Overpeinzingen, anekdotes en toevallige ontmoetingen, uit mijn leven gegrepen, deel II.

Deel I uit deze serie is al lang en ik vreesde dus dat hij wel eens te lang zou kunnen worden. Vandaar dat ik maar een nieuwe pagina begonnen ben, want de anekdotes, toevallige ontmoetingen en overpeinzingen zullen blijven komen.

5 februari 2018.

Wout van Aart, een sterke Belgische veldrijder, won een belangrijke veldrit. Na afloop moest hij natuurlijk verklaren hoe het kwam dat hij gewonnen had. Hij had er twee redenen voor. De eerste was dat hij op smallere banden had gereden: 30 mm in plaats van de meer gebruikelijke 33 mm. Tja. En de tweede reden was dat na het steeds weer tussentijds schoonmaken van alle bewegende delen van de fiets ze daarbij Dr Oetker bakspray hadden gebruikt. Dat zorgde ervoor dat alle modder en vuil minder makkelijk aan de verschillende bewegende delen bleef plakken. Dat vond ik meteen een heel sterk argument: het gebruik van dr. Oetker bakspray levert winnaars op.

Het is de zoveelste bevestiging van wat ik al jaren beweer: veel voorverpakt eten komt rechtstreeks uit de chemische industrie en kan niet anders dan ongezond zijn. Vermijd het voor consumptie. Die chemicaliën, zoals dr. Oetker bakspray, kunnen natuurlijk wel uitstekend werken bij fietsen die onder de modder en vuil hebben gezeten. Er zit heel veel, vaak jarenlang onderzoek in. Ze doen die spullen niet zomaar op de markt. Ik ga dus maar ook zo’n spuitbus halen, voor de situatie dat ik weer veel of althans veel meer ga fietsen dan ik nu doe. Of voor het onderhoud van andere bewegende delen ………….. Ik wil tenslotte ook wel eens bij de winnaars horen.

Oorlog en vrede.

11 februari 2018.

Inmiddels ben ik met het boek over Jan Pieterszoon Coen begonnen, zoals ik gisteren al meldde. Wat mij na de eerste twintig of zo bladzijden opviel dat deze Coen, zolang hij leefde (1587 – 1629) alleen maar een situatie van oorlog heeft gekend. Van 1568 – 1648 woedde immers de 80-jarige oorlog van Spanje tegen ‘Nederland’. Geen dag vrede dus. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) gold de wapenstilstand alleen maar voor ons gebied, zo las ik, want dat heb ik nooit geweten, maar niet voor de rest van de wereld, zoals Afrika en Azië, waar de oorlogstoestand en de oorlog ‘gewoon’ verder woedde.  Je realiseert je niet dat een toestand van vrede, waar we nu al zo lang in leven, eigenlijk de uitzondering is, en een toestand van oorlog doorgaans de ‘normale’ situatie was en voor veel volkeren nog steeds is. Ik heb wel al meerdere keren in allerlei gezelschap gezegd, dat ik me gelukkig prijs dat ik – geboren in 1946 – altijd vrede heb gekend. Wat dat betreft ben ik gewoon op een gelukkig moment geboren. Tegelijk zeg ik hiermee natuurlijk ook dat ik een toestand van oorlog best nog wel eens zou kunnen gaan meemaken. Een raar idee, maar wel realistisch.

De politiek die we vanaf WO II hebben gekend lijkt ook wel op zijn eind te lopen. In Duitsland kost het de grootste moeite nog een regering te vormen en in Nederland lukte het ook alleen maar met de grootste moeite. Ook in het Verenigd Koninkrijk en in de V.S. zijn regeringen gevormd met maar een heel minimale voorsprong op de oppositie. In Oost-Europa zijn bijna overal rechtse regeringen aan de macht en in Zuid-Europa lukt het de landen maar niet hun financiën in evenwicht te brengen. Alleen in China en in Rusland is (lijkt) er een hoge mate van stabiliteit. In het Midden-Oosten vliegen landen en volkeren elkaar voortdurend naar de keel. Waar dat nou toch naartoe moet?

