Mijn leven.

Geachte lezer,

Op alle tekst hierna rust copyright. Niets hiervan mag worden gepubliceerd, vermenigvuldigd of op welke wijze dan ook worden verspreid zonder schriftelijke toestemming van de eigenaar van deze website. Hiervoor gebruikt u desgewenst het contactformulier.

Versie 24 mei 2016.

U ziet de gehele en vrijwel dagelijks bijgewerkte versie bij de afzonderlijke Hoofdstukken, zowel bij ‘mijn kwartierstaat’, ‘mijn leven’ als ‘mijn bezigheden’.

Het onderstaande is een proefversie geweest en zal geleidelijk worden verwijderd.

naarmate ik ouder werd. Het niet mogen tekenen, bijvoorbeeld, heeft tot gevolg gehad dat ik in mijn tekenwerk stil ben blijven staan op het niveau van een vierjarige. Het vak tekenen op school vond ik het allerergste vak dat er was. Ik kon en kan namelijk helemaal niet tekenen, als gevolg van Katwijk. Een mens teken ik nog altijd het liefst als een koppoter, zoals een vierjarige dat doet.
Het feit dat we het hele jaar door overdag buiten moesten liggen, met als het koud was hooguit een paar extra sokken aan, heeft ervoor gezorgd dat ik daarna nooit meer een jas heb gedragen. Dat Katwijk daarvan de oorzaak was, heb ik pas enkele jaren geleden van mijn buurvrouw Tineke geleerd, die ook jaren in Katwijk heeft gelegen en die ook geen jas draagt. Door wat die jonge zusters steeds met je deden, als je moest plassen of dat vreselijke gescheer waar je geen haar had, heb ik heel veel jaren een flinke weerzin tegen vrouwen ontwikkeld. Dat zijn namelijk engerds die rare dingen met je doen. Dat die vrouwen dat deden in opdracht van een gefrustreerde dokter, dr. E.H.J.Warns geheten, drong niet tot me door. Het was de tijd dat wat de dokter zei heilig was en niemand het waagde om de opdracht van de dokter te negeren. Die opdrachten werden dus altijd uitgevoerd. Het is pas de laatste jaren echt tot mij doorgedrongen dat niet die vrouwen de schuld hadden, maar die akelige dokter Warns. Die Katwijkse periode heeft mogelijk ook voordelen gehad. Ik verveel me nooit, ook al doe ik urenlang niets. En ondanks het feit dat we geen school hadden heb ik me intellectueel toch vrij behoorlijk ontwikkeld en had ik een mooie loopbaan. Dat ik eigenlijk nooit ziek ben, kan ook wel eens een gevolg van Katwijk zijn. Anderen van mijn leeftijd hebben heel vaak allerlei erge en minder erge kwalen en vaak ook stapels medicijnen, maar daar heb ik allemaal geen last van. Ik ben net Obelix, die als kind in de toverdrank was gevallen en daarna nooit meer toverdrank hoefde. Onze handen werden vaak met zwachtels vastgebonden als de zusters weer eens met je bezig gingen. En ook als ze er niet waren lag je vaak urenlang met vastgebonden handen. Die konden we dan meestal wel na verloop van tijd weer lospeuteren. Tot de dag, ik zie het moment nog steeds voor me, dat er ineens twee zusters met een grote grijns op het gezicht aan mijn bed stonden, omdat ze nu iets hadden, dat we niet meer los konden krijgen: leren riemen. En inderdaad konden we die niet meer losmaken. Het verklaart mijn latere obsessie dat ik op geen enkele manier meer wilde worden vastgebonden. En ik ook anderen niet wilde vastbinden. Wie dat met mij heeft geprobeerd, die heeft het geweten. Het verband van dit gedrag met Katwijk heb ik ook pas na 2010 heel geleidelijk ontdekt. Er zijn ongetwijfeld nog meer gevolgen geweest, maar daar moet ik nog achter komen of ik kom er nooit meer achter. Pas onlangs ontdekte ik, dankzij het onvolprezen internet, dat deze ‘dokter’ een publicatie had, wellicht zelfs was gepromoveerd op, gipsbedbehandelingen. We lagen inderdaad heel vaak, ook jarenlang, in een gipsbed, van top tot teen. Dat moest uiteraard regelmatig worden vernieuwd, omdat kinderen nu eenmaal de gewoonte hebben te groeien. Ter hoogte van je billen was er dan een vierkant gat met een plankje ervoor waardoor je je grote boodschap kon doen. Om te voorkomen dat je billen dan steeds langs de harde gipsrand schuurden, werd er een dun kussentje onder je billen gelegd. Aan de muur van de zaal waren planken bevestigd met uiteenlopende reeksen van deze kussentjes, ook in verschillende diktes, maar allemaal donkerbruin. Als de zusters weer met je bezig waren werd er een dikker kussentje onder je billen gelegd, zodat je onderlichaam omhoog kwam. Dan konden de zusters er makkelijker bij. Voor die zusters waren die kussentjes gebruiksartikelen, voor ons, kinderen, waren het martelwerktuigen. Het kwam allemaal voort uit de zieke geest van die ‘dokter’, weet ik nu.

Mijn vriend Gerard Laanen, heeft ook in dit sanatorium gelegen, hoewel hij geen tbc maar polio, kinderverlamming had. Hij werd hierheen gebracht omdat ze zoveel ervaring met kinderen hadden….. Poliokinderen moesten uiteraard juist wel veel bewegen. En ondanks dit feit en ondanks dat Gerard hier aanzienlijk korter was dan ik, noemt Gerard de Katwijkperiode in zijn leven: “mijn concentratiekampperiode.” Wat zou het dan voor mij geweest zijn? Wie schetst mijn verbazing – toeval bestaat niet – dat toen ik gisteravond bij’ Afbeeldingen’ op Google op zoek ging naar een foto van deze ‘dokter’, hij inderdaad als eerste verscheen, maar een stukje verderop op dezelfde pagina er een portret kwam van wijlen Adolf H. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat ze vergeleken kunnen worden. Dat doet Google wel. Het Rotterdamsch Zeehospitium te Katwijk aan Zee, werd mogelijk gemaakt door de Joodse en welgestelde Rotterdamse margarinefabrikant Samuel van den Bergh.
Wat zouden hij en zijn familie ervan gevonden hebben, mede dat dankzij hun charitatieve instelling gestichte sanatorium, door de bewoners later zou worden besteld als ‘mijn concentratiekampperiode’?

Die zusters moeten erg jong zijn geweest. Je hebt als kind niet door hoe oud iemand eigenlijk is. Alle volwassenen zijn voor een kind oud, van 18 tot 80. Toen in het laatste jaar mijn broers Arie en Jan af en toe op bezoek kwamen, die toen 16,5 en 14,5 waren, liep het na hun bezoek bij mij storm met de vraag van die zusters wanneer mijn broers nog een keer kwamen. Gerard weet nog dat hij met het raam vlakbij een kazernepoort lag. Als in het weekend de dienstplichtige soldaten naar huis gingen stonden de zusters met hun neus tegen die ruit gedrukt. Die zusters waren misschien zelfs maar pas 16, maar veel ouder dan 18 waren ze dus niet.

Dat dokter Warns ook op ander terrein maar een kwakzalver was, bleek later. Hij was longarts en dat is nu en was toen geen snijdend specialisme. Toch heeft hij me vele malen aan mijn rechterknie en -voet geopereerd. Mijn buurvrouw Tineke die iets dergelijks had dat ik had, maar dan in het bekkengebied, werd voor elke operatie naar het LUMC gebracht, waar echte chirurgen het operatiewerk deden. Bij mij ging het ‘slechts’ om een knie dus dat kon hij wel zelf. Totdat een echte orthopedisch chirurg, dr de Moll van Otterloo sr er naar keek, zijn gezicht steeds roder werd en hij tenslotte riep: “Wie heeft dit gedaan?”. Waar ik bij lag, heeft hij zijn collega Warns gebeld en hem in duidelijk zichtbare woede de vreselijkste woorden toegevoegd. Het meeste verstond ik gelukkig niet.

Van deze periode heb ik nog foto’s van Kerst 1951, 1952, 1953 en 1954 met mij in een ziekenhuisbed met ruimte onder de foto om een blok aan te bevestigen met af te scheuren blaadjes. Een scheurkalender dus, met mijn portret erboven voor thuis. Ook heb ik nog een foto van mezelf als baby. Daarnaast heb ik nogal wat correspondentie van Katwijk aan mijn moeder over mij. Toestemmingen om op mijn diverse verjaardagen langs te komen. Het verzoek om toestemming om mijn knie stijf te zetten, hetgeen op donderdag 23 februari 1954 gebeurde. En het verzoek om eigen kleren voor mij mee te nemen: hemden, pyjama’s en zakdoeken. Geen onderbroeken, want die waren blijkbaar niet nodig. Die zaten alleen maar in de weg. Zodra het lukt, want de experimenten hebben nog niet tot goed resultaat geleid, verschijnen deze foto’s brieven en andere stukken ook op deze website.

