De oudste van Leeuwens.

Op 16 december 2017 ben ik onverwacht gestuit op enkele stokoude Van Leeuwens. Ik heb al tijden een donkerbruin vermoeden dat de familienaam ‘van Leeuwen’ gruwelijk oud moet zijn, wellicht wel terugvoerend naar de Romeinse tijd of zelfs nog ouder. Hoewel de registratie van dopen en huwelijken zowel bij katholieken als protestanten al in de 16e eeuw werden voorgeschreven, hebben alle of vrijwel alle geloofsgemeenschappen die registratie schier eindeloos opgeschoven, soms wel honderd jaar. Vaak begint die registratie pas in de loop van de zeventiende eeuw. Voor oudere gegevens ben je dan afhankelijk van andere bronnen en dan moet het natuurlijk wel om personen gaan die iets in de gemeenschap hebben voorgesteld. Bijvoorbeeld omdat ze tienden of andere heffingen moesten betalen, zich moesten melden voor de krijgsmacht, of bijvoorbeeld in weeshuizen opgroeiden, iets te vererven hadden of aan onroerende goederen iets te kopen of te verkopen hadden. Wie alleen maar een geruisloos leven leidde – al was het nog zo eerzaam – werd nergens geregistreerd.  Van de Van Leeuwens die we via doop- en huwelijksregistraties terug in de tijd zijn gaan volgen, stopt het spoor (voorlopig dan toch) in de tweede helft van de 17e eeuw. Ik vond vanmorgen echter een stukje over leenrechten, in het bijzonder visrechten in de IJssel bij Capelle aan den IJssel en daar komt vanmorgen ook plots een Van Leeuwen in voor. Vanaf 1536. Blijkbaar komen in die visrechten geen Van Leeuwens voor tot in 1536 en plots in dat jaar wel, doordat ene Dirck Fransz van Leeuwen die rechten op 18 september 1536 overnam van een zekere Huych Quekel Jacobsz. Vervolgens gingen die visrechten over naar de nazaten van Dirck Fransz. Zijn zoon, Frans Dircksz van Leeuwen neemt in 1552, na het overlijden van zijn vader over, ‘behoudens de lijftocht van zijn stiefmoeder jonkvrouwe Anne Joest Ruychroexdochter’. Hulde door Jan Fopen, procureur voor het Hof van Utrecht. Wat dat ook mogen betekenen. Dat is natuurlijk ook het probleem van die oude teksten. Zelfs als ze netjes zijn getranscribeerd (in drukletters omgezet), zoals in onderstaande tekst, dan nog is het een hele toer om te begrijpen wat er nu staat. Zie het onderstaande.

De helft van de visserij van de IJssel,gemeen met heer Philips van Polanen, stroom- opwaarts vanaf Scalcwijkersluis en de Oude Goude stroomafwaarts tot het einde van de IJsel voor ver Ermgaerde wilgen aan de erre zijde en tot Stormsmolen toe aan de andere zijde, stroomopwaarts gaande aan dezelfde zijde tot Boelnessersloot en aan de overzijde tot aan Stickers toe.

Een vierde deel van de visserij gemeen met heer Philips van Polanen, strekkende vanaf Boelnessersloot opwaarts tot boven de hofstad van Tobbe Hugenz. en dwars- waarts over aan Crympenoert.

..-.-13..: Alaird Crudemansz., vermeld op 25-1-1317 (L.H. 6, fol. 2).
..-.-13..: Roeloff Alaert Crumansz., vermeld in 1395 (1, ongefolieerd).
16-3-1440: Reymborch Jansdochter, nicht van- en hulde door Gijsbert Roelofsz., zoals hun voor- ouders het leen hielden (1, fol. 12).
2-1-1447: Reymborch Jan Dircszoonsdochter, gehuwd met Dirck Petersz. (1, fol. 27v). 5-8-1461: Reymborch Jan Dircszoonsdochter, gehuwd met Dirck Petersz., met ledige hand (1, fol. 56v).
11-5-1481: Reymborch Jan Dircszoonsdochter, gehuwd met Jan Symonsz. (1, fol. 95). 10-8-1489: Jan Dirck Peterszoonsz. bij dode van zijn moeder Reymborch Jan Dircszoonsdochter en draagt het leen over aan Peter Schairt (1, fol. 95).
4-6-1515: Peter Schaert Christiaensz. tocht zijn vrouw jonkvrouwe Aechte van Zwyeten Dircx- dochter (1, fol. 175v).
15-10-1517: Jacob Quekell bij dode van zijn oom Peter Schaert (1, fol. 183).
13-10-1528: Huych Quekell bij dode van zijn vader Jacob Quekel en draagt het leen over aan zijn zuster jonkvrouwe Belie Jacobsdochter Quekel, hulde door haar broer Jacob Quekel (1, fol. 211).
12-12-1531: Huych Quekell Jacobsz., gehuwd met Alijt Schelmel Jacobsdochter, bij dode van zijn zuster jonkvrouwe Belie Quekell (1, fol. 222).
18-9-1536: Dirck van Leeuwen Fransz. na overdracht door Huych Quekel Jacobsz., gehuwd met Alijt Schiltman Jacobsdochter (1, fol. 241v).
22-6-1552: Frans van Leuwen Dirckz. bij dode van zijn vader Dirck van Leeuwen, behoudens de lijftocht van zijn stiefmoeder jonkvrouwe Anne Joest Ruychroexdochter, hulde door Jan Fopen, procureur voor het Hof van Utrecht (1, fol. 308v).
13-10-1563: Frans van Leeuwen Dircksz. doet zelf hulde (2, fol. 17v).

2

5-4-1585: Margaretha van Leeuwen, gehuwd met Willem van Sonnenberghe, bij dode van haar broer Frans van Leeuwen (2, fol. 166).
9-6-1585: Joest van Leeuwen bij dode van zijn broer Frans van Leeuwen (2, fol. 167). 5-8-1597: Dirck van Leeuwen Fransz. bij dode van zijn vader Frans van Leuwen (2, fol. 281). 20-6-1615: Peter Petersz. na overdracht door Joost van Leuwen de Gouda (3, fol. 134). 29-5-1635: Frans van Leuwen bij dode van zijn vader Dirck van Leuwen (3, fol. 356).

Een vaag plan van mij was altijd al en dat komt nu weer tevoorschijn, om ook eens wat meer te gaan zoeken naar die echt oude ‘van Leeuwens’. Dat die familienaam erg oud moet zijn concludeer ik aan de naam zelf. Die is immers oud-Saksisch of Oudgermaans voor Grafheuvel. Dat in onze streken een grafheuvel een of andere vervoeging van ‘Leeuwen’ werd genoemd, moet dus al stammen van voor de invoering van het Nederlands, toen die heel oude talen nog werden gebruikt. Het oudste geschreven Nederlands zou zijn van Hendrik van Veldeke (* ca. 1150 – + na 1184). De familienaam Van Leeuwen moet dus toen al bestaan hebben en was mogelijk dus nog een stuk ouder.