Shoppen in de V.S.

Maandag 5 maart 2018. Gezichten en namen onthouden.

Stef Blok is de nieuwe Minister van Buitenlandse Zaken. Ik kende hem al toen hij nog Minister van Wonen was, vanuit mijn activiteiten voor het platform. Ik vond dat bepaald geen verkeerde Minister. Een saaie maar degelijke man, zegt men. De Volkskrant heeft vanmorgen een mooi artikel over hem, en de politiek in het algemeen. Geen verkeerde keus, volgens mij.

In dit Volkskrant-artikeltje stond een stukje, waarvan ik dacht dat het ineens over mij ging.  En wel het volgende:

Stef Blok staat op het Binnenhof bekend als de man die moeilijk gezichten kan onthouden. Collega’s die zich driemaal aan hem hadden voorgesteld, kregen bij de vierde keer de reactie: leuk u eindelijk eens in het echt te ontmoeten. Er lijkt dus sprake van nagenoeg strikt langs elkaar heen levende werelden.

Zo’n situatie heb ik zelf ook al meerdere keren meegemaakt. Meestal reageert de toegesprokene daar boos op, is mijn ervaring. Sommigen weigeren dan de toegestoken hand, en lopen weg met een boos gezicht. Dat moest ik dan weer een keer goed zien te maken. Ik kan niet alleen geen gezichten onthouden, maar ook geen namen. Ik heb dat steeds geweten aan mijn beroep: personeelsbaas in diverse titels, en Hoofd Werving en Selectie. In die hoedanigheden, vooral de laatste, heb ik vele duizenden cv’s en sollicitatiebrieven gezien en gelezen. Als het er geen tienduizenden zijn geweest. Mijn stelling was altijd: alles aan een cv is interessant, behalve de naam van de persoon. Of een persoon nu Jansen of Pietersen heet zegt me helemaal niets. Wel of het een man of vrouw is, de geboortedatum en -plaats, de opleiding en de ervaring van betrokkene, de hobby’s en al het andere dat op een cv en sollicitatiebrief voorkomt. Maar aan de naam van de persoon heb ik voor selectie helemaal niets. En die naam plak ik dus pas veel later op een kandidaat. Als ik dat stadium dus ooit bereik met iemand. Ik heb dus nu ook iemand gevonden die tenminste ten dele hetzelfde gedrag als ik vertoont, op dit punt dan.

De slag bij Samobor, 1 maart 1441.

Vanmorgen had Xinhuanet (onze Chinese vrienden dus) een reportage over het naspelen van de Slag bij Samobor, op 1 maart 1441. Het zal wel aan mij liggen, maar hoewel ik een groot liefhebber ben van geschiedenis en daarover hele stapels boeken heb gelezen, zei me deze slag dus helemaal niets. Ik had zelfs niet het flauwste idee tussen welke partijen dit geweest kon zijn. Dat moest ik dus even gaan opzoeken en dat kostte me best nog wat moeite. Alleen de Engelstalige Wikipedia had er een bericht over, maar ook na lezing daarvan was ik nog altijd niets wijzer. Het ging toen over Ulrich II van Celje, tegenover Stephan Banic.  De laatste verloor de slag, begrijpelijkerwijze. Zo’n nummerloze figuur die het opneemt tegen een heel edelengeslacht, die moest natuurlijk wel verliezen. De inzet was de Hongaars-Kroatische kroon. Ook van die kroon had ik nog nooit gehoord en bovendien schijnt Ulrich II er niet lang van genoten te hebben, toen hij kort daarna door de Turken werd verslagen. Ook na het lezen van diverse artikelen daarover was ik dus niets wijzer. Maar het grootste raadsel is natuurlijk nog wel waarom de Chinezen hier aandacht aan gaven. Hieronder een foto van de heropvoering van deze slag.

Mozes.

