime tijd gestaan met dezelfde uitkomst, met de melding dat ik haar veel succes wenste, maar dat ik niets wilde bijdragen. Ze leek hoogst verontwaardigd. Ik kan het aan deze mensen nooit uitleggen dat er in Nederland ongeveer 17 miljoen goede doelen zijn en dat een mens, als hij wat wil schenken, dan een keus zal moeten maken. En die keus heb ik al gemaakt. Het is ook niet doenlijk om ieder van die goede doelen zelfs maar één cent te geven, want dat zou me nog altijd 170.000 euro gaan kosten en zoveel geld heb ik bij lange na niet. En wat heeft een goed doel aan één losse cent van mij? Bovendien is een volgend probleem dat ik nooit weet hoeveel van mijn schenking er aan de strijkstok van de overheadkosten blijft hangen. En hoeveel er dus werkelijk voor het eigenlijke doel beschikbaar komt. Ze verklaren bij zo’n vraag dan natuurlijk om strijd dat bij hún doel alles of vrijwel alles naar het doel gaat. Maar dat is voor de simpele gever nooit te controleren. Voor andere goede doelen is het algemeen bekend dat veel geld gaat naar de overhead, in het bijzonder naar de directie. Nu op steeds meer plekken de mogelijkheden worden beperkt om grote salarissen uit te delen, moeten de graaiers toch ergens naartoe? Dan zijn de goede doelen een mooi en eerzaam alternatief. Hier kun je nog geruisloos met tonnen naar huis, en kun je ook nog in een fraaiere auto rijden, omdat er altijd mensen genoeg zijn die geld voor goede doelen geven. Als het geld naar het buitenland gaat dan weet je al helemaal niet wat er met je geld wordt gedaan. Het geld gaat dan veel te vaak naar allerlei ongure machthebbers die zichzelf verrijken of er wapens van kopen, of het gaat naar mensenhandelaren die ervoor zorgen dat talloze gelukszoekers naar onze landen komen, met behulp van deze ‘menslievende’ organisaties. Zo importeren we onze eigen problemen. Zeker draag ik wel mijn steentje bij aan een betere samenleving. In de eerste plaats natuurlijk door het betalen van belasting, waarmee de regering met steun van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging, dezelfde goede doelen al steunt. En daarnaast doe ik liever goed aan mijn medemensen op een plek waar ik het kan overzien: dichtbij huis. Zoals bij de woningcorporatie. Dan kan ik zien wat er van mijn inspanningen terecht komt. Er is voor iedereen van goede wil meer dan genoeg te doen om een steentje bij te dragen aan het levensgeluk van anderen.

Donderdag 8 november 2018. De geweldige service van XS4all.

Gisteren dan eindelijk de proef op de som. Volgens diverse onderzoekingen, o.a. van de Consumentenbond, is XS4All de meest klantvriendelijke internetprovider, met de beste service. Sinds nog niet zo lang doen ze ook aan het hosten van websites. Maar eens proberen wat ze me te bieden hebben, want daar ben ik naar op zoek voor mijn vier websites, waarvan drie zakelijk en eentje, deze dus, privé. Mijn vraag past op geen enkel formuliertje, dus eerst maar even telefonisch contact zoeken.

Hun website leverde meteen al een probleem op. Ze hebben twee telefoonnummers voor klanten: eentje voor zakelijke klanten en eentje voor particuliere klanten. Welk nummer moet ik nou hebben? Ik ben namelijk allebei. Dat is meteen het eerste verschil met mijn totnutoe meest favoriete dienstverlener: Apple. Bij Apple is er maar één klantennummer en je krijg binnen enkele seconden meteen contact met een persoon met wie je ‘alles’ kunt bespreken en oplossen. Bij XS4All begin ik dus maar met het bovenste nummer: voor particulieren klanten. Bij XS4All krijg je dan meteen een keuzemenu. Die menu’s haat ik zo, omdat ik altijd verschillende vragen tegelijk beantwoord wil hebben (of geen van alle) en ik nooit weet wat ik dan moet kiezen. Ik kies dan altijd het verkeerde nummertje en wordt daarna dan eindeloos doorverbonden. Na gisteren meerdere van die hatelijke keuzemenu’s te hebben afgewerkt, volgt een bandje met de tekst: “Al onze medewerkers zijn in gesprek, een ogenblik geduld alstublieft.” Dat is dus precies hetzelfde als bij al die ander wanpresterende zakelijke dienstverleners, als het om service gaat. Het kan natuurlijk nog helemaal goed komen, als je dan toch binnen korte tijd wordt doorverbonden met iemand die je ook meteen goed helpt. Maar nee. Dat was niet het geval.  Na precies 26 keer de mededeling gehoord te hebben “Al onze medewerkers zijn in gesprek, een ogenblik geduld alstublieft”, kreeg ik na 13 minuten een medewerker aan de telefoon. Deze begon meteen zijn excuses aan te bieden voor de lange wachttijd. Ik heb natuurlijk 100 keer liever meteen contact met een deskundige medewerker, dan 13 minuten wachten met excuses. Maar goed, hij was dan tenminste nog persoonlijk wel attent. Na uitgelegd te hebben wat ik precies wilde zei hij eerst dat ik een en ander net zo goed met zijn nummer als met het zakelijke nummer kon bespreken, maar hij kwam uiteindelijk wel met het definitieve bericht dat hij het antwoord op mijn vragen toch schuldig moest blijven. Hij moest me daarvoor toch doorverbinden met een collega. Het is niet anders, ik wist het van tevoren.

En hij voegde de daad bij het woord. Vervolgens kwam ik bij een volgende automaat terecht die deze keer 32 keer achter elkaar de zin uitsprak: “Al onze medewerkers zijn in gesprek, een ogenblik geduld alstublieft.” Het duurde dus deze keer 16 minuten voordat een levend persoon opnam. Deze persoon, van wie ik aannam dat hij dan ook, net als zijn voorganger, moet hebben gezien hoe lang ik al wachtte, gaf geen excuses. Ook aan hem moest ik dan het hele verhaal nog een keer vertellen. Ik moet helaas bekennen dat hij meteen met vaktermen begon te smijten, waardoor ik niet meer goed begreep wat hij bedoelde. Bij herhaling probeerde ik hem vragen te stellen in gewoon Nederlands, maar hij was niet echt bij machte naar mijn niveau af te dalen: hij bleef maar vaktermen terugroepen. Voor zover ik hem dus begrepen heb, moest ik de conclusie trekken dat wat ik wilde – de instellingen van de WP-software bij alle websites hetzelfde – bij XS4All niet kon. Ik moest maar bij Google gaan kijken of er een firma was die dat kon leveren. Ze wilden wel hosten, dus mijn websites in beheer nemen, maar ik mocht er geen vragen bij stellen. Ik had er zeker vrede mee gehad als ze mijn vraag dan hadden uitbesteed, of me naar een firma hadden verwezen die dat wel kon. Het ging me er ook niet om dat het gratis moest. Ik wilde daar best voor betalen. Maar het kon allemaal niet. Ze willen wel hosten, maar je mocht geen vragen stellen en ik moest de oplossing maar gaan Googelen.

Drie kwartier na de start begreep ik er echt geen jota van hoe het komt dat XS4All zo hoog scoort op dienstverlening. Niet eens omdat ze geen oplossing hadden, maar de combinatie van alles. Niet weten welk nummer je moet bellen. Die vreselijke keuzemenu’s  die je alleen maar verder het moeras in helpen. Het lange wachten om doorverbonden te worden. Tot twee keer toe zelfs. Het vele liegen. Iedereen met enige verantwoordelijkheid bij XS4All moet toch weten dat de wachttijden geen ‘ogenblik’ zijn. Dat is gewoon niet waar. En toch gaan ze schaamteloos door met over de wachttijden te liegen. En dat dan in mijn geval bij elkaar wel 58 keer. Mensen, of dan tenminste één, die er overduidelijk niet op geselecteerd zijn om te kunnen afdalen naar het niveau van de klant. En die zelf zonder enige uitleg met vaktermen beginnen die in het gesprek nog niet waren gebruikt. Dat is vragen om communicatiestoornissen.

Onbegrijpelijk dat deze firma zo hoog eindigt en dat al jarenlang. Hoe slecht moeten de anderen dan niet presteren? Of zou het geld kosten om zo hoog te eindigen?

Zaterdag 10 november 2018. De telefonische service van KPN.