Het enige opwindende uit deze periode was dat ik me herinnerde dat ik enkele keren door een mannelijke verpleegkundige in mijn bed met een noodvaart door de gangen ben gesleurd. Dat vond ik ontzettend spannend en leuk. Het was zo ongeveer mijn enige verzetje in die jaren. Het zal vast niet met toestemming van dokter Warns zijn gegaan, want hoewel ik hiervoor uiteraard niets hoefde te doen, was het wel erg opwindend voor mij. Hij deed het ook met andere kinderen. Het stopte na enige tijd, zonder uitleg. De zusters deden dat nooit. Die hebben geen van allen mijn al die jaren ooit iets verzonnen dat leuk was voor de kinderen. Ongetwijfeld omdat dat hetzij niet mocht van de dokter, of omdat ze daarvoor geen opdracht van hem hadden gekregen. Ik kreeg dus ook geen onderwijs. In het laatste jaar kreeg ik een uur per week een rondreizende onderwijzer bij mijn bed. Hij begon met de rivieren van Zweden en Finland, die ik uit mijn hoofd moest kennen, terwijl ik niet kon lezen of schrijven en ik het verschil nog niet wist tussen Katwijk en Den Haag. Laat staan dat ik enig idee had waar Nederland of Zweden op de wereldkaart lagen.

Op dinsdag 14 december 1954, een dag voor mijn 8e verjaardag ging ik naar huis. Hierna volgt een periode die ik nog niet helemaal op een rij heb gekregen. Zo heb ik nog een toegangsbewijs voor bezoekers aan de Tapijtweg 10 in Den Haag, waarbij ik me kan herinneren dat ik daar ook nog een tijd heb gelegen. Wanneer precies is niet opgetekend, maar het moet in elk geval na die 14e december 1954 geweest zijn. Ik heb nog een schoolrapport en een bezoekerspas van het “Haags Sanatorium” aan de Tapijtweg 10, maar allebei hebben ze geen jaartal. Het rapport geeft wel aan dat het om de periode april – augustus ging. Het gaat om klas 2. Met de aanvullende mededeling: wordt verhoogd naar klas 3. Ik had lezen: 7; Schrijven: 6,5; Rekenen: 8; en Taal en stellen: 9. Vlijt en gedrag waren allebei een 8. Vermoedelijk zal dit gegaan zijn om 1955. Van februari 1955 is er nog een brief van dokter Warns aan mijn moeder. Hem was van de GGD bekend geworden dat ik nog altijd niet goed liep. Of zij maar snel contact wilde opnemen, want hij wilde mij eerder dan was afgesproken weer zien. Moeder heeft hieraan geen gehoor meer gegeven. In plaats hiervan heeft zij consult aangevraagd bij dr de Moll van Otterloo, waarvan de ontmoeting hierboven al is beschreven. Nu ik inmiddels weet dat het Zeehospitium Kijkduin pas in 1957 geopend werd, moet dit consult kort na februari 1955 met aansluitende operatie wel gebeurd zijn op de Tapijtweg 10. Ik heb dus blijkbaar van april (ik vind nog aantekeningen dat het vanaf 22 april 1955 geweest moet zijn en dat ik er op zaterdag 13 augustus 1955 weer ontslagen werd) tot en met augustus 1955 op de Tapijtweg gelegen. De periode van 13 augustus 1955 tot in december 1955 is mij nog geheel duister. Geen aantekening en geen herinnering. Behalve dan dat ik deze keer wel weer beter kon lopen. Maar helemaal perfect was het toch ook nog niet. Dat zou pas later blijken. Het eerstvolgende document is van 9 december 1955 van “Openbaar Onderwijs te ‘s-Gravenhage” aan mijn moeder. Inhoud: ‘Voorlopig bericht! Uw zoontje wordt op Maandag 9 januari 1956 geplaatst op de Buitenschool.’ Blijkbaar ben ik van augustus 1955 tot januari 1956 niet naar school geweest. Maar deze Eerste Nederlandsche Buitenschool, die was gelegen aan de Doorniksestraat 28 in Scheveningen, herinner ik me wel goed. De klassen hadden geen cijfers, maar kleuren. En je zat dus inderdaad buiten in de klas met stoelen en tafels e.d in dezelfde kleur. Van die eerste plaatsing in 1956 en van het schooljaar 1956/1957 heb ik geen rapport, maar van het volgende jaar wel. Dat was dus het schooljaar 1957/1958. Toen zat ik blijkbaar in klas 5. Ik had voor alle vakken en rapporten een zeven, behalve schrijven, waar ik het met een 6 of zelfs een 5,5 moest doen (ik schrijf nog altijd beroerd) en Vaderlandse Geschiedenis, waarvoor ik steeds een 8 kreeg. Het tweede rapport, dat moet dus van Pasen 1958 geweest zijn, was niet getekend door mijn moeder, zoals alle andere, maar door een zekere Van Noppen, of Hansoppen, als ik het goed lees. Wie dat was? Een voogd of zo?

In deze periode valt ook het verblijf van ongeveer een jaar van mijn broers Arie en Jan bij de Marthastichting in Alphen aan de Rijn. Jan weet zeker dat hij de opening van de brug in Alphen over de Rijn heeft meegemaakt, terwijl Arie zeker wist dat hij in Alphen zijn MULO-diploma heeft gehaald. Dat laatste moet dan in mei 1956 geweest zijn. Na enig zoeken bleek dat de bedoelde brug op 10 november 1955 werd opengesteld. Het is niet gewaagd te veronderstellen dat Arie en Jan het hele schooljaar 55/56 in de Marthastichting zijn geweest. Arie en Jan gingen dus het huis uit toen ik voor de tweede keer weer thuis kwam. Drie jongens met mij als bewerkelijk tiep, was moeder blijkbaar te veel. Arie en Jan werden het er ook over eens dat de tweede uithuisplaatsing, dit keer van ons alle drie, eind 1956/begin 1957 geweest moet zijn. Arie en Jan gingen naar een tehuis in de Celebesstraat, terwijl ik naar het tehuis Vluchtheuvel ging, gelegen aan het Seinpostduin in Scheveningen. Het duurde zes weken. In die zes weken ging moeder, samen met Tante Tonia, naar een of ander huis in Oudenbosch, Noord-Brabant. Moeder moest tot rust komen. Ze vond het opvoeden van ons drie blijkbaar vaak te zwaar, terwijl wij naar mijn herinnering echt niet van die lastige kinderen waren. Geen van drieën waren we aan de alcohol of de drugs (die toen overigens nog vrijwel compleet onbekend waren) en ook zijn we bij mijn weten nooit met de politie in aanraking geweest en we spijbelden zelfs niet. Het moet dus ongeveer februari 1957 zijn geweest, aan het eind van mijn verblijf, dat ik voor het eerst in mijn leven op een step stond en daarmee het hoge Seinpostduin afreed. Het rustige Seinpostduin kwam uit op de drukke Gevers Deynoootweg, waar niet alleen veel verkeer was, maar ook nog een tram reed. De step had geen rem en ik had geen idee hoe ik het ding kon laten stoppen. Ik ging dus uiteindelijk met een noodvaart het Seinpostduin af, kruiste ongeremd de Gevers Deynootweg, en kwam aan een muurtje aan de overkant tot stilstand. Ik had weer eens een heel bataljon beschermengeltjes om me heen gehad. Er was maar weinig voor nodig geweest, zelfs een fietser op net de verkeerde plek was al genoeg geweest, om een heel ernstig ongeluk te laten gebeuren, met auto’s en/of een tram en ik had het mogelijk zelfs niet overleefd. In dit geval bleef de schade beperkt tot een gebroken rechterbeen. Het frappante van deze vaststelling is overigens dat ik bijna precies vijftig jaar later, in februari 2007, opnieuw het rechterbeen brak. Dus als ik eens in de vijftig jaar dat been breek is de volgende breuk dus gepland voor februari 2057. Dat duurt gelukkig nog even.

1958.

Op vrijdag 5 september 1958 werd ik wederom opgenomen, deze keer in het inmiddels geopende Nederlands Zeehospitium te Kijkduin. Het was gebleken dat mijn rechterbeen steeds minder recht naar beneden liep. De rechtervoet week als het ware steeds meer naar rechts uit, omdat mijn been krom groeide. Daar moest wat aan gedaan worden. De dokter vertelde me dat dat heel normaal was, zeker voor iemand in de groei, en dat er een goede kans was dat ik daar vaker aan geholpen zou moeten worden. Die operatie vond plaats vrijdag 10 oktober 1958 in Kijkduin. De ontslagdatum heb ik niet meer. Mogelijk was het opnieuw kort voor mijn verjaardag in december, maar zeker is dat niet. Ik werd dus in deze periode kortstondig lid van een padvindersgroep, de Khaniwaragroep, waar ik als 11-jarige meedeed met de welpen. Deze Khaniwaragroep stond, net als de latere van Laergroep, onder leiding van het roemruchte echtpaar oubaas en akela Kerner. Over hen later meer. Ik moet in de logboeken van de van Laergroep nog nakijken wanneer ik daar voor het eerst optrad. Ik was toen in elk geval al 12, dus het was na 15 december 1958, en ging direct naar de verkenners. Deze opname betekende overigens dat ik opnieuw een groot stuk van het schooljaar heb gemist. Van dit schooljaar heb ik ook geen rapport.

Volgens de overlevering werd ik dus zes keer in Katwijk aan het been geopereerd door dokter Warns, en eenmaal aan de rechtervoet. Waarvoor dat laatste nodig was is mij nooit duidelijk geworden. Moeder had hiervoor geen toestemming gegeven en is hiervoor nog op hoge poten naar dokter Warns gegaan. Daarna werd ik in 1955 en in 1958 nogmaals aan de rechterknie geopereerd, maar ditmaal door dr de Moll van Otterloo sr op de Tapijtweg en in Kijkduin.