Mozes komt van de berg en spreekt het wachtende volk toe. Mozes zegt: ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws. Wat willen jullie het eerste horen? Het volk roept en schreeuwt in koor: “Eerst het goede nieuws!!! OK, zegt Mozes. Het goede nieuws is: “Het is me zojuist gelukt om de oorspronkelijk bedoelde 15 geboden terug te brengen tot slechts 10 geboden.” Het volkt juicht en gaat beginnen met het aanrichten van een feest. “Wacht even, wacht even. ” roept Mozes. “Ik moet ook eerst nog het slechte nieuws vertellen.” Het volk komt weer tot bedaren en als het weer stil is, gaat Mozes verder en zegt: “Het slechte nieuws is, dat overspel nog steeds niet is toegestaan.”.

Vrijdag 9 maart 2018. Lof.

Saoedi-Arabie krijgt nu ook het eerste popoptreden uit zijn geschiedenis, met een in Egypte beroemde vrouwelijke ster, die er blijkbaar voor islamitische begrippen nogal vergaande teksten op na houdt. In het contract daarover staat dan weer wel dat er tijdens het optreden niet mag worden gedanst en gezwaaid. Je kunt natuurlijk ook niet alles tegelijk hebben. Dansen doe ik sowieso nooit en zwaaien eigenlijk ook niet. De laatste keer, enkele jaren terug, was dat geheel per ongeluk. Ik heb er nog steeds spijt van. Voor de toen door mij toegezwaaide geldt nog: sorry, dat was niet de bedoeling. Ik maak natuurlijk wel een uitzondering voor lof.  Lof heb ik al vele jaren naar diverse mensen toegezwaaid. Zelfs dit jaar al een keer. Een jaar zonder lof is een verloren jaar, vind ik.

Juli 2019. Een gave van mij.

Het is een merkwaardige gave van me, die verder nergens op deze website vermeld staat, dat ik soms in een hele berg gegevens, of bij een stapel papieren, zonder aarzelen meteen het gegeven aanwijs of een velletje uit de stapel trek waar iets bijzonders of afwijkends op staat. De toeschouwers in grote verbazing achterlatend, hoe het toch mogelijk was dat ik – bij zoveel gegevens of papier – meteen de vinger op de zere plek kon leggen. Zo zocht ik eens in het Haagse Archief nadere gegevens van een rechtstreekse voorouder van me, die in de 18e eeuw uit Duitsland naar Den Haag was gekomen. Ik had alle registers al doorgezocht en niets gevonden, totdat een archiefmedewerker de suggestie deed om eens te kijken in de registers van het oudemannenhuis uit die tijd. Dat vond ik een goed idee. Ik werd dus verwezen naar een kast met zeker zes enorme folianten. Helaas bleek alles daarin genoteerd te zijn op een bijzonder merkwaardige wijze, maar kennelijk in de 18e eeuw heel normaal, maar er was geen chronologisch register of alfabetisch register op voor- of achternaam. Dat werd dus monnikenwerk, want dat kost weken werk om die ene naam te vinden in duizenden pagina’s, terwijl ik ook niet zeker wist of die naam eigenlijk in al die boeken wel voorkwam. Ik ging dus met een willekeurig deel eens aan een tafel zitten om na te gaan of ik de logica van toen zou kunnen doorgronden of anders het boek gewoon doornemen, bladzijde voor bladzijde. Ik sloeg dus dat enorme boek op een willekeurige plek, ongeveer in het midden, voor me open. En binnen seconden zag ik op precies die ene bladzijde de naam van die voorouder staan. En ik wist meteen waar en wanneer hij in Duitsland was geboren en op welke datum hij in Den Haag was overleden.