Gisteren kreeg ik het ineens op mijn heupen, dankzij een bekende die iets op mijn vaste voice-mail had ingesproken waarop ik niet reageerde. Ik reageer daar inderdaad nooit op. De meeste van mijn relaties weten dat wel, dus het gebeurt maar weinig, dat er iets wordt ingesproken. Het zou – volgens haar – heel simpel zijn om via KPN, mijn vaste provider, het doorschakelen naar de voicemail te blokkeren. Om een heel andere reden voelde ik daar wel voor. Elke keer dat de vaste telefoon gaat, schakelt hij na drie of vier keren overgaan automatisch door naar de voicemail. Dat heeft dus tot gevolg dat ik elke keer een benenbrekerige sprint moet trekken om de telefoon op tijd op te kunnen nemen. Het leek me dus wel wat als de telefoon gewoon zou overgaan totdat ik hem al dan niet opneem, zonder voicemail. Tegelijk wist ik ook wel dat zo’n simpel lijkende handeling bij mij in de praktijk op schier onoverkomelijke ellende zou gaan stuiten. Dit gaat een hoop gedoe, tijd en ergernis kosten, wist ik al. Eerst maar eens de website van KPN bezocht. En, nee maar, er staat een wel heel simpele handleiding in, hoe je het uitschakelen van je voicemail kunt bereiken. Dan moet je een bepaald nummer bellen en dan de aanwijzingen volgen. Het viel me wel meteen op dat dat hetzelfde nummer was waarmee je ook de voicemail kunt inschakelen. Ik werd al een beetje argwanend. Als dat maar goed gaat. Ik belde het opgegeven nummer en van een automatische mevrouw moest ik eerst een code maken. OK. Dat moet dan maar. Na succesvol de code te hebben ingevoerd vroeg dezelfde automatische dame om een keuze te maken uit drie mogelijkheden om een welkomstboodschap in te spreken. Maar dat wou ik uiteraard niet. Ik wil juist van die voicemail af. Dan is het toch een beetje onzin om eerst een welkomstboodschap te moeten inspreken, die je meteen daarna weer moet verwijderen. Wat ik ook probeerde, ook toen ik het helemaal opnieuw deed, ik bleef stranden op de noodzaak een boodschap in te moeten spreken. Ik wist wel dat het niet zo simpel was wat ik wilde: ergens vanaf komen.

Vervolgens maar het algemene servicenummer van KPN gebeld. Dan moet je je natuurlijk door enkele keuzemenu’s worstelen, waar niet de mogelijkheid tussenstond wat ik wilde: ik wil van mijn voicemail af. De meneer die ik kreeg kon me ook niet uitleggen wat ik dan verkeerd had gedaan, maar daarom niet getreurd, want hij kon het zelf – uiteraard na verificatie van mijn klantgegevens – wel voor mij uitschakelen. Prima dus. Ik moest even aan de lijn blijven, want dat was zo gepiept. Maar na geruime tijd wachten kwam deze medewerker van KPN weer bij me terug aan de telefoon en vertelde me dat het hem niet was gelukt om mijn voicemail uit te schakelen. Zoals gebruikelijk: dat lukte bij iedereen anders altijd wel, en ik ben het enige uitzonderlijke geval op de wereld waarbij het niet lukte. Wie gelooft dat nog? Maar nu nog steeds niet getreurd, want er was ook nog een derde methode om mijn voicemail uit te schakelen. Daartoe moest ik achter mijn computer plaatsnemen. Zo gezegd zo gedaan. Hij moest dan mijn computer overnemen en ik deed precies wat hij me voorschreef. Maar op het moment suprême ging de overname en dus het uitschakelen toch nog verkeerd. Na diverse herhaalde pogingen lukte dus ook de derde methode niet. Gelukkig was er ook nog een vierde manier. Hiertoe moest ik een account openen voor MijnKPN en dan kon ik het makkelijk zelf. Hij stuurde me een e-mail met alle aanwijzingen. Die heb ik vervolgens braaf opgevolgd, en – het wonder geschiedde – inderdaad kon ik nu de voicemail uitschakelen. Je moet dan natuurlijk eerst wel toestemming geven en aan de voorwaarden voldoen, die zoals bij allemaal, totaal onleesbaar zijn. Bij dit soort toestemmingen wil ik dan altijd nog wel uitschakelen om allerlei ‘aanbiedingen’ en andere reclame te ontvangen, maar de knop hiervoor kon ik niet vinden. Dat wordt dan de prijs die ik voor het uitschakelen van de voicemail moet betalen, vrees ik: een lawine aan reclamefolders per e-mail en per post en zelfs telefonische aanbiedingen, waar ik geen enkele belangstelling voor heb. De volgende operatie wordt dan om deze papierstroom uit te schakelen. Daar zullen vast ook wel weer meerdere manieren voor zijn, maar dat zien we dan wel weer. Het is het zoveelste bewijs: wat een supersimpele handeling lijkt te zijn is bij mij altijd een urenlange martelgang langs allerlei bureaucratieën met vele totaal zinloze handelingen.

Na een uurtje heb ik nog even gecheckt of hij nou echt onbeperkt overging, zonder naar wie of wat dan ook door te schakelen en dat was ook zo. Operatie geslaagd. Nu komt de volgende operatie.

12 november 2018. Franse gemeenten.

Frankrijk blijkt niet minder dan 35.502 gemeentes te hebben, met ook evenveel burgemeesters. Meer dan twintigduizend Franse gemeentes hebben dan minder dan 500 inwoners. Frankrijk heeft 40% van alle Europese burgemeesters. Het criterium was blijkbaar – zo las ik – bij de Franse revolutie van 1789 dat bij elke kerk ook een burgemeester hoort. Merkwaardig dat juist voor Frankrijk, fanatiek aanhanger van de scheiding van kerk en staat, dit criterium geldt. Misschien wel om te voorkomen dat ergens in het land er invloed is van de geestelijkheid, zonder tegenhanger van de overheid. Tegenwoordig zou ik een ander criterium kiezen. Bijvoorbeeld in elke plaats met een zwembad of een treinstation ook een burgemeester. Daar kun je natuurlijk van mening over verschillen, maar daar moet een poldermodel op te bedenken zijn.

1 december 2018. De rij bij de kassa.

Ik blijf me maar aangetrokken voelen tot mensen vóór me in de rij, die over de een of andere kwestie bij de kassa moeilijk gaan doen. Ik heb daar een heel fijne neus voor, zoals ik al vaker heb verteld. Dus ik had het weer getroffen met de klant in mijn rij die voor me stond. Voor moeilijk doen bij een kassa zijn er ook heel veel varianten. De variaties zijn werkelijk onuitputtelijk. Ik kan er een boek mee vullen. De variant van gisteren was dan weer een nieuwe: dit had ik nog niet eerder meegemaakt.

Bij het inpakken van haar boodschappen van de lopende band, terwijl ze dus al had afgerekend en ik al geholpen werd door de caissière,  kwam ze tot de conclusie dat haar boodschappentas niet alle aangeschafte boodschappen kon bevatten. Dus mijn behandeling werd door haar op doortastende wijze onderbroken met de vraag aan de caissière of ze niet een gedeelte van de boodschappen op de lopende band kon laten liggen, want dan ging ze eerst naar huis met wat ze wel kon meenemen en dan zou ze later wel terugkomen voor de rest. Op deze variant was de jongedame achter de kassa niet ingewerkt. Er moest dus overleg plaatsvinden met een beter bezoldigde medewerkster. Die kwam na enige discussie tot de conclusie dat dat niet mocht. Wat wel kon was een lege doos pakken, daar het restant boodschappen indoen, en die in bewaring geven bij de servicebalie. Het idee om voor 50 eurocent bij die kassa een tweede boodschappentas te kopen had ik meteen al bedacht, maar dit werd niet besproken en ik heb het ook niet gemeld. Ik heb namelijk ook geleerd dat ik me met kassaproblemen van degene die voor me staat niet moet bemoeien, want daar gaat het niet beter of sneller van. Enfin, toen de commotie voorbij was en de klant met gevulde doos naar de servicebalie was vertrokken, kon mijn behandeling weer worden voortgezet.  Dat had ook tot gevolg dat de medewerkster alle door haar al eerder gestelde vragen (wilt u zegeltjes in de diverse soorten, heeft u een bonuskaart, wilt u de bon mee, etcetera) nogmaals moest stellen, want ze was intussen met mij ook compleet de weg kwijtgeraakt. Ik had daar begrip voor.

Ik heb geleerd dat ik me over dit soort zaken niet moet opwinden. Het hoort bij mij: een probleem van degene die voor me in de rij voor de kassa  staat, waarop ik dan een tijd moet wachten, voordat het is opgelost. En het lukt me ook steeds beter om alles geheel gelaten over me heen te laten komen en na afloop rustig weg te lopen.

December 2019. De jacht op de kerststol en het kerstkransje.