Eind december 1958 kwam ik voor het eerst op de padvindersgroep de Van Laergoep terecht, die toen nog zijn bijeenkomsten had in een school aan de Hemsterhuisstraat in Den Haag. Ik ging meteen naar de verkenners, die toen onder leiding stond van de roemruchte oubaas Kerner, die uiteraard voor de jongens toen hopman Kerner was. Hij werd geassisteerd door vaandrig Mackenbach. Dat was een man met een baardje, een zeer muzikaal persoon, die heel goed gitaar kon spelen en alle zang en muziek leidde. Naast alle andere zaken die padvinders doen. Van oubaas Kerner heb ik alles geleerd dat je voor het latere leven nodig had: o.a. eten koken, kaart en kompas, ehbo, touwwerk, spoorzoeken, en de liefde voor klassieke muziek. Hoe het vanaf de jaarwisseling met mijn school zat staat me niet meer voor de geest. Van dat schooljaar heb ik in elk geval geen rapport. Wel beëindigde ik tegen de zomer van 1958 al de buitenschool, met het advies me op een gewone lagere school te doen, omdat dan de aansluiting naar het voortgezet onderwijs makkelijker zou zijn. Blijkbaar meende men dat het onderwijs op deze buitenschool toch niet zo goed was. Ik ben dus inderdaad naar een gewone lagere school gegaan, en wel de Duinrandschool, aan de Pluvierstraat 400 in Duindorp en kwam terecht in klas 6. Aangezien ik een vol jaar eerder was geëindigd in klas 5, met advies ‘overgaan’, moet dit wel betekenen dat ik een vol jaar niet naar school ben geweest.

Hoofdstuk III, de periode januari 1959 – tot en met de zomer van 1963.

1. De situatie thuis.
Vanaf januari 1959 was de ziekenhuisperiode in mijn leven definitief voorbij. Behalve de in het vorige hoofdstuk al genoemde gevolgen waren er meer. Vrouwen en meisjes zag ik als enge wezens, die – als ze de kans kregen – enge dingen met je deden en in elk geval niet te vertrouwen waren. Ik heb zelfs een hele tijd echt gedacht dat vrouwen met elkaar samenzweerden om mannen zoveel mogelijk te kwetsen. Een ander gevolg is nog dat ik elke fysieke confrontatie met anderen steeds uit de weg gin en ga. Ik meed en mijd ruzies die tot vechten zouden kunnen leiden. Ik zou immers elke lichamelijke confrontatie verliezen. Slechts met één duw was ik uitgeschakeld. Misschien heeft dat er wel aan bijgedragen dat ik mijn hersens steeds harder liet werken dan mijn lijf. Elke sport of zelfs meestal ook spelen meed ik. Veel te bang voor de mogelijke gevolgen voor mijn rechterbeen en dus voor mij als geheel. Deze grondhouding heb ik tot op de dag van vandaag volgehouden. Thuis trof ik mijn moeder aan en mijn beide broers, Arie en Jan. Toen ik 12 was waren zij 19 en 17. En weliswaar aten we doorgaans met zijn vieren aan tafel, maar direct daarna trokken de oudste twee met elkaar op, ook ’s avonds. Ik had dus grotendeels mijn eigen leven. Mij is wel eens gevraagd of ik het gevoel had dat mijn moeder van me hield. Ik wist het antwoord niet. Ze zorgde altijd, ondanks haar armoe, sinds vader het huis uit was leefden we van de bijstand, dat we altijd goed te eten en te drinken hadden en de kachel kon branden. Maar er zijn tegelijk vele momenten geweest waarop ze mij, of zelfs ons, compleet in de steek heeft gelaten. Het totaalbeeld blijft dus gemengd. Later kom ik nog wel op de persoon van mijn moeder terug. Met familie gingen we nauwelijks om. We zagen af en toe Tante Tonia, zus van moeder. De andere zus van moeder: tante Marie (en oom Jan) hebben we ook een enkele keer gezien. Ze bleken twee dochters te hebben, Lida en Elly. Op zondag 24 januari 1960 gingen we een keer bij ze op bezoek in de Rijnauwenstraat in Den Haag, wegens de verjaardag van Lida. Daar is nog een foto van. Ook op de foto staan Bep Visser (die eerst op Jan verliefd werd en daarna op Arie) en Marga Winter. Die contacten waren weer snel voorbij, vanwege ruzie tussen de zussen. Gegeven onze latere ervaringen met onze moeder, is de kans groot dat dat vooral aan onze moeder heeft gelegen. Het zou nog vele jaren duren, voordat de zussen en de broers opnieuw contact met elkaar kregen. Daarover wordt (veel) later bericht.

2. School.
De eerste helft van 1959 ben ik hoogstwaarschijnlijk niet naar school geweest. Na de zomer ging ik naar de Duinoordschool, in de Pluvierstraat, dichtbij waar ik woonde in de Wieringsestraat. Na de zomer kwam ik in de zesde klas. Ik haalde drie rapporten lang goede cijfers. Allemaal zevens en achten. Behalve voor schrijven, waar ik tussen een 5 en een 6 bleef steken. Ik kreeg voor het eerst Frans, waarmee ik zelfs een acht haalde. Dat zou later een van mijn slechtste vakken worden. Onbegrijpelijk is ook dat ik voor tekenen een acht haalde. Dat is het andere vak waar ik jaren een bloedhekel aan had. Na afloop van het schooljaar 1959/1960 kreeg ik het getuigschrift en de aanbeveling om naar de ULO te gaan. In september 1960 verhuisden we naar de Melis Stokelaan 44. Ongetwijfeld omdat moeder in staat was om in elk huis waar we gewoond hebben, ruzie met buren te maken. Waarover die ruzies gingen is ons allen nog steeds een raadsel. Pal daarvoor was ik begonnen op de Zonnebloemmulo aan de Zonnebloemstraat in Den Haag. Eenmaal verhuisd naar de Melis Stokelaan bleef ik wel de school aan de Zonnebloemstraat volgen. Dat kostte dan elke dag heen en weer een lange busreis, met overstappen in het centrum van Den Haag. In het eerste jaar van de ULO haalde ik allemaal cijfers tussen 7 en 9, behalve voor Aardrijkskunde (6), Algebra (6) en, opnieuw, Schrijven (6,5). Zelfs voor Frans haalde ik nog een zeven. Ik ging over naar de 2e klas. Het schooljaar 1961/1962 haalde ik opnieuw cijfers tussen 7 en 9, gemiddeld was het zelfs nog iets beter dan het voorgaande jaar, met een 6,5 voor Frans en een 6,5 voor plant-en dierkunde. Zulke vrij lage cijfers, hoewel voldoende, voor vakken als aardrijkskunde, plant- en dierkunde en algebra, vakken die mij alle drie goed lagen, wijst op een verkeerde werkhouding. Dat stond ook op het eindrapport van klas 2: ‘Koos kan beter. Intelligent, maar werkhouding niet altijd goed.’ Het schooljaar 1962/1963 ging ik dus op initiatief van de ULO (noch ik, noch mijn moeder hadden daar ooit om gevraagd) naar het Grotiuslyceum aan de Klaverstraat. Dat was vlakbij de Zonnebloemstraat, terwijl er wel HBS-en en lycea dichterbij de Melis Stokelaan waren. Op de HBS moest ik wel weer in de tweede klas beginnen, waardoor ik nog een extra jaar vertraging opliep. Dit jaar haalde ik toch opnieuw alle cijfers tussen zeven en negen, met als uitzonderingen aardrijkskunde (een vijf) en Frans (een 4). Wel werd ik opnieuw bevorderd en nu naar klas 3 van de HBS.

3. Padvinderij.
In december 1958 was ik dus met padvinderij begonnen bij de verkenners van de Van Laergroep, die samenkwam in de Hemsterhuisstraat. Geleidelijk liep ik daar alle rangen en standen door. Naar Assistent Patrouilleleider (APL) en daarna Patrouilleleider (PL). Ik werd officieel geïnstalleerd in maart 1959. Daarna kwam in deze periode verkenner 3e, 2e en 1e klas. Aanvankelijk werd de leiding gevormd door hopman Kerner en vaandrig Mackenbach en dat was een goed stel. De precieze datum heb ik niet meer, maar vermoedelijk ergens in de loop van 1963 vertrok vaandrig Mackenbach en kwam vaandrig Jacobs daarvoor in de plaats. Van de jeugdleden uit die tijd zijn natuurlijk vermeldenswaard: Gerard Laanen en Rob van den Burg. De verkennerstroep was niet zo groot; doorgaans tussen tien en zestien jongens. Alle PL’s en APL’s samen vormden opnieuw een patrouille die de antilopenpatrouille werd gedoopt. Op padvinderij heb ik voornamelijk van Kerner heel veel geleerd van wat ik later nodig had: eten koken, spoorzoeken, kaart- en kompasgebruik, kennis van de natuur, ehbo en werken met touw en palen. Hoe maak je een stevige brug of toren?
We gingen ook elk jaar op zomerkamp. Een hele week ergens in de bossen, doorgaans buiten de randstad.