Onlangs had ik weer zoiets. In een presentatie, waarin heel veel getallen voorkwamen, zag ik bij sheet nummer zoveel ineens een getal staan bij een begrip, terwijl ik toch zeker wist dat dat zelfde getal bij hetzelfde begrip enkele sheets eerder 10 kleiner was. Eerst was het 2100 en enkele sheets later was het ineens 2110. Tussen honderden andere getallen en gegevens viel me dat ineens op. Ik maakte dus daar een opmerking over en de presentator bladerde enkele sheets terug en stelde ook vast wat ik had vastgesteld. Er stond een verschil waar de getallen hetzelfde hadden moeten zijn. De presentator was meteen een beetje van slag. In de rest van de presentatie meldde ze steeds weer dat de getallen nog moesten worden nagekeken. Ze was duidelijk van slag. Het was allemaal niet van levensbelang, maar ik kan het niet helpen dat ik zoiets ineens kan zien, waar iedereen er verder overheen kijkt. Tot verbazing van de omstanders.

Juli 2019. Het Frans en de Fransen.

Vandaag in The Guardian een ‘long-read’ over de neergang van de Franse keuken en het Franse restaurantwezen. Eens de top van de wereld, maar tegenwoordig kun je in Londen en New York beslist beter eten dan in Parijs, aldus de journalist, tevens globetrotter, die jaren in elk van die steden heeft gewoond. Ik kom niet zo vaak in Frankrijk, want waarom zou ik dat nou doen? Volgens de schrijver is het tegenwoordig in Parijs overal beginnen met paté en daarna is het entrecote, entrecote en nog eens entrecote. Merkwaardig. In het Engels moet er blijkbaar een dakje op de o, maar in het Nederlands wordt dat afgekeurd. Hoe het in het Frans moet interesseert me weinig. Kijk, dat lees ik nou graag: de neergang van iets Frans’. Ook de Franse taal was ooit de wereldtaal en het hele diplomatenkorps sprak in de hele wereld nog Frans met elkaar. Dat is lang voorbij. Tegenwoordig is het Frans een of ander Zuid-Europees streektaaltje. Ik zeg dat zo makkelijk, omdat ik ook Franstaligen in Brussel eens heb zien betogen met een spandoek over het Nederlands: ‘une langue si locale’. Of iets dat hierop lijkt, want mijn Frans is niet zo best. Als Franstaligen dat over het Nederlands kunnen en mogen zeggen, dan mag ik ook zoiets over het Frans zeggen.

En dan is nu ook de Franse keuken op zijn retour. Op de terugweg bedoel ik uiteraard.

Mei 2018. Broekspek.

Ik heb al talloze malen het personeel van mijn slager, dat wel wat van me gewend is, voor verrassingen geplaatst. Deze keer had ik broekspek nodig. Zelfs de tekstverwerker van Apple kent dit woord niet en keurt het af.  Toen ik dus aan een nieuwe medewerkster om broekspek vroeg keek ze me eerst enkele seconden zwijgend aan. Ze wist gewoon niet of ik een grapje maakte of serieus was. Uiteraard bleef ik met een stalen gezicht naar haar terugkijken. Na enige tijd riep ze toch maar naar achteren, waar blijkbaar de slager zelf rondliep, of ze ook broekspek hadden, waarop de slager meteen terugriep: ‘hoeveel?’. Toen was het ijs gebroken. Het moest nu wel een serieuze vraag zijn.

November 2019. Clovis of Chlodovech?

In mijn geschiedenisboek op school stond dat na het vertrek van de Romeinen (rond 476 na Christus) de Frankische koning Clovis uit het huis der Merovingen, over ‘onze streken’ regeerde. Pas na het lezen van meerdere boeken en artikelen over deze periode in onze geschiedenis trek ik heel andere conclusies, waaronder de belangrijkste: er is geen woord van waar.

De eerste vaststelling is al dat een koning met de naam Clovis nooit heeft bestaan. In geen enkele authentieke bron uit die tijd is de naam ‘Clovis’ terug te vinden. De eerste Frankische/Merovingische koning van na 476 heette Chlodovech en ook nooit anders. De naam ‘Clovis’ is een Franse uitvinding. Een naam met twee ch-klanken is immers voor een Franstalige onuitspreekbaar. En daarom verzonnen ze maar een naam die ze wel makkelijk konden uitspreken. Maar Nederlandstaligen hebben geen enkele moeite met het uitspreken van de naam ‘Chlodovech’. Dus waarom we dan een Franse fantasienaam zouden moeten overnemen is me een raadsel.