De jacht op de Kerststol is nog niet voorbij. Ik had verwacht dat Jumbo ze wel zou hebben, maar die hebben ook alleen maar feeststollen. Bij Jumbo alhier zit er op Sinterklaasdag ook altijd de echte Zwarte Piet achter de kassa, dus die zijn wat minder politiek correct dan bij Albert Heijn. Maar nee. Ook Jumbo heeft geen Kerststol. Ik heb wel van de gelegenheid gebruik gemaakt of ze ook nog kerstkransjes hebben. Want die vind ik ook wel lekker. Zeker in deze tijd. Ze hebben in talloze varianten wel zogenaamde ‘kransjes’. Van chocola, deeg en in allerlei kleuren en maten, maar geen kerstkransjes. Ik vond in het totale assortiment zegge en schrijve één echte kerstkrans. Die was van chocola en in megaformaat. Zeker 20 centimeter doorsnee. Hij was wel mooi versierd, opgemaakt en verpakt. En er stond echt ‘Kerstkrans’ op de verpakking. Bij Jumbo weet je nooit of dat een bewuste provocatie is, of dat deze enkeling aan de censor is ontsnapt. Intussen meldde een goede vriend me wel dat de Kerststol in Duitsland Weihnachtsstoll heet, maar toen ik dit woord ging googelen, kreeg ik uitsluitend Christstollen van allerlei merken te zien. Nu nog zien te achterhalen wat Kerstkransje in het Duits is. Wellicht Christkränzchen ? Een tongbreker, dus daar zullen de Duitsers wel iets op gevonden hebben. Of ze bestaan er niet, omdat ze er geen woord voor hebben. Bij een bezoek aan Leer in Duitsland later in de maand, kort voor de Kerst, had ik de grootste moeite om nog een Christstolle te vinden. Een Feststolle of zoiets heb ik er helemaal niet gezien. Ik vond er maar eentje, na een bezoek aan zeker tien banketbakkers en supermarkten. Die heb ik dus meteen maar gekocht. Ook een speurtocht naar kerstkransjes, of wellicht ook hier gewone kransjes leverde in Duitsland helemaal niets op. Die kennen ze in Duitsland blijkbaar niet.

Het is toch wat dat steeds meer begrippen worden afgeschaft, omdat we anders sommige medemensen voor het hoofd kunnen stoten, die er overigens geen enkel probleem van maken om mij voor het hoofd te stoten. De Kerstboom en het hele Kerstfeest zijn of worden binnenkort afgeschaft. Dat moet een lichtjes boom respectievelijk het lichtjes- of het winterfeest worden. Let maar op. Met Pasen komen er problemen met dierenliefhebbers. De Paashaas moet ook worden afgeschaft. Zo’n haas met een mandje met eieren op zijn rug is toch dierenmishandeling?

Op maandag 23 december kreeg ik een envelopje bezorgd, zonder afzender, met daarin een houten hartje te zitten, bedekt met een stukje bont.

Op het poststempel is alleen een W vrij duidelijk zichtbaar. Er zijn tegenwoordig zes sorteercentra bij PostNL: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Nieuwegein, Den Bosch en Zwolle. Het zou dan nog om Nieuwegein en Zwolle kunnen gaan, maar de naam is vrij klein dus ik ga ervan uit dat het om Zwolle gaat. Dus het komt ergens uit noord- of oost-nederland. Het handschrift komt me wel vaag bekend voor, maar vergelijkingen die ik nog kon maken met handschrift van bekenden, leverden geen match op. Ra, ra, van wie is dit presentje?

Het is me eerder overkomen. Het moet zijn 1963 of daaromtrent geweest zijn. Ik zat op school op het Grotiuslyceum en ik woonde in de Wieringsestraat in Scheveningen. Ik kreeg thuis een klein felicitatiekaartje voor mijn verjaardag, maar ook zonder afzender. Toen mijn Tante Tonia dit vernam nam ze me mee naar een helderziende op het Zieken in Den Haag. Het is de enige keer in mijn leven geweest dat ik naar een helderziende ben geweest. In een zaaltje stonden stoelen voor plm 25 mensen. Aan de kant stond een tafel, waarop iedere bezoeker een voorwerp legde: een foto, een sieraad, een sleutel of een brief. En nu dus ook mijn kaartje. De artiest kwam als laatste het zaaltje binnen en hij kon onmogelijk weten welk voorwerp op de tafel van wie in het zaaltje was. Eén voor één pakte hij een voorwerp van de tafel en begon erover te vertellen. Een persoon in het zaaltje reageerde wel. Toen hij bij mijn kaartje aankwam vertelde hij als eerste dat het kaartje in veel handen was geweest, en dat maakte het lastiger om het kaartje te duiden. Niettemin vertelde hij dat hij een school zag, met aan de ene kant van de gangen de leslokalen en aan de andere kant glas dat uitzicht bood op sportvelden. Het klopte precies met het Grotiuslyceum. In die gangen stonden dikke palen. Achter zo’n paal zag hij twee meisjes staan giechelen. Aha. Het kaartje kwam dus van twee meisjes. Vervolgens kreeg hij een ander beeld. Hij keek nu vanuit een woonhuis naar buiten en hij zag duinen, met een pad de duinen in richting zee. Langs het pad naar zee stonden vele fietsen geparkeerd. Frappant. Hij beschreef perfect waar ik woonde in de Wieringsestraat, en wat ik zag als ik naar buiten keek. Ik kom er nog wel eens als ik de Duinenmars loop begin april, en de situatie is nog precies zo. Dat was het Hij vroeg me wel een voorwerp niet meer in zoveel handen te geven, want dat vertroebelde het beeld erg.

Ik ben er nooit achter gekomen van wie dit kaartje was gekomen. En nu gebeurt het me dus weer. En weer ben ik er niet achter gekomen. Deze keer heb ik niet overwogen naar een helderziende te gaan.

Mijn kerkbezoek, bijdrage van februari 2020.

In mijn jonge jaren heb ik vrij veel aan kerkbezoek gedaan, terwijl ik op school bij ‘godsdienst’ altijd goed heb opgelet. Dat vele kerkbezoek was overigens niet vanwege mijn overtuiging. De eerste kerkbezoeken, vanaf eind vijftiger jaren al, kort nadat ik uit het ziekenhuis was ontslagen, waren het gevolg dat onze padvindersgroep een zogenaamde X-groep (Chi-groep) was: een protestants-christelijke groep onder een gelovige leider. Uit een soort solidariteit, ik hoorde er toch bij?, ging ik dan vaak mee naar allerlei vieringen of zelfs naar de aparte padvinderskerkdienst in de Nieuwe Kerk aan het Spui. Toen ik vanaf plm 1970 verantwoordelijkheden kreeg voor personeel, ging ik bij huwelijken, als we een uitnodiging hadden gekregen, ook altijd naar de kerkdienst, als die er was, en niet naar het stadhuis. Dat gaan naar de kerk had ik zelf besloten, dat was geen voorschrift of richtlijn van mijn werkgever. Mijn collega’s en opvolger deden dat niet meer. Ik ging in dat geval naar de kerk uit respect voor het bruidspaar. De kerkdienst was voor hen blijkbaar de echte huwelijkssluiting, en het stadhuis toch meer een formaliteit. 

Ook naar uitvaarten van medewerkers ging ik als het even kan naar de kerk. Maar wat er allemaal precies gezegd werd en waarom ontging mij toch grotendeels, al pik je overal wel wat van op. 

4 maart 2020. Boekenschrijvers.

Inmiddels heb ik het boek Een Amerikaanse prinses van Annejet van der Zijl uit. Ik zag er een beetje tegenop, omdat ik hiervan – vermoedde ik – weinig tot niets kon leren. Het verhaal van een steenrijke Amerikaanse vrouw, hoewel ze zelf van tamelijk bescheiden afkomst, die talloze bekende wereldburgers heeft leren kennen, waaronder de Nederlandse koninklijke familie. Zo was ze een soort eregast bij meerdere familiegebeurtenissen van de Oranje’s en was ze ook peetmoeder van een van de kinderen van Juliana. Ze leefde van plm 1875 tot 1955. Het is me in de loop van het lezen toch steeds meer gaan boeien. Echt veel heb ik niet opgestoken overigens. Wat me opnieuw opviel dat, hoewel ik bezig was met de zestiende druk, en de schrijfster een heel arsenaal (tientallen) van vooraanstaande mensen als hulp heeft gehad, er toch enkele storende fouten in het boek staan. Bij een eerder bericht aan haar over een ander boek van haar kreeg ik een vriendelijke reactie dat al mijn opmerkingen op het eerste gezicht terecht waren en dat ze het eerst nog aan haar ‘redactieraad’ zou voorleggen en vervolgens in een volgende druk de verbeteringen zou aanbrengen.