4. Vakanties.
We zijn als gezin, broers en moeder, nooit samen op vakantie geweest. Daar hadden we ongetwijfeld geen geld voor, maar ik heb het ook niet erg gemist. Mijn broers trokken wel veel met elkaar op, maar ik deed daar niet of niet vaak aan mee. Daarvoor was ook het leeftijdsverschil te groot. Wel ging ik elk jaar op een week zomerkamp met de verkenners, met als absoluut hoogtepunt het bijwonen van de Jamboree van 1963 in Marathon, bij Athene, Griekenland. Tevoren was in de groep bedacht dat ik samen met Gerard Laanen zou meegaan, maar de scoutingdokter keurde Gerard voor die reis af. Onbegrijpelijk. Dat was dus een dokter die zelf nooit padvinder was geweest. Volgende jaren hebben Gerard en ik meerdere reizen door Europa gemaakt, waaronder naar Istanboel. Ging allemaal prima. In plaats van Gerard ging een ander lid mee naar Athene: Frans Ancher. Hij mankeerde niets, en hij zat op de groep vanwege een gehandicapt broertje bij de welpen. Het Nederlandse contingent bestond uit wel 500 verkenners met leiding. We gingen in wel tien bussen, achter elkaar. We overnachtten, kamperend doorgaans, in Duitsland, Oostenrijk (Graz), gepland was vervolgens Skopje in Joegoslavië en eindbestemming Marathon. Terwijl we onderweg waren kwam er in Skopje een enorme aardbeving zodat ons overnachtingsadres onbereikbaar was. De overnachting was in de buurt in een enorm weiland, geïmproviseerd. Het werd een enorme ervaring, zowel de reis heen en weer als het verblijf. Het was ook mijn eerste buitenlandse reis.

5. Vrienden en vriendinnen.
Vrienden had ik meerdere op padvinderij, maar vooral Gerard en Rob. Aan vriendinnen was ik op geen enkele manier toe. Ik wantrouwde de soort diep. Van de ULO kan ik me geen enkele medeleerling meer herinneren. Ik ging in elk geval met niemand uit deze klassen ook buiten de schooluren om. Er was natuurlijk behalve een flink leeftijdsverschil ook een fors afstandsverschil met vrijwel alle andere leerlingen. Maar als iemand nog eens mijn geheugen opfrist: wie weet.

6. Ronnie de Wit en Anita Zwart.
Van het volgende weet ik niet de dag of maand en zelfs het jaar niet zeker. Het was in elk geval in de periode dat ik buste vanaf de Melis Stokelaan naar de Zonnebloemstraat. Vlak naast de Zonnebloemulo zat een andere school: de determineerschool. Dat was een school waar kinderen na de lagere school naar toe konden als nog niet duidelijk was naar welk vervolgonderwijs ze konden. Het was de voorloper van wat later de brugklas zou worden. Ik weet niet hoe lang hij duurde, maar het zou best eens twee jaar geweest kunnen zijn. De leerlingen daar waren dus 13 of 14. In de bus vanaf de Melis Stokelaan gingen ook altijd twee meisjes mee. Die moesten ook naar de Zonnebloemstraat, maar dan naar de Determineerschool, terwijl ik op de naastgelegen Zonnebloemulo zat. In de middag gingen we ook weer, meestal samen, met dezelfde bussen weer terug. Ze bleken later Anita Zwart en Ronnie de Wit te heten. Anita woonde in de Roemer Visscherstraat en Ronnie een paar straten verder. Zij zaten dus elke morgen al enkele haltes eerder dan ik in de bus en gingen er in de middag weer enkele haltes later uit.
Dat ging maanden lang dag in dag uit hetzelfde. Ik was er nog op geen enkele manier aan toe een afspraak te maken met een meisje, en over seks gingen mijn gedachten al helemaal niet. Met dat soort zaken zou ik nog meer dan tien jaar wachten. Tot op een morgen Ronnie alleen in de bus zat en Anita niet mee was. Anita bleek ziek te zijn. Dat ging zo een aantal dagen door en op een vrijdag zei Ronnie dat ze verwachtte dat Anita er maandag wel weer bij zou zijn. Maar maandag zat Ronnie toch weer, zonder Anita, alleen in de bus. Anita was nog altijd niet beter. Dat duurde nog langer en op zeker moment vroeg ik aan Ronnie of ik eens op ziekenbezoek bij Anita zou gaan. Ronnie ging altijd na school naar Anita en dan zou ik eens een keertje met haar meegaan, als ze nog ziek was. Dat vond Ronnie een goed idee, maar ze moest dat natuurlijk wel nog even aan Anita vragen en de volgende dag bleek het akkoord te zijn, voor de volgende dag. Ik heb die dag nog een grote reep chocola gekocht, want je moet op ziekenbezoek toch iets meenemen. De volgende dag ging ik dus samen met Ronnie en de reep chocola naar Anita’s huis toe. Ronnie stond voor me bij de voordeur van Anita en ze belde aan. De deur ging open en ik liet – zoals het hoort – Ronnie voor gaan. Zodra echter Ronnie over de drempel was, werd de deur vlak voor mijn neus met een harde knal dichtgesmeten. Daar stond ik dan. Ik dacht eerst nog dat het mogelijk de wind was geweest, dus ik belde nog een keer aan. Maar er werd niet meer opengedaan. Voor mij, met mijn achtergrond met vrouwen, was dit het zoveelste bewijs dat deze soort niet wilde deugen. Onbetrouwbaar. Je kunt geen afspraken met ze maken en ze willen je alleen maar kwetsen. We hebben nog vele maanden lang samen in die bussen gereisd. Maar ik heb daarna nooit meer een woord met ze gesproken. En ik was weer voor jaren genezen van het leggen van een contact met een vrouw.

Hoofdstuk IV: Van de herfst van 1963 tot en met het eindexamen van de HBS-B in mei 1967.

1. De situatie thuis.
We woonden alle drie de broers nog bij onze moeder in het begin. De beide oudsten trokken nog veel met elkaar op, in het begin. Ik vaarde mijn eigen koers.
In 1965 ging Jan de deur uit, omdat hij ging trouwen. Behalve aan padvinderij, was ik ook nog lid van een schaakclub en zong ik in een koor, als bariton. Veel meer vrouwen dan mannen zongen in een koor, en bij de mannen was de groep baritons het kleinste smaldeel. Het tijdsbeeld van deze periode was dat zeker in het begin, alles nog de ouderwetse truttigheid had. De beweging van de zestiger jaren, waarbij alle heilige huisjes werden omgegooid kwam in de tweede helft van de periode op gang. Provo werd in 1965 opgericht, maar had in het begin nog niet zoveel impact, en de Kabouterpartij kwam enkele jaren later. De hele periode was er bij de jeugd nog geen enkel drugsgebruik van enige betekenis. Noch soft, noch hard drugs. Ik bezocht eind december 1968 samen met de veel alternatievere Ernst, The Flight to Lowlands Paradise, in Utrecht. Dat was de tweede. De eerste van 1967 ben ik niet geweest. Later werd dit popfestijn kortweg Lowlands genoemd. Hoewel er duizenden jonge mensen waren, vaak alternatief, de mannen vooral ‘langharig werkschuw tuig’ en ik de hele nacht ben gebleven voor reeksen podia, heb ik niet eenmaal meegemaakt dat iemand bij mij over drugs begon. Alcohol was er volop, maar drugs bestonden nog helemaal niet in het uitgaansleven. Porno was nog verboden, al werd het aan het eind van de periode wel ‘onder de toonbank’ verkocht.

2. School.
Het schooljaar 63 – 64 zat ik in klas 3 van het Grotiuslyceum. Nog steeds deed ik niet veel voor school. Als ik nu maar in de les goed oplette, ook terwijl anderen aan het keten waren, dan scheelde me dat enorm in de tijd die ik voor huiswerk nodig had. Huiswerk deed ik vooral in de bus, zowel op de heenreis als op de terugreis. Twee uur per dag wel. Thuis deed ik er vrijwel nooit meer wat aan. Maar het kon tegenvallen en dan had ik sommige stukjes huiswerk niet gedaan. Als ik dan een beurt kreeg, wist ik vaak de antwoorden niet. Aan het eind van het schooljaar zakte ik. Met vijven voor Meetkunde, Scheikunde, Aardrijkskunde, Geschiedenis en een vier voor Frans. Aan dit patroon kun je duidelijk zien dat ik me er niet erg voor inspande. Aardrijkskunde en geschiedenis zijn op dit niveau niet moeilijk. Meetkunde lag me wel, dus die vijf was ook gewoon luiheid. Scheikunde en vooral Frans lagen me minder of zelfs totaal niet. Dus een laag cijfer daar was wel te verwachten. Dus ging ik in het schooljaar 64 – 65 opnieuw de 3e klas doen. In alle drie rapporten had ik maar twee onvoldoendes: een keer voor handtekenen, geen wonder, en een keer voor aardrijkskunde. In het overgangsrapport had ik geen enkele onvoldoende en achten voor algebra, natuurkunde en handelswetenschappen. Hierna moest je kiezen en ik koos voor de B-kant. Dit jaar (65 – 66) verliep nogal wisselend. Ik ging aan het eind voorwaardelijk over naar de 5e, met een taak voor scheikunde. Maar voor algebra had ik zelfs een negen! In de vijfde en laatste klas werd ik na het eerste rapport definitief toegelaten tot de vijfde klas.