Ten tweede kun je je afvragen wat met ‘onze streken’ bedoeld zou kunnen zijn. Het meest voor de hand ligt om aan te nemen dat het moet gaan om grondgebied in het huidige Nederland. Maar helaas voor de stellers had volgens mij Chlodovech geen enkel gezag over zelfs maar een klein stukje van het huidige Nederlandse grondgebied. Zo waren de Merovingers wel in Luik, maar niet in Maastricht. Van alle Nederlandse steden die pas in de romeinse tijd zijn ontstaan, vooral aan de zogenaamde Limes, de romeinse grens langs de Oude Rijn, bleven waarschijnlijk alleen Nijmegen en Maastricht bestaan.

Onder andere Voorburg, Katwijk, Leiden, Alphen, Bodegraven en Utrecht bleven niet bewoond en raakten geheel ontvolkt. In Nijmegen bleef wel een bewoning in stand, maar uit geen enkele opgraving en in geen enkele bron uit de Merovingische tijd wordt de plaats na het vertrek van de Romeinen nog genoemd. Er is nog wel eens een Merovingische muntschat gevonden, maar dat is dan ook alles. Het zegt niets over het gezag van de Merovingische koningen dus ook niet over Chlodovech. Maar ook in en over Maastricht, dat wel bewoond bleef, meldt geen enkele bron iets over de eerste Merovingische koningen. De eerste keer dat er iets oververteld wordt is het bezoek van koning Childebert II aan Maastricht in het jaar 597, dus meer dan honderd jaar na Chlodovech.

In de Duitse Wikipedia staat een kaartje met het gezagsbereik van Chlodovech. En dat wordt geheel in Noord-Frankrijk en in België getekend, met een slurfje land vanuit België naar de streek van Rotterdam. Het lijkt me extreem onwaarschijnlijk. Tussen de huidige Belgische grens en Rotterdam is de oudste stad volgens mij Tilburg, waarvan je met enige fantasie kunt zeggen dat hij kort na 700 zou kunnen zijn gesticht. Er was rond 500 in die hele streek geen enkele stad of plaats van enige betekenis. Waarom zou Chlodovech uitgerekend die strook bezet hebben?

In het boek van Bart Van Loo over de Bourgondiërs staat ook een kaartje getekend van ‘Europa rond 500 nChr.’ Ook Bart Van Loo tekent het Frankische Rijk, rond 500 nChr, met gebied in België en Noord-Frankrijk, maar hij heeft een ander slurfje op het huidige Nederlandse grondgebied. Zijn slurfje land is wel 200 kilometer lang en reikt tot ongeveer het zuiden van het huidige Friesland. Ook dat lijkt me heel onwaarschijnlijk. Behalve dan wellicht in Nijmegen (maar daar was Chlodovech/de Merovingers vrijwel zeker nooit) hadden ze in die hele streek niets te zoeken. Er is geen enkele plaats van betekenis.

Kortom: niet alleen bestond Clovis niet, maar als Chlodovech bedoeld was, dan heeft hij volgens mij nooit over een stukje van het huidige Nederland gezag gehad. Pas zijn latere opvolgers, in elk geval vanaf Childebert II, begonnen met stukjes van het huidige Nederlandse grondgebied te bezetten. ‘Onze streken’ moeten dan in elk geval buiten het huidige Nederland gelegen hebben.

15 juli 2018. De das.

Een andere vaststelling die je kunt trekken is het antwoord op de vraag: Wie regeerde er na het vertrek van de Romeinen over (delen van) het huidige Nederlandse grondgebied? Het antwoord is: helemaal niemand.