Ook in het boek De Bourgondiërs van Bart van Loo, trof ik enkele storende fouten aan en ook hij heeft een arsenaal van goede en deskundige mensen om zich heen. Ook in zijn boek was ik toevallig met de zestiende druk bezig en was hij al geruime tijd tevoren de grens van 100.000 exemplaren gepasseerd. Ook aan hem heb ik een brief gezonden met mijn kanttekeningen en ook van hem kreeg ik bevestiging dat hij de verbeteringen in de achttiende druk zou opnemen. Hoe kan dat nou toch? Honderdduizenden mensen lezen een boek, dat tevoren door vele deskundige handen is gegaan, en ik ben dan blijkbaar de eerste en zelfs de enige die er evidente fouten uithaalt. Het is of een talent van me of een kwaal. Het zijn ook fouten van verschillende soort. Soms loop een zin niet, zodat ik niet precies snap wat bedoeld wordt, soms neemt de schrijver iets aan, zonder het te controleren, soms klopt een historisch feit niet of – en dat komt het meest voor – een telling klopt niet. Dat laatste snap ik wel. De schrijvers zijn uiteraard bijzonder taalvaardig, en dat gaat vaak gepaard met een minder sterke vaardigheid in rekenwerk.

Van alle drie een voorbeeld. In het eerste boek over Prins Bernhard, staat dat Juliana in WOII in Canada verhuisde, tegen de geboorte van Margriet. Ze ging wat groter wonen in verband met de komende gezinsuitbreiding, was de veronderstelling van de schrijfster. Als je het nagaat ging ze van een huis met 70 kamers naar een huis met ‘slechts’ 50 kamers. Dus Juliana ging juist kleiner wonen. Waarom dat was weet ik niet, maar die verhuizing had waarschijnlijk niets met de komende gezinsuitbreiding te maken.

Bart van Loo schreef dat sultan Mehmed op 29 mei 1454 Constantinopel (thans Istanboel) veroverde. Helaas is dat niet waar. Het was uiteraard op 29 mei 1453.

In De Amerikaanse prinses vertelt de schijfster dat Allene, de hoofdpersoon in het boek, voor de tweede keer trouwde. Haar aanstaande schoonvader had er bij het stel op aangedrongen om snel te trouwen, omdat hij niet lang meer te leven had. Dus trouwde het stel zo snel mogelijk en wel op 27 december 1904. En inderdaad, zo staat er een volle pagina verder, overleed haar schoonvader binnen een half jaar na het huwelijk op 23 juli 1905. Als die twee data in dit stukje zo dicht bij elkaar staan ziet ‘iedereen’ wel dat de tweede zin niet klopt. In het boek zit er nog anderhalve pagina tekst tussen. En dan valt het blijkbaar niemand meer op. Geen lezer en ook niemand van haar groep vooraanstaande ondersteuners bij het totstandkomen van het boek.

Het zijn natuurlijk geen wereldschokkende zaken. Ik erger me ook niet. Ik ben eerder verbaasd. Dat met zoveel deskundige hulp en honderdduizenden lezers niet alle fouten eruit gehaald zijn. En dat ik blijkbaar de eerste en ook enige ben die het ziet.

7 maart 2020. De jaarvergadering van de Historische Vereniging Moordrecht.

Zo was ik ineens enkele dagen van huis. Ik had nog wel een vaag plan om onderweg in de trein nog enkele kleine bijdragen voor deze rubriek te maken, maar het kwam er niet van.

Als eerste ging ik naar de jaarvergadering van de Historische Vereniging Moordrecht te Moordrecht, woensdagavond. Ik besloot als eerste het diner te nemen bij de plaatselijke Chinees: China Palace. Ik vind het altijd de beste en makkelijkste oplossing om bij de plaatselijke Chinees te eten. Je hoeft er nooit te reserveren, want Chinees (of Indisch) eten is toch enigszins uit de mode, het is er dus altijd rustig, en het eten is doorgaans goed, lekker en voordelig. Dit restaurant is gelegen pal aan de Hollandse IJssel. Het was donker en ik zat zo dat ik uit het raam keek, als ik opkeek. Het was verrassend dat ik zoveel lichtjes voorbij zag gaan, van links naar rechts en van rechts naar links. En ook van voren naar achteren, want het restaurant is vlakbij de aanlegplaats is van de pont naar Gouderak aan de overkant. Wat is er een druk scheepvaartverkeer!

Vervolgens naar de vergaderzaal getogen. Het was er druk. De vereniging heeft iets meer dan 500 leden, waarvan er plm. 150 aanwezig waren. Eerst uiteraard de gebruikelijke huishoudelijke zaken. Na de pauze een voordracht met plaatjes van Moordrecht in de Tweede Wereldoorlog. In elke zaal moet ik een strategisch plekje kiezen, zodat niemand over mijn gestrekte been kan struikelen. Als ik ergens midden in de zaal ga zitten, moeten er permanent mensen voor me langs, ook als er een andere weg mogelijk is. De beste plek is dus helemaal achterin de zaal, op een stoel waar ik het been kan strekken, zonder iemand in de weg te zitten. Niemand hoeft verder naar achteren te lopen, want dat gaat helemaal niet. Ik zat pal voor een dichte deur, wellicht een soort nooduitgang. Al tijdens de pauze zag ik een mogelijk probleem opdoemen. Ik had geen idee hoe lang de presentatie zou gaan duren, maar ik moest beslist uiterlijk om kwart voor tien weg, om de laatste bus te kunnen halen die me naar mijn broer in Maassluis zou brengen. Als de toespraak dan nog bezig zou zijn, moest ik de hele zaal doorlopen en zou ik iedereen vreselijk storen. Een dame in mijn buurt schoof haar stoel naar mij toe, want ze wilde blijkbaar even kennismaken met mij, een persoon die zeker geen Moordrechtse autochtoon was. We maakten kennis, met ook waarom ik er was, en ik vertelde en passant van mijn ‘probleem’ van het dwars door de presentatie gaan lopen. Volgens haar was dat geen enkel probleem. Bij het begin van de presentatie schoof ze weer terug naar haar plekje bij het gezelschap waar ze bij hoorde. De presentatie was interessant. Spreker kon boeiend vertellen en wist ook onvoorstelbaar veel van vrijwel alle personen die op de foto’s voorkwamen. Alsof het om mensen ging die hij de afgelopen week nog was tegengekomen. De meesten, misschien wel allemaal op de geprojecteerde kinderen na, zullen echter niet meer in leven zijn. De toespraak was aangekomen bij het bevrijdingsfeest dat eind augustus 1945 in Moordrecht gehouden werd. Op een oor na gevild dus. Maar ik moest toch echt weg. Die bus zou niet op mij wachten. Ik had geen keus meer. Ik stond dus op om weg te lopen. Op vrijwel hetzelfde moment stond er niet ver van mij vandaan een andere mij onbekende meneer ook op. De presentatie was dus nog net niet beëindigd. De staande meneer, die ik absoluut niet kende, liep op mij af en ging mij voor de deur in, waar ik tegenaan zat. We kwamen in een stikdonkere gang, maar hij wist blijkbaar precies de weg. Na wat bochten gemaakt te hebben en door diverse deuren gegaan te zijn, kwamen we bij een laatste deur en de heer zei: als het goed is, is deze deur afgesloten, maar ik weet waar de sleutel is. Hij viste de sleutel op, maakte de deur open en ik stond buiten. Achteraf bezien heeft de dame met wie ik in de pauze sprak geregeld dat ik, zonder de bijeenkomst te storen, via een soort sluipgang buiten kon komen. Ik ben de dame en de heer veel dank verschuldigd. Ik haalde mooi op tijd de laatste bus en kwam even na middernacht bij broer Jan in Maassluis aan.

Maandag 23 maart 2020.

De grappigste uitspraak is wel van een Amerikaanse officier die op IJsland was gestationeerd. Hij zei: “Ik begrijp heel goed waarom wij Amerikanen op IJsland zijn. Ik begrijp ook heel goed waarom de Britten op IJsland zijn. Maar wat ik met de beste wil van de wereld niet begrijp is, waarom er IJslanders op IJsland zijn.”

Dinsdag 24 maart 2020.

De Intelligente Lockdown. Op maandag 23 maart kondigde premier Rutte aan dat Nederland in een ‘Intelligente Lockdown’ zou gaan. Ik kan alleen niet vinden wanneer deze lockdown dan precies in ging. Mogelijk al op dinsdag 24 maart, maar zeker ben ik daar niet over. Op woensdag 25 maart functioneerde hij zeker al.

Hieronder mijn eerste kennismaking met de start van de Intelligente Lockdown.

Dat was inderdaad een avonturenrijke dag, gisteren, de 25e maart 2020. Op slag van negen uur de deur uitgegaan voor mijn eerste wandeling naar de Jumbo in het centrum. Wat onmiddellijk opviel was dat de straten, ook het winkelgedeelte, compleet uitgestorven waren. Voetgangers heb ik tot aan de ingang van de Jumbo helemaal niet gezien, misschien twee fietsers en minder dan tien auto’s in een wandeling van een kwartiertje grotendeels door een winkelstraat. Er waren wel winkels open, andere gesloten, maar klanten heb ik er niet gezien. Bij de Jumbo aangekomen was het eerste dat opviel dat bij de ingang een wastafel was gemonteerd, met zeep en droogdoekjesautomaat: iedereen moest verplicht handen wassen, voordat hij of zij naar binnen mocht. Het was binnen rustig. Meer dan een stuk of tien klanten waren niet tegelijk binnen. Nog altijd waren er geen navullingen Dettol te koop, en deze keer waren ook de speklapjes uitverkocht. Alle andere spullen waren gewoon te koop. Mijn tas was bijna ondraagbaar, zo vol als hij was. Heel langzaam sjokkend ben ik terug naar huis gegaan.