Het zal begin 1967 geweest zijn dat de rector, Dr. B. Hiemstra, me in de gang aansprak met de woorden: “Van Leeuwen, als jij niet werkt, zul je niet slagen.” Het mag erg naïef klinken, maar ik begreep niet wat hij bedoelde. Volgens mij slaagde je, dat was ons steeds uitgelegd, als je niet meer dan twee vijven had. En ik was heel goed op weg. Die twee vijven waren gereserveerd voor Frans en Scheikunde. Alle andere vakken stond ik van ruim voldoende tot zeer goed. Dus wat kon me gebeuren? Pas tijdens het examen zelf begreep ik wat hij bedoelde, maar toen was het te laat. Mijn biologieleraar was Dr. J. Hofker. Hij gaf nooit een leerling minder dan een 8, zowel op proefwerken als op het rapport en ongetwijfeld ook bij het mondelinge eindexamen. Voor biologie bestond geen schriftelijk eindexamen. Er was alleen een mondeling eindexamen. Het eindcijfer voor biologie van het examen was het gemiddelde van het laatste rapportcijfer en het cijfer voor het mondelinge examen. Mijn laatste rapportcijfer voor biologie was een 9 (negen)!! Dus wat kon me gebeuren? Hofker had in een van zijn laatste lessen gezegd dat hij bij binnenkomst op het mondelinge eindexamen de kandidaat zou vragen met welk onderwerp je wilde beginnen. Met dat onderwerp was je vertrouwd, dus dat moest wel goed gaan. Daarna zou hij ook nog enkele vragen stellen over andere (biologie)onderwerpen. Net als ieder ander had ik me goed geprepareerd op het onderwerp waarmee ik zelf mocht beginnen. Maar direct na binnenkomst begon Hofker mij vragen te stellen over mieren. Ik wist nog net dat dat onderwerp wel in het boek stond, maar het was nooit in de klas behandeld en ik had het ook nooit gelezen. Ik lette immers altijd goed op bij elke les. Ik wist het antwoord niet en hij bleef daarna maar doorvragen over hetzelfde onderwerp: mieren. Over andere biologie-onderwerpen hebben wij het die twintig minuten niet gehad. Het resultaat was een 1 voor dit mondeling. En met een 9 op het laatste rapport had ik mijn derde vijf te pakken op mijn eindlijst (naast een vijf voor Frans en voor Scheikunde) en was ik gezakt. Na mijn biologie-examen heb ik aan medeleerlingen gevraagd of Hofker woord had gehouden, dat ze zelf het onderwerp mochten kiezen, waarmee ze het examen wilden beginnen. En dat was inderdaad bij iedereen gebeurd. Behalve dan bij mij. Aangezien ik al wist dat ik het laatste jaar van mijn moeder niet mocht overdoen, heb ik nog dezelfde dag de knop omgezet. Ik heb geen seconde zitten janken, niet me de haren uit het hoofd getrokken, ben niet gaan schelden en heb ook geen andere negatieve dingen gedaan. Ik ben nog dezelfde middag, 30 mei 1967, naar een uitzendbureau gestapt en was de volgende dag aan het werk. Wel heb ik me sindsdien afgevraagd of de heren Hiemstra en Hofker nou veel gelukkiger zijn geworden nadat ze mij hebben laten zakken. Wat bezielt een mens dan? Voor mij staat vast dat wie de regels die voor iedereen gelden eigenhandig verbuigt om eigen doelen na te streven, ten koste van anderen, een crimineel is. In dit geval waren het dus twee criminelen.

Ik ging nooit met tegenzin naar school. Ik had een batterij heel verschillende, maar heel goede leraren. De heer Krenning voor Duits, de heer Lamme voor Frans, mej. Hofman (spelling niet zeker) voor Scheikunde, de heer Nuis voor Aardrijkskunde, o.a. de heer Dek voor geschiedenis, stuk voor stuk kanjers. De heer van Bommel, een boom van een kerel, voor wiskunde, kon geen orde houden. Van de leraren voor Nederlands, Engels en Natuurkunde ben ik de namen kwijt. Blijkbaar hebben die niet genoeg indruk gemaakt.

3. Padvinderij.
Na het bijwonen van de Jamboree in Griekenland in 1963 ben ik nog ruim een jaar verkenner gebleven. Dat mocht nog tot en met je achttiende. Het was de tijd waarin ik diverse hikes (trektochten) heb gelopen, waarbij onderweg allerlei praktische opdrachten moesten worden uitgevoerd. Ook buiten de hikes moesten allerlei andere opdrachten worden uitgevoerd. Dat was vereist voor het insigne verkenner 1e klasse, daarna Kroonverkenner en de diverse koorden en snoeren die ik nog gehaald heb. Dat duurde nog tot de lente van 1965. Direct na de zomer van 1965 werd ik vervolgens AVL (Vaandrig, Assistent-Verkennersleider). Inmiddels was eerst eind 1963 vaandrig Mackenbach vervangen door vaandrig Jacobs. En kwam er een extra vaandrig bij: vaandrig Theunisse. Toen ik zelf vaandrig werd, stopte oubaas Kerner met het hopmanschap, maar hij bleef wel groepsleider en werd vaandrig Jacobs de nieuwe hopman, met mij als vaandrig. Daarnaast bleef ik jeugdlid bij de oudste leeftijdsgroep (18 – 23): de voortrekkers. Alle voortrekkers van een groep vormden samen de stam. Alle Haagse stammen deden bij toerbeurt kampwacht op Raaphorst in Wassenaar. Dan moest je erop letten dat de jongere gasten wel netjes kampeerden en geen rommel maakten of de bomen of planten niet vernielden. Een andere taak van voortrekkers was, het organiseren van het jaarlijkse bal. Er waren nog vier scoutingverenigingen: twee katholieke (jongens en meisjes) en twee protestantse/neutrale, ook apart voor jongens en meisjes. Ik werd voorzitter van alle Haagse protestantse/neutrale stammen, de HAVOSTA en later ook nog van de beide jongensverenigingen samen, de HAVORA. In die hoedanigheid was ik ook balleider van het jaarlijkse HAVORAbal, waarbij ook de beide meisjesverenigingen waren uitgenodigd. En dat terwijl ik geen stap kon dansen. De balopening organiseerde ik dan door daarvoor een prominente Hagenaar uit te nodigen.

Op 19 september 1964 werd het Van Pallandthuis aan de Brusselselaan 15 te Den Haag, geopend, waarvoor zowel de jongens- als de meisjesgroep onder de bezielende leiding van oubaas Kerner jarenlang had gespaard en allerlei acties voor hadden gevoerd. Dat ging gepaard met veel feest, muziek en toespraken, onder andere van de burgemeester van Den Haag, de Commissaris van de Koningin in de Provincie, de naamgever Baron van Pallandt en meerdere andere officieel genodigden. Ik was daar overigens zelf niet bij. Op dezelfde dag waren er namelijk districtwedstrijden voor verkenners, waar mijn patrouille en ik aan meededen. Een week later kwam ik zelf ook in het Van Pallandthuis en ontmoette daar voor het eerst de leiding van de groep voor gehandicapte meisjes. O.a. Wil Elskamp, Ria Wegner, Carin van de Craats, Anneke de Combe en Anneke Schenk.
De overgang van vaandrig Jacobs, naar het hopmanschap gaf allerlei veranderingen, waarvan ik toen niets begreep. Zo werden de hikes volledig afgeschaft, alsmede de droppings (bij donker een groep verkenners op een voor hen onbekend terrein droppen, met de opdracht om weer terug naar het kampeerterrein te komen.). Ook de weekends op Raaphorst werden vervangen door weekends in het Van Pallandthuis. Avondprogramma’s voornamelijk op de zaterdag, maar ook doordeweeks, vertoonden een grote grilligheid. Soms was de groep een hele periode bijzonder actief met weekends, meerdere avonden per week een activiteit, welke periodes werden afgewisseld met periodes waarin er (vrijwel) niets gebeurde. Het zou tot na 2010 duren voordat ik doorkreeg wat zich allemaal tegelijk met het padvinderijprogramma achter mijn rug om afspeelde, waarvan ik niets wist en dat het daglicht niet kon verdragen. De lezer moet dus geduld hebben totdat ik bij die periode kom, om ook te achterhalen wat er in deze tijd nog (veel) meer gebeurde.

4. Vakanties.
In de zomer van 1964 ging ik direct met vriend Gerard Laanen naar Slovenië, waar een relatie van zijn ouders woonde in Zidani Most. De brug over de Zidani. Ook in de jaren daarna ben ik – liftend – met Gerard op vakantie geweest, naar Istanbul en allerlei andere oorden. We zijn een keer met oud-leider Herman Wetselaar op vakantie naar het Lago d’Iseo gegaan in de auto van Herman. Kortom, doorgaans al liftend of met spotgoedkoop oost- en zuideuropees vervoer (trein, bus) begon ik Europa te verkennen. Met de verkenners zijn we in 1964 in Ootmarsum geweest, met mij nog als verkenner, in 1965 in Chaam, terwijl we in 1966 naar Kootwijk, bij Apeldoorn gingen. Het is het enige kamp geweest waar we halverwege de week wegens aanhoudende plensregens halverwege mee zijn gestopt en weer naar huis gingen, toen niemand meer een droge draad had. In 1966 ging ik met een andere vriend, Ernst de Groot, naar Zwitserland.