In bijgaande foto viel me meteen iets op. We hebben het idee dat die Chinezen, zekere Chinese kinderen, met al die uniforme kleren aan, een zekere eenheid uitstralen. Dat viel me bij bijgaande foto ineens vies tegen. Wat mij opviel zal overigens maar een enkeling opvallen, vooral dan de enkeling die ooit, lang geleden, eens op padvinderij heeft gezeten. Het gaat me om de dassen die die kinderen omhebben. Je zag toen het verschil tussen een ‘goede’ groep meteen ten opzichte van een ‘verkeerde’ groep, in de wijze waarop ze hun groepsdas droegen. De correcte wijze is: over de kraag heen. Zoals wel meer uiterlijkheden bij padvinders precies tegenover die van alle andere mensen stonden: bijvoorbeeld elkaar de linkerhand geven (want die zou dichter bij het hart uitkomen) of elkaar niet bedanken voor wat je voor elkaar gedaan heb (het spreekt vanzelf dat je elkaar helpt, daar hoef je dus niet voor bedankt te worden). In ‘verkeerde’ groepen droeg ieder lid op zijn of haar eigen manier de groepsdas. Op of onder de kraag: het maakte niet uit.  Ik heb eigenlijk geen idee of deze ‘ouderwetse’ gewoonten bij padvindersgroepen nog wel bestaat. Of ben ik de laatste der Mohikanen (niet bedoeld is hier de gelijknamige padvindersgroep)?

Deze Chinese kinderen maken er wat mij betreft ook maar een potje van. Ik dacht nog even dat de regel in China zou kunnen zijn dat meisjes de das op de ene manier dragen en jongens op de andere manier, maar dat is toch ook niet het geval. Het is gewoon slordig, wat mij betreft.

De dasring.

Vanmorgen vroeg kreeg ik nog een voorbeeld voor de geest, waarbij padvinders in hun gedrag afweken van wat elders in de maatschappij gebruikelijk was. Dat betreft het oprollen van lange mouwen. Padvinders rollen die naar binnen toe op. Het verhaal dat ik erbij hoorde was, dat als je door het bos rende, je met naar binnen opgerolde mouwen niet aan een tak kon blijven hangen. Door deze herinnering realiseerde ik me ook ineens dat ik eigenlijk nooit geweten heb waarom de groepsdas over de kraag heen moest worden gedragen. En vervolgens met een dasring moest worden vastgemaakt, en zeker niet, zoals bijgaande Chinese kinderen (moeten) doen, met een knoop. Met het inzicht van vandaag zie ik de voordelen van de padvindersmethode wel. Aan een das die onder de kraag doorloopt en ook nog eens met een knoop van voren wordt vastgemaakt kun je jezelf – opnieuw in een bos – makkelijk ophangen. Boven de kraag gedragen en met een dasring vastgemaakt, kun je nergens achter blijven haken. Alles laat meteen los. Deze Chinese kinderen komen blijkbaar niet met hun uniform in een bos. Hun mouwen zijn ook niet opgerold, maar het zijn korte mouwen. Bij precies kijken naar de mouwen viel me wel op dat de meisjes blijkbaar nog een soort hemd aanhebben en de jongens niet.

De dasring kon je zelf maken, maar de techniek beheerste vrijwel niemand. Het heeft mij ook veel moeite en oefenen gekost. Ik betwijfel of ik het nog steeds zou kunnen. De meisjes hadden een andere dasring: kant-en-klaar. Maar die moesten dan weer hun eigen fluitkoord vlechten.

Een riskant modelletje, de meisjesdasring. (N.P.G. betekende Nederlands Padvindsters Gilde). Hiermee kon je overal achter blijven haken. Ze veronderstelden wellicht minder in een bos te komen dan de jongens. Of beter op de paden te blijven.

Woensdag 18 juli 2018. De haringen bij Albert Heijn.