Zodra alles was weggezet ben ik de deur weer uitgelopen, deze keer op weg naar de bushalte. Ik moest een bankenveloppe bij mijn zoon in Groningen-Zuid afgeven. In de bus zaten drie andere personen, afgezien van de chauffeur. Na enkele haltes moest ik er uit en moest ik dan de rest naar mijn zoons huis lopen. Ik koos een route met zo breed mogelijke wegen, zodat ik eventuele tegenliggers ruim kon passeren. Maar ook bij deze wandeling, van een klein half uurtje, heb ik geen enkele wandelaar gezien. Zelfs het uitlaten van de hond was blijkbaar afgeschaft. Fietsers niet meer dan een handjevol, auto’s ook heel weinig. Je kon makkelijk op deze ontsluitingswegen zwalkend op de rijweg gaan lopen, zonder kans op een ongeval. Een ware spookstad. Bij het huis van mijn zoon aangekomen heb ik de enveloppe in zijn brievenbus gedaan. Zijn huis ligt vlakbij het station Groningen Europapark en ik kwam mooi op tijd om de trein naar Haren, één halte, vier minuten reistijd, te nemen. In de trein waren ook niet meer dan vier mensen, exclusief de conducteur en de machinist.

Aangekomen op station Haren besloot ik toch ook nog maar even naar de andere Jumbo te lopen om nog zaken die ik nog vergeten was mee te nemen, plus een bezoek aan onze supergroenteboer aldaar. Ook bij deze Jumbo was het verplicht de handen te wassen, voor het naar binnen gaan. En was het zo rustig als bij de eerste. Met toch weer een halfvolle tas weer naar huis gelopen. En opnieuw ben ik vrijwel niemand lopend tegengekomen. Tegen half één was ik weer thuis. Heb de spullen weggezet, heb mezelf helemaal uitgekleed en alle kleren in de wasmachine gedaan. Ikzelf onder de douche. Het was toch wel vermoeiend geweest. Dat vele thuiszitten zorgt er wel voor dat mijn conditie fors achteruit is gegaan. Onder de douche stond ik bijna te wankelen. Na schone kleren te hebben aangedaan, languit op de bank gaan liggen. Met enig eten voor de lunch.

April 2020. De toiletborstel.

Als gevolg van de coronacrisis die nu loopt, ben ik me ook vele bewuster geworden van de noodzaak van een strakke hygiëne. Het helpt natuurlijk enorm dat ik sinds een klein jaar alweer wekelijks een hulp heb mede hiervoor, maar er blijven doordeweeks nog genoeg zorgpuntjes over. Zoals de vraag: hoe maak je een toiletborstel schoon en hoe vaak dan? Ik kon het nergens vinden, dus ik besloot maar dat ik hem veel vaker ga vervangen. Hetzelfde geldt voor de afwasborstel, terwijl ik schoonmaakdoekjes en de diverse sponsen sponsjes altijd al meenam in de gewone was.

April 2020.

Vrouwen meer empathie dan mannen? Ik denk het niet.

Ofwel: de kwaliteit van mijn vooroordelen.

Hoewel Groningers toch wel een gehoorzaam volkje zijn, liep ik tegen een eigenaardigheid aan, die diverse van mijn (voor)oordelen weer helemaal bevestigden. In coronatijd stonden in een gang in de super bij de diepvriesafdeling drie winkelende dames die elkaar hadden gevonden. Ze voerden met elkaar een geanimeerd gesprek en ze moesten ook regelmatig lachen. Probleem was natuurlijk met drie karretjes en drie personen vlakbij elkaar dat niemand er meer langs kon, en er een ware file achter deze dames ontstond. Na enige minuten stonden er ook achter mij wachtende mensen met hun karretje, zodat ik letterlijk niet meer voor- of achteruit kon. Het bleef heel gezellig bij de drie dames vooraan, want het duurde toch wel een tijdje totdat alle nieuwtjes van de dag voldoende waren uitgewisseld. Ik kon het geduld niet langer opbrengen. Ik liet dus – net als anderen in de rij – mijn karretje staan en ging zonder karretje alvast de dingen die ik wilde hebben bij elkaar sprokkelen. Dan zou ik wel als laatste de afdeling diepvries bezoeken, waar ik ook iets uit nodig had, als de dames helemaal klaar waren met hun gesprek. Helemaal aan de andere kant van de winkel werd ik aangesproken door een medewerker van de winkel. Waarom ik niet met een karretje winkelde, want dat was verplicht. Ik maakte verontschuldigingen en vertelde de reden. Hij ging meteen naar de afdeling diepvries, maar of de dames daar toen nog stonden heb ik niet meegemaakt. Toen ik weer bij mijn karretje was, was de file inmiddels opgelost. De dames waren klaar met hun gesprek of ze waren weggestuurd.

Een van mijn (voor)oordelen is dat vrouwen over even weinig empathie beschikken als mannen. Bij verreweg de meeste mannen en vrouwen is het verschijnsel volgens mij zelfs totaal afwezig. Die ervaring haal ik uiteraard uit dat stijve been van mij, waarvan ik bijna nooit heb meegemaakt dat een omstander, vrouw of man, daar ooit rekening mee hield. Bij een etentje, een geplande wandeling, of allerlei andere activiteiten. Terwijl de organisatoren mij en mijn handicap heel goed kenden. Een mens is blijkbaar niet bij machte – een zeer zeldzame uitzondering daargelaten – om zich te verplaatsen in een ander. Die drie vrouwen hadden het een flinke tijd heel gezellig met elkaar in die winkel en ze vroegen zich geen van drieën ook maar een seconde af waarom zich achter hen een enorme file ontwikkelde. Ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken, is het feitelijke motto van heel veel mensen.

Ik zie het bijvoorbeeld ook aan het voetpad bij mij voor de deur, waar langs veel oude mensen wonen. Op een voetpad is het verboden te fietsen, maar ik zie het iedereen doen. Ook brommers en motoren rijden er af en toe. Zelfs vaders en moeders met kinderen doen het heel regelmatig. Die ouders leren hun kinderen dus dat in het leven alleen jijzelf belangrijk bent. Motto is: als jij je zin maar krijgt. Wat anderen daar voor last van hebben is voor jou geen probleem. Ook al moeten er gewonden of doden bij vallen, jij gaat altijd vóór. Intussen moeten de oudjes met hun rollators voortdurend oppassen en uitwijken. Dat er nog geen ongelukken gebeurd zijn is meer geluk dan wijsheid.

De Friezen, 17 april 2020.

Het boek “De Friezen” van Luit van der Tuuk, heb ik inmiddels uit. Het gaat daarbij niet alleen over de (voormalige) bewoners van het huidige Friesland. Toen de Romeinen plm 50 voor Christus onder Julius Caesar in onze streken aankwamen, stopten ze bij de Oude Rijn. Die liep toen overigens van ‘Arnhem’ via Utrecht, Woerden, Leiden en Katwijk naar de Noordzee. De stammen die aan de andere kant van de Rijn woonden noemde Caesar al ‘Friezen’, al waren er ook Cananefaten (Zuidwest-Nederland) en Bataven (Oost-Nederland). Later probeerden de Romeinen ook het gebied ten noorden van de Rijn te veroveren, met de bedoeling tot aan de Elbe te komen. Dat plan gaven ze al vrij snel ook weer op. Vanaf ongeveer 270 verlieten de Romeinen onze streken en trokken zich terug. Ook de Merovingen (481 – 751) bemoeiden zich niet met het gebied benoorden de Oude Rijn, en pas de Karolingen (751 – 987) gingen weer de Oude Rijn over en kregen het toen aan de stok met de Friezen, die daar nog altijd sinds 50 vChr bivakkeerden. De Friezen bewoonden dus toen vooral een brede kuststrook van het tegenwoordige Zuid- en Noord- Holland, Utrecht, Friesland en Groningen, Noord-Duitsland tot in Denemarken toe. Het duurde tot in de twaalfde eeuw voordat ze allemaal waren bedwongen. Het probleem van de Friezen uit die hele lange tijd van meer dan duizend jaar was dat ze geen schrift hadden. Er is geen enkel geschreven bericht van hen bekend. We moeten dus hun hele geschiedenis reconstrueren met wat anderen over hen te vertellen hadden en van archeologische opgravingen. Een interessant boek.

Bonifatius.