5. Vrienden en vriendinnen.
Ik trok vooral op met Gerard Laanen en minder met Rob van den Burgh, als medevoortrekkers. Ernst de Groot was een vriend, buiten padvinderij, met wie ik later de fotografiehobby gemeen had. Andre van der Visse was een klasgenoot van me, die om de hoek van mijn school in de Zonnebloemnstraat woonde en bij wie ik regelmatig over de vloer kwam, doorgaans ter voorbereiding op examenvakken. Het bijzondere was dat in mijn klas, behalve ik ook nog een andere leerling zakte voor het examen en dat was mijn vriend Andre van der Visse. Hij had verstandiger ouders dan ik , want hij mocht het wel overdoen en hij werd later dokter.
Met meisjes en vrouwen was alles nog volledig onveranderd. Een opmerkelijk feit deed zich voor. In mijn agenda van 1967, de eerste die ik kreeg en die ik eind 1966 heb ingevuld, staan 35 contactadressen met naam, adres en telefoonnummer. Van die 35 waren er slechts twee vrouwen: mijn moeder en Anneke, de vrouw van broer Jan. Het zoveelste teken dat ik van deze mensensoort nog helemaal niets wilde weten. Er was een meisje, een zekere Anneke Dekker, die vaak met me mee opliep, met har fiets aan de hand, van de Klaverstraat naar de bushalte op het Eiberplein. Zij woonde daar vlakbij. Ik vond haar vreselijk leuk, maar ik durfde absoluut geen afspraak met haar te maken, want ik had dan immers de zekerheid dat het toch weer op een teleurstelling zou uitlopen. Na – voor mijn gevoel – enkele maanden, gaf ze het op, toen ik steeds geen enkel initiatief naar haar toe had genomen. Al ruim twee jaar hadden we al medeleidsters van de meisjesgroep in het Van Pallandthuis en als HAVOSTA- en HAVORA-voorzitter had ik ook contacten met meisjes, al was het maar vanwege de bals. Maar van geen van hen had ik nog contactgegevens opgenomen. Dat zou later wel veranderen. Dat komt in een volgende periode aan de orde.

Hoofdstuk V, de periode mei 1967 – mei 1974.

1. De situatie thuis.
Op dezelfde dag dat ik bericht kreeg dat ik was gezakt, dinsdag 30 mei 1967, wetende dat ik het niet over mocht en kon doen, heb ik meteen de knop omgezet. Er moesten zo snel mogelijk twee dingen gebeuren. In de eerste plaats moest ik werk hebben en in de tweede plaats wilde ik zo snel mogelijk het huis uit en op kamers gaan. Degene die me dit had aangedaan, mijn moeder, mocht zeker niet van mij gaan profiteren. Om een kamer te kunnen betalen had ik uiteraard werk nodig. Ik ben diezelfde dinsdag uitzendbureaus in het centrum van Den Haag afgelopen. Bij Service Typing Office in de Lange Poten hadden ze werk voor mij en ik kon de volgende morgen al beginnen. Daarover straks meer. Vervolgens ben ik advertenties gaan zoeken en heb ik ze ook zelf geplaatst voor een kamer. Dat lukte per 31 juli, toen ik de sleutels kreeg van Groot Hertoginnelaan 268A te Den Haag, bij de oude mevrouw Van Dooremaal. Ik had een grote kamer voor mezelf en gebruik van haar keuken en badkamer/toilet. Ik ben er zo snel mogelijk in getrokken. De twee maanden tussen 31 mei en 31 juli, voelde ik mezelf al bijna als vertrokken. Ik was veel weg en moeder en ik gedoogden elkaar. Meer niet. De vrijheid die ik toen kreeg beviel me uitstekend. Wel maakte ik van mijn kamer vaak een enorme troep. Niet zozeer met voedsel, maar wel met kleren en papieren. Mevrouw Van Dooremaal was een schat van een mens. Ik mocht eigenlijk alles van haar, ook iedereen ontvangen, zolang ik maar niet onnodig lawaai maakte. En dat deed ik ook niet. Vanaf 4 september 1967 had ik er mijn eigen vaste telefoon. Ik heb er tot maart 1972 gewoond, toen mevrouw Van Dooremaal was gevallen en in het ziekenhuis was opgenomen, maar het daar uiteindelijk niet overleefde. Ik moest dus eind maart van die kamer af en heb na enkele weken in het Van Pallandthuis te hebben geslapen, op woensdag 7 juni 1972 de sleutels gekregen van een echt huurhuis, aan de Seringenstraat 81 te Maassluis. Een mooie, ruime en nieuwe flat op de vijfde etage. Intussen had ik in het voorjaar van 1971 mijn rijbewijs gehaald en had ik een auto gekocht, dus ik kon zelf mijn spullen naar de Seringenstraat brengen. Ik bleef verder de hele periode daar in Maassluis wonen.

2. Werk.
De dag nadat ik was gezakt voor mijn HBS-B, ben ik via uitzendbureau Service Typing Office, hoewel ik nog niet kon typen, gaan werken bij het Hoofdkantoor van de ANWB in Den Haag, op de Wassenaarseweg. Ik moest daar, in een zaal, samen met een tien- tot twintigtal andere jonge mensen, betalingsherinneringen versturen aan ANWB-leden die de contributie van 1967 nog niet hadden betaald. Met allemaal jong volk schetterden de hele dag alle tophits van die tijd door de luidsprekers. Dat is er zo keihard ingeramd, dat ik nog altijd de hits van die periode feilloos van alle andere hits onderscheid, zodra de muziek begint. Ik werkte er 7,75 uur per dag tegen fl. 25,81 bruto. Dat was dus fl. 3,31 per uur. Op of tegen zaterdag 17 juni stopte deze klus, maar vanaf maandag 19 juni had ik alweer de volgende klus: de Staatsdrukkerij- en Uitgeverij. Ik begon op de Afdeling Rendementen. Ik moest met een speciale lineaal in drukwerk opmeten in hoeveel tijd de zetter hoeveel letters had gezet. Zo kon je per persoon zijn productiviteit meten. Alleen gingen de geproduceerde staten in een kast achter de chef en niemand keek er meer naar om. Geen wonder dat deze afdeling dan ook spoedig weer werd opgeheven. De eerste week moest ik al overwerken, dus de zin van dit alles ontgaat me nog steeds. Na enkele weken werd ik – nog als uitzendkracht – overgeplaatst naar de Afdeling Post- en Archiefzaken. Mijn chef was een zekere heer Schalke en mijn belangrijkste collega’s waren Chiel Bouwman, Hans Esveld en John de Baan. Vanaf half september 1967 werd duidelijk dat ze me graag in eigen dienst wilden hebben en dat is dan ook per maandag 16 oktober 1967 gebeurd, tegen een salaris van fl. 412,– bruto per maand. Dat was de start van mijn ambtelijke loopbaan. Ik kreeg een functie op schaal 2 niveau, maar werd aangesteld in aanloopschaal 1. Na een jaar zou worden beoordeeld of ik wel schaal 2-niveau had en zo ja, dan zou ik daar dan toe bevorderd worden. Ik moest papier versnipperen, van archiefmateriaal dat eerst op microfilm was gezet. Die filmerij was state-of-the-art techniek. Bezoekers van over de hele wereld kwamen langs. Nadat de zaak versnipperd was, stopte ik de snippers in jute zakken en bracht ze naar het snipperhok, voor verdere verwerking. Na een jaar had ik dus mijn eerste beoordelingsgesprek met de heer Schalke. Zijn oordeel over mij was dat ik heel hard werkte, hetgeen ik bevestigde, maar dat mijn niveau bevordering naar schaal 2 niet rechtvaardigde. Dat was voor het eerst dat ik mij afvroeg hoe beoordelen op werk nou ging. Het was 100% zeker een fout oordeel. Wat zag hij dan dat ik totaal niet herkende? Wat hierna gebeurde bewees wel dat Schalke het totaal verkeerd had gezien. Een voordeel van werken bij een uitgeverij was dat je boeken uit de hele wereld kon kopen met collegiale uitgeverskorting. Kortingen konden oplopen tot 50%. Vanaf 1968 ging ik archiefcursussen volgen op Binnenlandse Zaken, waar de SDUB toen onder viel. Docent was een zekere heer Sieval van BiZa. Hij herkende mijn kwaliteiten wel, begreep niets van de weigering om me naar schaal 2 te bevorderen en introduceerde me bij de Rijks Psychologische Dienst (RPD), een ander BiZa-onderdeel. Gelukkig vertrouwde de directie van de RPD meer op de eigen testerij dan op iemands diploma. In de nabespreking van mijn psychologisch onderzoek met adjunct-directeur mej. drs. J.I.C.G. Prick, legde ze me uit dat ik met deze testresultaten elke universitaire studie van mijn keuze met gemak zou kunnen volgen. Waarom ik niet ben gaan studeren? Dat heb ik toen uitgelegd. Ze had maar één kanttekening bij het testresultaat, namelijk dat deze aangaf dat mijn stabiliteit onder de maat was. Ik had geen idee wat ze bedoelde, maar ik was natuurlijk wel erg blij dat ik verder zo’n goede test had gemaakt. Ik heb het er op dat moment bij gelaten.