Dat had ik dus niet moeten doen, gisteren. Tussen de middag begon het al met een zoute haring op mijn enige boterham. Die kun je bij de super slechts in verpakkingen van twee of drie kopen en dat werden er dus twee, voor op mijn enige dikke zelf gebakken boterham. De enige haringen die bij de AH te koop waren, waren ook nog eens voorzien van zo’n 35%-sticker, waaruit dus bleek dat diezelfde dag nog hun houdbaarheid zou eindigen. Wie de strenge maatregelen kent die top-haringverkopers, zoals onder andere de firma Koning in Rijswijk, en Simonis in Scheveningen hanteren, zoals ik, had beter moeten weten. Genoemde firma’s (en natuurlijk ook andere) bewaren en transporteren hun haringen een fractie boven nul: alles permanent op ijs. In de verpakking die je meekrijgt worden ook nog  ijsklontjes gestopt, voor je transport naar huis. Bovendien wordt er elke verkochte haring voor je neus en waar je bij staat schoongemaakt. Hoe anders gaat het in een supermarkt. Alle haringen worden al ergens centraal schoongemaakt en met machines verpakt. Bij welke temperatuur dat gaat weten we niet. De voorverpakte haringen worden ongetwijfeld gekoeld getransporteerd naar de winkels, maar uiteraard tussen alle andere spullen die ook gekoeld moeten worden vervoerd. Dat hoeft vast niet allemaal bij 0 graden Celsius en ik veronderstel dat dat ook niet gebeurt. Alles bij bijvoorbeeld 4 graden. Vervolgens worden de kratten met gekoelde waar de winkel ingebracht. Je mag alleen maar hopen dat dat met minimaal tijdsverschil gebeurt. Heeft u wel eens opgemerkt hoe lang zo’n kratje dan soms nog onuitgepakt in de winkel staat? Ik heb zo’n rijdend kratje meer dan eens in de winkel bij bijvoorbeeld de melkwaren zien staan als ik binnenkwam en als ik de winkel weer verliet stond het er een half uur of zo later, nog steeds zo.  Je krijgt bij de supermarkt je haringen uiteraard ook niet mee naar huis verpakt in ijs. Je kunt op deze manier gewoon geen kwalitatief heel goede haringen verkopen. In de inmiddels verdwenen haringtesten van het AD stonden supermarkten dan ook altijd laag, zo niet helemaal onderaan. Onze AH heeft er wel eens ingestaan met een voor een supermarkt extreem hoge 6. Een hoger getal voor een super heb ik nooit gezien, wel veel lager, tot een 1 toe, terwijl er ook genoeg achten en hoger werden uitgedeeld. Ik had dus beter moeten weten.

Meteen al een uur na de lunch kreeg ik maagkrampen. En kort daarna zat ik met diarree op de wc. Dat kan alleen maar van de haringen geweest zijn, want van mijn zelfgebakken brood heb ik nog nooit last gehad. ‘Normaal’ voor mij is dat ik bij het opeten van voor mij verkeerd voedsel ik een uur tot twee uur later op de wc zit en maximaal twee uur later alles weer voorbij is. Deze keer was het anders. Met half één de lunch, zou ik met het ‘wc-werk’ om uiterlijk half drie moeten zijn begonnen en daar dan niet later dan half vijf mee klaar moeten zijn. Maar dat was deze keer niet het geval. Ook om half zes, als ik mijn nootjes mag met een glas wijn, was het rot gevoel in de maagstreek nog steeds niet weg en liep ik nog steeds af en toe naar het toilet voor een volgende portie, die wel steeds kleiner werd. Ik had ook nog eens extra voedsel voor het avondeten ingeslagen, zoals ik gisteren al meldde. Dat ging er best wel in en smaakte me ook goed, maar het was natuurlijk niet alleen meer maar ook anders dan anders. Om half negen was het laatste toiletbezoek. En zelfs toen ik tegen middernacht naar bed ging, had ik weliswaar geen aandrang meer, maar was het vervelende buikgevoel nog altijd niet verdwenen. Ik heb vervolgens prima geslapen, maar ook vanaf vanmorgen tot op dit moment (een uur of elf) is mijn buik nog altijd niet 100%.  Dat weet ik dus voorgoed. Voor mij geen haring meer bij een super en helemaal niet als de verkoopdatum ook de datum van uiterste houdbaarheid is.