Bisschop Bonifatius, dezelfde als degene die in 754 bij Dokkum werd vermoord, toen hij tevergeefs probeerde de Friezen te kerstenen, schreef in 746 een brief waarin hij zich beklaagde over een priester die doopte in de naam van patria, filia et sanctus spiritus. Nu ben ik geen latinist, maar ik zag wel meteen dat dit niet klopte. Er staat nu dus dat hij doopte in de naam van het vaderland, de dochter en de Heilige Geest. Dat moest natuurlijk zijn: in de naam van pater, filius et spiritus sanctus. Hoe nuttig is het toch enig Latijn te kennen.

De automatische spellingcorrector.

In het boek ‘ De Katharen’ komen allerlei Christelijke stromingen voor die de spellingcorrector niet kent. Mijn systeem probeert daar dus telkens een begrip van te maken dat hij wel kent.

Een keur aan soorten ketters passeert de revue: dan worden o.a. besproken: de manicheeërs, de albinenzen, de bogomielen, en de speronisten. De spellingcorrector wil hier steeds Albanezen, homofielen en peronisten van maken. Alleen ‘manicheeërs’ keurt hij goed.

25 april 2020.

In de winkel heb ik er nu eens er echt op gelet. Houden de mensen nu echt de onderlinge afstand van 1,50 meter aan? Maar even belangrijk: houden ook mensen rekening met elkaar?

En ik moet zeggen, zeker 90% poogt de onderlinge afstand op tenminste 1,50 meter te houden. Een enkeling let niet op of kan het niet schelen. Zo viel me op dat een meneer mij meteen na de ingang voorbijliep, terwijl hij niet in de rij voor het handen wassen had gestaan. Wat doe je dan? De man aanspreken lijkt me compleet zinloos. Hij hoort in elk geval tot de categorie mensen die zich van god nog gebod iets wenst aan te trekken. Hem aanspreken voert slechts tot een onderlinge ruzie, om van erger maar te zwijgen. Het personeel informeren? Er moet maar net iemand van het personeel langslopen en dan liefst natuurlijk een persoon die het nodige gezag uitstraalt. De jongste bediende lijkt me hier minder geschikt voor.

Dik meer dan de kleine tien procent die sowieso de voorgeschreven afstand niet in acht neemt, is de categorie die winkelt zoals hij of zij dat anders ook zou doen en gedaan heeft. Bijvoorbeeld langzaam langs het schap loopt, om halverwege tot de ontdekking te komen dat hij of zij in het schap iets vergeten is en daardoor het schap nogmaals in tegengestelde richting afgaat. Als het gangpad smal is, en ik kwam iets later aan, dan blijf ik netjes wachten totdat mijn voorganger klaar is. En als deze dan weer teruggaat moet ik ook weer terug net als degene die achter mij al wachtte. De heen-en-weerloper heeft intussen totaal niet in de gaten, dat hij of zij anderen hindert, door steeds heen en weer in die gang te lopen. Het zijn, in mijn waarneming, inderdaad (vrijwel) alleen de vrouwen die zo winkelen.

Een Japanse minister heeft voorgesteld om alleen de mannen de boodschappen te laten doen. Vrouwen lopen in een winkel, volgens hem dan, anders dan mannen. Een man gaat meteen naar het schap waar in staat wat hij nodig heeft, terwijl een vrouw veel vaker echt aan het ‘winkelen’ is: heen en weer loopt, en allerlei producten bekijkt die ze helemaal niet wilde hebben, en dan ook laat staan. Dit gedrag verhoogt natuurlijk het besmettingsgevaar. Het leverde deze minister een storm van kritiek op van de plaatselijke vrouwenbewegingen. Discriminatie!! Hij slikte vervolgens zijn mening over alle vrouwen in, maar stelde nog wel vast dat dit gedrag van vrouwen bij het shoppen in elk geval wel voor zijn familie gold.

Het is, nu ik eens goed heb opgelet, zeker niet zo dat alle vrouwen dit ‘winkelgedrag’ vertonen. De meeste vrouwen gaan ook alleen maar naar de artikelen die ze willen hebben, pakken het en lopen weer verder. Een man heb ik nog nooit dit ‘winkelgedrag’ zien vertonen: heen en weer lopen in de gangen en van alles bekijken dat uiteindelijk bijna nooit in het karretje verdwijnt. En sommige vrouwen doen dit inderdaad wel zo. Wat ook de conclusie weer geeft: deze vrouwen hebben blijkbaar totaal niet door dat ze met dit gedrag anderen hinderen en ook het besmettingsgevaar verhogen. Empathie is bij deze vrouwen niet zichtbaar aanwezig.

28 april 2020.

Hoe ik zoek op het internet en elders.

Mijn kinderen zie ik niet regelmatig, zeker niet in deze periode. Maar gisteren was toch de dag dat ik ze weer ontdekte op onverwachte plekken. Het internet is toch een mooie uitvinding. Maar het komt ook, omdat ik er een zeer onconventionele manier van zoeken op nahoud. Ik kan ook bijna niet uitleggen, hoe ik dat dan doe. Het is voor een groot deel intuïtie, maar er zit ook een logische gedachtegang achter. Het is zinloos om op het internet ‘Jan Jansen’ te gaan zoeken, ook niet met een plaatsnaam erbij, tenzij het een heel klein plaatsje is. En zelfs in het laatste geval krijg je dan weliswaar de door jou gezochte Jan Jansen, maar alleen voor wat hij in dat kleine plaatsje heeft gedaan. Al zijn activiteiten buiten dat kleine plaatsje blijven dan verborgen. Maar als de door jou gezochte Jan Jansen een verzamelaar is van Chinees porselein en bovendien vertaler Spaans is, dan zoek ik dus naar “Chinees porselein” en “vertaler Spaans”, zonder de naam van de persoon te vermelden. De combinatie van die twee eigenschappen, zo schat ik in, is zo schaars dat de door mij gezochte Jan Jansen op die manier vanzelf tevoorschijn komt. En niet alleen met de naam van dat kleine plaatsje erbij en zonder dat er een andere Jan Jansen bij staat. Het hier gegeven voorbeeld is natuurlijk voor 100% fictief. Maar het verklaart wel enigszins, hoop ik toch, waarom ik op het internet zo vaak en vooral ook vaak snel, zaken vindt, waar anderen steeds tevergeefs naar gezocht hebben.

Zaterdag 2 mei 2020. Winkelen in coronatijd.

Dat was alwéér een dagje uit. Deze keer had ik het idee dat het op straat wel iets rustiger was geworden, maar bij de Jumbo was het zelfs mogelijk iets drukker dan vorige week. Het viel me zelfs tot twee keer toe op, bij zowel het naar binnen als bij het naar buiten gaan, dat van echtparen die naar binnen wilden, er slechts één naar binnen mocht en de wederhelft buiten moest blijven wachten. Deze mensen wilden er blijkbaar samen iets gezelligs van maken. Het was in de winkel ook echt te merken dat het wat drukker was dan de vorige week om dezelfde tijd. Dat merkte je vooral – helaas moet ik het weer zeggen – aan veel vrouwen die er een echt winkeluitje van maken. ‘Kijken, kijken, niet kopen, niet kopen’, was de uitdrukking die ik in de bazaar van Istanboel van diverse handelaren aldaar in het Nederlands toegeroepen kreeg. Ik heb het over de zestiger jaren. Blijkbaar stonden Nederlanders daar toen al bekend om. In de winkel gisteren waren het wederom vrouwen die heen en weer langs de schappen liepen, zonder er iets uit te pakken. En de anderen klanten wachtten dan geduldig tot die vrouwen klaar zijn met heen en weer lopen en moeten dan ook steeds zelf mee naar voren en naar achteren. Een dame zag ik er ook even echt haar gemak van nemen, door bij de afdeling augurken één voor één de potjes van de plank af te halen en eens op haar gemakje de hele tekst door te lezen. Ze trok er echt even de tijd voor uit. Voor de keuze van augurken moet je niet over één nacht ijs gaan, uiteraard en moet je echt even de tijd nemen. Dat is bekend.

Anderen die ook augurken of zilveruitjes wilden moesten dan geruime tijd op haar wachten. Daarna, toen de doorlopende klanten bij het broodbeleg aankwamen, moesten ze opnieuw geruime tijd wachten op een volgende vrouw, die op haar dooie akkertje alle potjes van dat schap stuk voor stuk aan het bestuderen was. Ook belangrijk.

Een andere dame met een rollator, ik schat haar boven de tachtig, maar ik ben ook heel slecht in het schatten van leeftijden, liep door de winkel met ogen op steeltjes. Ze wist duidelijk niet wat ze meemaakte. Ogenschijnlijk had ze de afgelopen weken geen radio of tv aangehad en geen krant gelezen. Op de kruispunten van de diverse gangen bleef ze vervolgens staan, om eens op haar gemak het hele tafereeltje – met het beste uitzicht – gade te slaan, waardoor ze meerdere gangen tegelijk blokkeerde. Het was telkens een hele wandeling omlopen om elke keer haar op een kruispunt te vermijden. Anders had ik er misschien nog gestaan. Voor mijn lichaamsbeweging waren deze extra wandelingen natuurlijk wel goed.