Per 1 december 1969 werd ik benoemd tot Hoofd Algemene Zaken bij de RPD. In één keer in schaal 5. Met overslaan van de schalen 2, 3 en 4 dus. De RPD had toen iets meer dan 100 personeelsleden, en Algemene Zaken ging over post- en archiefzaken, personeelszaken, financiële zaken, de kantine, de schoonmaak en het directiesecretariaat. Bij elkaar minder dan tien medewerkers. Op alle onderdelen zaten uitstekende mensen, zodat ik er in de praktijk geen of nauwelijks omkijken naar had. Na een ruime inwerkperiode ging ik me in de praktijk vooral bezighouden met het commissiewerk van Directeur RPD, dr. F.J.E. Hogewind. Hij was lid van talloze zeer uiteenlopende landelijke commissies en besturen. Zoals de Raad voor de Arbeidsmarkt, de Nederlandse Politie Academie, Commissie Automatisering Rijksdienst, en nog een 35-tal andere. Ik zorgde dat hij tijdig alle stukken had als hij naar een vergadering moest, en geheel eigener beweging stopte ik er dan stukken bij die uit andere commissies kwamen of persartikelen die me voor de te bespreken onderwerpen relevant leken. Hij vertelde me regelmatig dat hij de best-geinformeerde vergaderingdeelnemer was. De verhoudingen met Hogewind bleven uitstekend, maar met adjunct Prick verzuurden ze.

Door tussenkomst van de heer Lefeber, mijn chef, werd ik op zaterdag 10 februari 1973 ontvangen door een mevrouw Crasborn privé op de Cralingenlaan 18 te Wassenaar. Zij was Hoofd Personeelszaken van de Rijks Geneeskundige Dienst (RGD). Een organisatie van ruim 400 medewerkers dus ongeveer vier keer zo groot als de RPD. We werden het erover eens dat ik bij de RGD zou kunnen beginnen als personeelsmedewerker op de Afdeling Personeelszaken van de RGD, in positie na haarzelf en haar plaatsvervanger Ton de Vos. Dit was dus mijn switch naar de specialisatie personeelszaken. Ik begon er op dinsdag 1 mei 1973. Mevrouw Crasborn heette me welkom en liep met mij door het hele gebouw heen om mij overal voor te stellen. In de loop van diezelfde middag meldde ze zich ziek. De volgende morgen, woensdag 2 mei 1973, meldde plaatsvervanger Ton de Vos, dat mevrouw Crasborn voorlopig niet meer terug zou komen en nam vervolgens haar kamer in beslag. Ik kreeg vervolgens zijn kamer, en werd ik de facto plaatsvervangend hoofd personeelszaken. Een promotie na een dag!! Zo snel had ik nog nooit promotie gemaakt en dat zou ook nooit meer gebeuren. Mevrouw Crasborn heb ik verder niet meer teruggezien. Consequentie van die verschuiving was, dat ik meteen ook verantwoordelijk werd voor de zogenaamde Zware Mobiele Groep. Dat was een groep van ongeveer 20 medewerkers, ongeveer evenveel mannen als vrouwen, die overal in het land bij ziekte of vakantie van medewerkers op de decentrale kantoren invielen. Deze Zware Mobiele Groep had ook een direct leidinggevende: Coen van der Zalm. Het is de persoon met wie ik daar vaak en jarenlang onbedaarlijk heb gelachen. Zo onbedaarlijk dat de kaken zeer deden en de buik ook. Dat je niet meer op een stoel kon blijven zitten. Coen is enige jaren terug overleden. Doordat ze – vaak heel onverwacht, want ziek worden gebeurt doorgaans plots – steeds door het hele land ook op ver van elkaar gelegen plaatsen moesten kunnen invallen, van Groningen tot Maastricht en van Den Helder tot Middelburg, waren doordeweekse privé-avondafspraken voor deze mensen niet goed mogelijk. Bijna allemaal waren ze dan ook vrijgezel en ze gingen na een aantal jaren zich dan ergens settelen op een vaste plek. Ik had zelf ook een landelijke verantwoordelijkheid, dus op mijn reizen door het land kwam ik ook vaak mijn eigen medewerkers tegen, maar in de avonduren gingen we nog ieder naar het eigen hotel of naar huis. In deze periode gebeurde er dan met mij en anderen helemaal niets.

3. Padvinderij.
De situatie van de vorige periode werd aanvankelijk voortgezet, met heel onregelmatig zeer drukke periodes met de verkenners, afgewisseld met periodes waarin er niets gebeurde dan alleen de zaterdagmiddagopkomsten en het zomerkamp. Er waren nog steeds nooit droppings of hikes. Afspraken met Peter Jacobs gingen heel vaak niet door. Ook de daarvoor vervangende afspraken gingen vaak niet door. Bijna altijd zonder dat we van hem een bericht van verhindering kregen. Hij bestond het zelfs om af en toe zonder bericht niet te verschijnen op de gebruikelijke zaterdagmiddagen. Dan stond ik er alleen voor, zonder dat we dan een programma hadden, want dan was de voorafgaande programmabespreking ook al niet doorgegaan. In de zomerkampen, waarbij welpen en verkenners doorgaans dicht bij elkaar in de buurt verbleven, was het gebruikelijk dat jonge leiding op een avond een avondwandeling met elkaar maakte. Daar gebeurde waar ik bij was nooit iets bijzonders. De Kerners hadden daar steeds moeite mee, want zelfs als de kinderen sliepen bleef je in hun ogen verantwoordelijk. Er bleef altijd iemand met een auto achter, dus wij zagen dat probleem niet. Elk jaar in het najaar was er voor alle leiding van al deze groepen in heel Nederland een leidersweekend. Daar waren geen kinderen bij, dus hier kon jonge leiding wel na het programma gaan wandelen. In augustus 1968 werd Carin van de Craats, toen leidster bij de meisjes, die ik al vanaf september 1964 kende, mijn vriendin. Er gebeurde overigens nog helemaal niets tussen ons. Ik heb nog een foto van augustus 1968 waarop ik met haar familie uit ben in de Sprielderbossen bij Elspeet. In 1968 was het landelijke leid(st)ersweekend van 5 op 6 oktober te Vught. Bij aankomst had ik al met Carin en een andere jonge leidster, Anneke de Combe, afgesproken om na afloop van het avondprogramma, circa 21.30 uur, nog een avondwandeling te gaan maken. Dat was akkoord met beide meiden. Wie zich bij het vertrek nog wilde aansluiten kon dat uiteraard doen. Verzamelen na afloop van het avondprogramma bij het toegangshek van het terrein. Toen na het diner om half acht het avondprogramma begon, waren Carin, Anneke en de getrouwde hopman Peter Jacobs echter niet present. Oubaas Kerner die permanent telde of iedereen er wel was, had meteen door dat er drie weg waren en vroeg aan mij en anderen of we wisten waar zij waren. Wij wisten het geen van allen. Ze zijn alle drie niet meer bij het avondprogramma gekomen. Na afloop daarvan ben ik, zoals was afgesproken, naar het toegangshek gelopen, en heb daar letterlijk uren staan wachten, maar Carin noch Anneke kwamen opdagen. Ik ben naar bed gegaan in de herenslaapzaal, maar het naast mij opgestelde bed van Peter Jacobs was leeg en hij zou ook de hele nacht niet terugkomen. Ik heb de hele nacht in bed liggen huilen en heb geen minuut geslapen. Het was de zoveelste keer dat ik grof was bedrogen door twee vrouwen. Die lui zijn dus echt niet te vertrouwen. Na de gebeurtenissen met Anita en Ronnie had ik eindelijk weer eens de moed opgebracht om een afspraak te maken en dan gebeurde dit. Het heeft zelfs tot medio maart 1969 geduurd, voordat ik eindelijk weer eens goed sliep en zonder eerst alcohol te gebruiken. De volgende morgen te Vught was ik als eerste in de ontbijtzaal, maar daar stonden toen Carin, Anneke en Peter al met elkaar te praten. Ik heb ze niets gevraagd en anderen ook niet. De relatie met Carin bleef wel aan. Voorlopig dan. Op zaterdag 26 oktober 1968 maakte ze onze relatie uit, zonder opgave van reden. Het zou overigens nog drie keer aangaan tussen ons en ook weer drie keer uit, alle keren op initiatief van Carin, voor het laatst in februari 1974. Eind 1968 kwamen twee extra assistent-leiders de troep versterken: de latere fysiotherapeut Paul Oomen, met wie ik nog altijd bevriend ben en de latere revalidatie-arts Wilbert Nieuwstraten, die al weer jaren geleden veel te vroeg is overleden. Paul en Wilbert waren allebei doorgewinterde en ervaren padvinders, waar de groep en de jongens veel plezier aan hebben beleefd. De afwisselingen tussen heel drukke en actieve perioden met perioden dat de verkenners bijna niets deden bleef. Het voortdurend zonder bericht wegblijven van Peter op gemaakte afspraken bleef ook. In het vroege najaar van 1970 was voor ons, Paul, Wilbert en mij de maat vol. We wilden van Peter af. Het voortdurend weigeren om hikes of droppings te doen, zijn vele afwezigheden en zijn weigering om met de jongens een keer naar het buitenland te gaan hebben ertoe geleid dat hij zijn congé kreeg. Eind 1970/begin 1971 werd ik zijn opvolger als hopman en had ik twee assistenten: Wilbert en Paul. In 1971 gingen we al met de troep naar Engeland en Schotland en hadden we van Peter Jacobs geen last meer. Vanaf 1 januari 1974 werd ik zelfs, na het vertrek van oubaas Kerner, groepsvoorzitter, dus de ‘hoogste’ leidinggevende over alle zes onderdelen van meisjes en jongens. Opvallend was dat vanaf maart 1969 veel jonge leidsters van de groep verdwenen. Voor de welpen bleef er bijna geen leiding over, waardoor in het zomerkamp een beroep werd gedaan op Carin en een zekere Rob Rapmund, een neef van Peter Jacobs. Pas vanaf 2011 en daarna begon – door een bijzondere aanleiding – tot mij door te dringen wat er in de periode 1963 – 1975 allemaal achter onze ruggen om gebeurde en waarom Carin het tot vier keer toe met me aan- en weer uitmaakte. En wat ik toen achterhaalde was niet gering. Dus tegen die tijd kom ik nog een keer op deze zelfde gebeurtenissen uit mijn padvindersperiode terug.