Bij mijn vertrek zag ik dat er inderdaad bij de ingang een bord stond, om vooral je boodschappen te pakken en door te lopen en van je bezoek geen winkeluitje te maken. Blijkbaar was het het winkelpersoneel ook opgevallen, wat mij al eerder opgevallen was. Maar ik betwijfel of het bord ook werkelijk iets heeft geholpen. Je moet waarschijnlijk een soort supermarktpolitie hebben, die elke klant die niet doorloopt of wil teruglopen naar waar ze al geweest was, tot de orde te roepen.

Maandag 11 mei 2020: Ik droomde van Kim-jong-un.

Vanmorgen was weer eens een van die zeldzame ochtenden dat ik wakker werd en me meteen mijn droom kon herinneren. Dat is hooguit eenmaal per jaar.

Het was weer zoals vanouds een bijzonder rommelige droom, waarbij ik vaak niet weet waarom iets gebeurde en opnieuw kwam er geen enkele mij persoonlijk bekende persoon in voor. Dat zijn bij mij de normale gegevens.

Het begon met de vraag van een mij totaal onbekende, of ik niet voor vier personen rabarber kon maken. De onbekende had wel iets met onze regering te maken, maar de precieze connectie kende ik niet. Natuurlijk kan ik voor vier personen rabarber maken. Dan moest ik dat maar doen en het resultaat in een schaal bij een of ander congrescentrum, op een bepaalde dag en tijd afgeven. Zo gezegd, zo gedaan.

Ik kwam met mijn schaal rabarber bij het congrescentrum op de afgesproken tijd aan en werd naar binnen geloodst. Ik kwam terecht bij de persoon die mij de vraag over de rabarber had gesteld. Hij begroette mij heel vriendelijk en nam de schaal rabarber in ontvangst. Ik mocht wel even in de enorme ruimte rondlopen om even te kijken waar de bijeenkomst over ging. Zo gezegd, zo gedaan. Het werd me overigens totaal niet duidelijk wat het thema van deze bijeenkomst was en waar al die standjes die er stonden voor dienden. Het was er vrij druk.

Helemaal aan het eind van de enorme ruimte was een flink stuk leeg gelaten. Tegen de achterwand stond een kloek bureau, waarachter een gedrongen en vrij zware gestalte, geheel gekleed in het zwart en met zeer korte haren zat. Binnen enkele seconden meende ik toch echt dat deze figuur wel eens Kim-jong-un kon zijn, de baas van Noord-Korea. Ruim om zijn bureau heen was het helemaal leeg gelaten, zowel qua meubilair als qua mensen. Wellicht om een vrij schootsveld te hebben.

Na vrij korte tijd kwam er een bediende, die een schaal naar deze figuur bracht. Ik herkende meteen mijn schaal met rabarber. Hij kreeg er een bord bij met bestek. Hij begon uit mijn schaal rabarber op zijn bord te scheppen, zag mij op enige afstand staan een wenkte me om naderbij te komen. Dat deed ik dus. Wij spraken niet met elkaar, want mijn Noord-Koreaans is nog heel primitief, en zijn Nederlands is waarschijnlijk ook niet zo sterk. Maar hij was wel heel vriendelijk, en glimlachte voortdurend naar me. Hij legde kleine hapjes van zijn bord weer terug in de schaal. Waarschijnlijk omdat er naar zijn smaak blijkbaar iets aan mankeerde.

Hij liet blijken dat ik wel weer kon vertrekken, voordat hij een hap genomen had, en ik liep dus van hem vandaan, met mijn rug naar hem toe. Ik werd twintig meter verder, in het gebied waar weer mensen waren, aangesproken door een tweetal dames. Ze hadden het tafereeltje waargenomen, maar zeiden dat hij maar enkele hapjes had genomen. Misschien vind hij het niet zo lekker. Dat kan natuurlijk. Of hij eet altijd zo. Of hij was beledigd, omdat ik met mijn rug naar hem toe bij hem wegliep. We zullen het nooit weten, omdat hier de droom eindigde.

Als ik nu geweten had dat de rabarber voor Kim-jong-un was, dan had ik er vast meer suiker in gedaan. Voor iemand met zijn postuur, had ik vast aangenomen dat het een zoetekauw moest zijn. En ook had ik tevoren eventuele klontjes of andere ongerechtigheden verwijderd. Maar ik begreep de logica wel. Als ik het geweten had had ik ook iets onbedoelds in zijn eten kunnen doen. Maar deze gedachten kwamen pas in me op, toen ik al min of meer wakker was.

Wie kan me vertellen of rabarber inderdaad tot het lievelingsvoedsel van Kim-jong-un hoort?

Dinsdag 12 mei 2020, Internationale Dag van de Verpleging.

Ik wist het ineens weer, toen ik vanmorgen een Chinees blad opsloeg, die als opening een gezelschap verpleegsters liet zien, met mondkapje uiteraard. Met vermelding dat het vandaag dus inderdaad de Internationale Dag van de Verpleging was. Florence Nightingale was immers geboren op 12 mei 1820 in Florence, Italië. Toen ik nog Hoofd P.Z. van ziekenhuizen was, werd het daar ook elk jaar gevierd op deze dag. Maar ik ben helemaal kwijt op welke manier we dat dan deden. Iets bij de koffie? Iets op je revers? Ik lees er in Nederlandse kranten eigenlijk nooit iets over, zelfs niet in deze crisistijd, maar in China is het blijkbaar nog tamelijk populair, blijkbaar ook buiten de ziekenhuizen.

Wat bloeit er eigenlijk in mijn buurt?

Vanmorgen viel me op dat bij twee dezelfde planten voor mijn raamkozijn een bloem was gekomen. Een rode bloem in de vorm van een blad. Ik weet niet zo snel hoe die plant eigenlijk heet, maar het is zoiets als Armetiria. Dit moet wel de verdienste van mijn voortreffelijke hulp zijn, want aan mij heeft dat zeker niet gelegen. Dan is dit een echt historische dag. Ik kan me namelijk niet herinneren dat er, zo lang ik leef, een plant in mijn buurt tot bloei is gekomen. Dat is zeker niet gebeurd vanaf het moment dat ik zelfstandig ging wonen, in 1967, tot heden. Maar of er bij mijn moeder ooit een plant heeft gebloeid durf ik niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk niet, ook volgens mijn broers.

Aangezien ik niets met dieren heb, en we thuis ook geen huisdier hadden, weet ik wel zeker dat er ook nooit een dier in mijn buurt tot bloei is gekomen.

Blijft over of er wel eens een mens in mijn buurt tot bloei is gekomen. Ik verbeeld het me wel, en ik hoop het tenminste, maar ik ga natuurlijk hier geen namen van kanshebbers noemen.

De firma Haafs, bekende broodbakkers hier ter plaatse.

Het zuurdesemverhaal had nog een vervolg. Nadat mijn hulp gisteren haar dingen had gedaan, ben ik maar even in de telefoon geklommen. Eerst even Warme Bakkerij Haafs. Dan hoef ik in elk geval mijn plaats niet meer uit, als ze dat willen verkopen. Ze hebben zonder de minste twijfel zuurdesem in huis, want ze gebruiken het zelf voor hun zuurdesembroden. Ik kreeg een ‘superzakelijke’ dame aan de lijn en vroeg of ze ook zuurdesem verkochten. Niet het brood, maar het stofje. Er kwam direct een zeer kordaat of zelfs een bits antwoord: nee, dat verkopen we niet. Ze bedoelde dan: dat willen we niet verkopen, want ze hebben het immers permanent en volop in huis. Dit was de eerste keer sinds november 1989 dat ik weer eens probeerde klant bij de Firma Haafs te worden, en het verliep precies zo als in 1989: zeer teleurstellend. Dus dat betekent dan dat ik ook de komende 31 jaar bij deze Firma geen klant zal zijn. Ze willen het zelf zo.

Dinsdag 19 mei 2020.

Tenslotte ben ik nog op zoek gegaan naar een nieuw dekbedovertrek. Ik vermoed dat de firma Smulders daar marktleider in is. Ze maken er in elk geval de meeste reclame mee. Dus heb ik hun website maar eens bezocht. Ze hebben een enorme keus. Mijn vorige aankoop betrof een hoes van polyester. Maar die stof beviel me totaal niet. Hij is glad. En glibbert dus overal langs en vanaf. Ook van het dekbed zelf. Binnen de kortste keren zit het hele dekbed op een hoopje in de hoes. Dat dit een serieuze stof is om dekbedden mee te omhullen, snap ik niet.

Geeft niet. Ik moet er bij de volgende aankoop gewoon op letten dat het katoen is en niets anders. Want bij stoffen met moeilijke woorden erin kom je er in de praktijk pas achter welke bezwaren die hebben, zoals bij polyester.

Dan het motief. Opvallend is weer, bijna net zo erg als bij de pyjama’s, dat de meeste patronen en motieven in fletse kleuren zijn. Ik wil graag een vrolijker kleurtje. Waarom moet ik toch met alle geweld in een sombere omgeving mijn bed induiken? In een zo mogelijk nog somberder pyjama? Je kunt ze ook in een patroon krijgen bijvoorbeeld van en natuurlandschap. Dan krijg je wel echte en natuurlijke kleuren. Maar waarom dan plaatjes van olifanten of bergen? De olifanten en andere exotische dieren kun je waarschijnlijk beter in landen verkopen waar ze die beesten ook beter kennen. En bergen zullen waarschijnlijk het populairst zijn in landen zoals Zwitserland.

Ik heb vergeefs gezocht naar een foto van een fraai polderlandschap of een mooie oude molen. Voor mijn part van de Afsluitdijk of de Edammer kaasmarkt. Maar nee, die bestaan niet. Ook niet bij de mogelijke andere leveranciers. Ik heb het vermoeden dat deze dekbedovertrekken wel bestaan, maar alleen verkocht worden in Zwitserland. Ik blijf maar tobben, met al mijn problemen.

Mei 2020.

Mijn handtekening.

Ik haat het als een brief geen datum heeft. Of een datum zonder jaartal. Ik verbeeld me dat er onder mijn verantwoordelijkheid nooit een stuk de deur is uitgegaan, zonder datum, jaartal en handtekening. En het moeten vele duizenden stukken zijn geweest, in de loop der jaren.

Als het brieven aan een persoon waren, stond (en staat) er ook altijd een geschreven handtekening van me onder. Een gestempelde handtekening heeft voor mij geen enkele waarde. Ik heb wel eens een rechtszaak gevolgd, waarbij een of andere eindverantwoordelijke die verdachte was, zich poogde te verschonen, als zijn handtekening werd aangetroffen op een stuk dat van belang was voor de waarheidsvinding. De verdachte: “Ik heb in mijn leven vele duizenden handtekeningen onder brieven gezet. Denkt u nu echt dat ik bij al die brieven en stukken altijd precies wist wat erin stond?”. En hij kwam er nog mee weg ook. Onbegrijpelijk, wat mij betreft. Bij mij is dat uitgesloten geweest. Als ik verantwoordelijk ben en door mijn bazen dus ook verantwoordelijk wordt gehouden, dan heeft elke handtekening van mij de betekenis dat ik de inhoud van het stuk kende en er mee akkoord was. Ook bij duizenden stukken.

Natuurlijk kwam het in de praktijk wel eens voor dat ik om kwart voor zes in de avond nog stukken van een medewerkster ter tekening kreeg, die nog vóór 18.00 uur de buslichting moesten halen. Dan wisten mijn naaste medewerkers dat ik dan wel in goed vertrouwen mijn handtekening zette, zonder dat ik het stuk echt gelezen had, maar dat ze dan een kopietje voor me moesten achterlaten, zodat ik het achteraf nog kon lezen. En het is daarna gelukkig nooit gebeurd dat ik op mijn handtekening moest terugkomen.

Dit gedrag heb ik van niemand geleerd en ik had er ook nooit een voorbeeld van gezien. Het zit dus gewoon in mij gebakken. Ik ben zo. Verantwoordelijk voor mijn eigen daden. Zonder beperking of uitvlucht. Helaas heb ik wel vaker meegemaakt dat een getekende brief de handtekeningzetter zich er later probeerde onderuit te wurmen.

1 juni 2020. Emigratie.

Ik heb me eens verdiept in emigratie. Het blijkt dat afgelopen jaar ruim 116.000 Nederlanders, mensen die hier geboren zijn, ons land ‘voor goed’ hebben verlaten, omdat ze meenden dat het in een ander land beter voor ze was. Ze hebben het volste gelijk. Als het je hier niet bevalt, dan ga je naar een ander land toe waar het je wel bevalt. Maar er zijn hele volksstammen, minderheden vaak, die het land waar ze wonen willen veranderen zoals het deze minderheid het het beste past en hun gelijk ten koste van alles en iedereen willen halen. Dat is het miskennen van democratie: de meerderheid beslist. Natuurlijk moet elke meerderheid ook rekening houden met de opvattingen van minderheden. Maar als dat naar jouw smaak tientallen jaren onvoldoende gebeurt kun je niet het leven en goed van anderen gaan vernielen. Ga dan naar een land waar ze wel en meer rekening met je houden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkiger.

Dinsdag 2 juni 2020.

De verschrikkelijke demonstratie in Amsterdam gisteren:

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Adam1.6.20.jpg

En dan de demonstratie met hetzelfde doel gisteren in Brussel:

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Brussel1june20.jpg

Burgemeester Halsema van Amsterdam was ‘volkomen verrast’ dat het zoveel demonstranten waren. Overal ter wereld duizenden demonstratie. Wat had ze dan in Amsterdam verwacht? Enkele tientallen? In Brussel kon het ook, mits je het goed organiseert. Overigens komt de foto uit Chinese bron. Nederlandse media vermelden het niet. Toen het eenmaal zo ver was vreesde ze voor geweld als ze zou laten ontruimen. Ze heeft dus liever honderden of duizenden besmettingen en doden extra dan geweld te gebruiken. Je hoeft niet te raden bij welke stroming haar sympathieën liggen.

20 juni 2020.

Een ontdekking was, dat ik merkte dat de deurkruk van de badkamerdeur, als die helemaal opengaat, precies door de spiegel gaat. Nu gooi en smijt ik niet met de deuren, dus het valt wel mee. Bovendien is het voordeel van alleen wonen, dat je ook nooit ergens ruzie over krijgt. Als ik al ruzie heb dan is het met mezelf en dan krijg ik dus ook nog eens altijd gelijk. Nog nooit heb ik trouwens ergens met een deur gesmeten. Ik heb overigens toch maar besloten dat ik een deurstopper op de naastbijgelegen plint ga monteren en heb hem meteen maar aangeschaft. Daar bleken nog meerdere modelletjes van te bestaan. Zowel in kleur als in grootte. Ik heb maar voor de witte gekozen (de onschuld), en dan de grootste maat. De grootst mogelijke onschuld dus. Ik kan ook niet verzinnen waar ik ergens schuldig aan was, of het moet heel lang geleden zijn geweest, zeventiger jaren of zo, met enkele parkeerbonnen en iets te hard rijden. Maar daar heb ik allemaal ruimschoots de vereiste boetedoening voor gedaan, dus die tellen volgens mij nu niet meer mee.

29 juni 2020

Het enorme boek “Die Organisation des Terrors”, het calendarium (uitgebreide agenda) van Heinrich Himmler (1.1.43 – 14.3.45) heb ik uit. 1152 bladzijden welgeteld. Ik vond het het meest informatieve boek over WO II dat ik ooit gelezen heb, terwijl ik toch honderden boeken over dat onderwerp heb en heb gelezen. Het gaat, enigszins verrassend, vrijwel niet over de eigenlijke oorlogsvoering. De bekende data van Stalingrad, Normandië, Market Garden en het Ardennen Offensief gaan onvermeld voorbij alsof ze nooit hebben bestaan. En juist omdat het niet over de oorlog zelf gaat, komen alle andere onderwerpen daaromheen juist wel ruim aan bod. En dat leverde vele verrassingen op, teveel voor een rubriek als deze. Ik overweeg een aparte pagina op deze website hieraan te wijden.

2 juli 2020, teruggrijpend naar circa 1965.

Ook een keer op kampeerterrein Raaphorst in Wassenaar. Natuurlijk kwam de hoosbui een keer precies op mijn hoofd terecht, toen ik bezig was op houtvuur een hele warme maaltijd te bereiden: aardappelen, groente (het waren sperziebonen weet ik nog) en een karbonaadje. De taakverdeling was en is nog steeds denk ik, dat eentje het vuur aanhield en de ander met het koken bezig was. Ik was deze keer de stoker. Nu had ik al veel ervaring met koken op houtvuur, dus ik vond het geen probleem, toen het ging regenen. Dat komt wel goed. Het ging alleen steeds harder regenen, totdat het hoosde. Wat was ik trots als een pauw toen de aardappels toch begonnen te koken, wat niemand nog had verwacht. Gevolgd door de boontjes. Nu is het alleen nog de kunst om het vuur nog twintig minuten brandend te houden. En ook dat lukte wonderwel, zodat ook de karbonaadjes gaar werden. Als een stelletje verzopen katten hebben we in onze tenten gesmuld van onze zelfgemaakte warme maaltijd. Zodra ik me van het vuur terugtrok was het binnen de kortste keren gedoofd met zoveel regen. Ik heb me vaak afgevraagd en zelfs nu nog, of ik dit kunststukje nog een keer zou kunnen herhalen. Ik denk het wel, maar het is nu natuurlijk nergens meer voor nodig.