4. Vakanties.
In 1967 ben ik hoogstwaarschijnlijk niet met vakantie geweest. Ik had op 31 juli de sleutels van mijn kamer gekregen en heb de vakantietijd gebruikt om mijn kamer op te knappen, in te richten, te verhuizen en dergelijke. Ook in 1968 heb ik geen eigen vakantie genoteerd. Doorgaans ging ik die jaren al dan niet alleen op de bonnefooi weg. Zonder dat we dat lang tevoren hadden afgesproken. Dat verklaart dat ze nogal eens niet in mijn agenda’s voorkomen. In het voorjaar van 1969 ben ik samen met vriend Gerard Laanen een vrij groot aantal weekends naar Kopenhagen getrokken. Gerard had inmiddels zijn rijbewijs en een DAFje en elke vrijdag gingen we dan samen, meteen na het werk, naar Kopenhagen, waar we dan ruim na middernacht aankwamen. We gingen dan linea recta naar verschillende bars, de Piccadilly Bar en Brittania’s Inn, waar we optraden met het zingen van Ierse volksmuziek. Het trok veel publiek en het was er beregezellig. Zondagmiddag of -avond vertrokken we dan weer naar huis. Gerard sloeg op deze reizen wel een meisje aan de haak: Gitte Larsen. Maar ik was daar opnieuw totaal niet mee bezig. In 1970 ben ik met vriend Ernst de Groot op vakantie naar Zwitserland geweest. We sliepen dan in het Parkhotel in Interlaken, zo lieten we thuis weten. In werkelijkheid stond in Interlaken in het park een soort abri, waar we beiden de nacht doorbrachten. Pal voor onze neus stond ook nog een fonteintje water te spuiten, dus wij hadden alles bij de hand wat we nodig achtten. Tot het moment dat ik in groter gezelschap verkeerde en vertelde van het Parkhotel te Interlaken en een van de gasten spontaan riep: maar in Interlaken is er helemaal geen Parkhotel. Dus mijn verhaal kon niet kloppen. Jammer dan. Door de mand gevallen. In 1971 was er dan de eerste buitenlandse reis met de verkenners naar Engeland en Schotland: een groot succes. Na afloop hiervan ben ik voor het eerst met eigen auto naar Spanje en Portugal gegaan. Ik heb niet genoteerd en ik herinner me ook niet goed wie er toen bij me was. Wellicht Paul Oomen al. In 1972 was het zomerkamp in Schoonloo. Een eigen vakantiebestemming heb ik niet genoteerd, maar ik ben zonder twijfel weggeweest. In 1973 hadden we dan een zomerkamp met de troep in Zuid-Frankrijk. Overnachtingen in Orléans, Clermont-Ferrand en eindbestemming Nîmes. Terug Chambéry en Offenbach. Ook voor dit jaar heb ik geen eigen vakantie genoteerd.

5. Vrienden en vriendinnen.
In mijn agenda van het jaar 1967 stonden maar twee vrouwen tegenover 35 mannen. Die twee vrouwen waren mijn moeder en mijn schoonzus Anneke. In mijn agenda 1968, die ik vanaf eind 1967 geleidelijk heb ingevuld, stonden opeens zeven vrouwen. Dat verschil tussen 1967 en 1968 valt me nu pas op. Toen had ik dat verschil niet door. De vijf anderen waren overigens allemaal leidsters bij de padvindersgroep. Blijkbaar raakte ik in de loop van 1968 weer ontvankelijk voor het andere geslacht. Daar werd op 5 oktober 1968 vervolgens hardhandig een eind aan gemaakt.
Van de vrienden noem ik Gerard Laanen, Ernst de Groot, Paul Oomen, Wilbert Nieuwstraten; ook met collega’s Chiel Bouwman en Hans Esveld trok ik af en toe op. Bij latere ex-collega John de Baan en zijn vrouw Jos en hun dochtertjes in ’s Gravendeel was ik regelmatig op bezoek. We probeerden, uiteindelijk zonder veel succes staatsexamen HBS-B voor te bereiden; de maaltijden waren er altijd ruim bemeten. Hoewel ik met Carin vanaf augustus 1968 met vier keer aan en uit bevriend was, gebeurde er tussen ons nog helemaal niets. Ik kan toen onmogelijk een spannende man geweest zijn. Dat duurde tot mei 1974. Hoe het precies kwam weet ik niet meer, maar plots was mijn weerzin over en lag ik met Leidy, onze toenmalige afdelingssecretaresse in bed. Zij is helaas al veel jaren geleden overleden, naar ik mij heb laten vertellen. Zij heeft mij ontmaagd. Ik was 27 en een half jaar oud, voordat ik mijn eerste relatie-ervaring had. En Leidy heeft blijkbaar ook mij open gekregen voor mijn omgeving. Vanaf dit moment ging het ineens hard. Ik had dan ook heel wat in te halen. Er kwam een schier eindeloze reeks afspraken met vrouwen door het hele land. Daar was Carin ook nog bij. Ik weet nog goed dat ik maar zelden het initiatief nam, of ik moest wel heel zeker weten dat mijn vraag in goede aarde zou vallen. Ik stond ineens vanaf mei 1974 voor afspraken met vrouwen open. Dat straalde ik blijkbaar uit. Daarover volgt meer in de volgende episode.

6. Allerhande.
Op zondag 12 maart 1967 bezocht ik met de stam, mijn eerste Mattheus Passion, ik meen in de Grote Kerk in Den Haag. Uiteraard was dat onder aanvoering van Kerner. Ik vond het een bezoeking. Er kwam geen eind aan. Nou zat en zit ik ook niet lekker op die houten kerkbankjes. In latere jaren ging ik steeds weer, en al jaren volg ik het alleen op de tv. Maar ik volg het wel. Ik vind het nu de mooiste muziek die er is. Op woensdag 7 juli 1965 trouwde te Wassenaar broer Jan met Anneke Butterman. Daar was ik uiteraard bij. Broer Arie trouwde op dinsdag 9 april 1968 te Leiden met Joke Wassenaar. Ook daar was ik bij. Vanaf mijn RPD-tijd bezocht ik elk huwelijk van een medewerk(st)er. En bij voorkeur in de kerk, omdat ik ervan uitging dat wie in de kerk trouwde dat het belangrijkste deel van de huwelijkssluiting vond. Met hobby’s was ik nog druk aan het fotograferen en zong ik in het koor. In juni 1971 haalde ik mijn rijbewijs en binnen enkele weken kocht ik mijn eerste auto: een Ford Taunus. Weer veertien dagen later ging ik met die auto en een busje met de jongens naar Engeland en Schotland. In 1972 heb ik met zowel Arie als Jan nog afspraken; de meeste met Arie. Vanaf 1973 zie ik ze niet meer staan, maar ze moeten er nog wel geweest zijn. Ik heb Arie met zijn gezin nog meerdere malen naar hun vakantie-adres gebracht en weer opgehaald en thuisgebracht.

Hoofdstuk VI, de periode mei 1974 – november 1978.

1. Mijn situatie thuis.
De gehele periode woonde ik op het adres Seringenstraat 81 te Maassluis. Op 15 juni 1974 haal ik Arie met zijn gezin nog op uit bungalowbedrijf de Tipmast te Bladel en bracht ze thuis. In januari 1975 verdween oubaas Kerner, mijn grote levensbeïnvloeder, van de groep en werd ik zelf groepsvoorzitter van de inmiddels omgedoopte Wegelaergroep, voor alle onderdelen, jongens en meisjes. Vanaf 20 september 1975 woonde ik in Maassluis samen met Hilde-Mieke Gielen, die ik al vanaf het voorjaar van 1971 kende en met wie ik al in 1974 samen op vakantie was geweest. Begin januari 1976 maakten we het weer uit en gingen we ook echt uit elkaar. Later gingen we toch weer samenwonen en dat eindigde definitief in een volgende periode. Ik werkte ook de gehele periode bij de RGD.

2. Werk.
De gehele periode bleef ik werkzaam bij de RGD. Om vele redenen was dit mijn meest plezierige werkkring. Ging elke dag fluitend naar het werk, hoewel ik bij vrijwel geen andere werkkring met tegenzin ben gegaan. Daar was één uitzondering op in de volgende periode. De functie bleef jarenlang gelijk: plv. hoofd Personeelszaken. Op zekere dag wilde Ton de Vos, mijn baas, zich terugtrekken en vroeg overplaatsing naar Groningen aan, hetgeen ook werd toegestaan. Daardoor werd ik tijdelijk Hoofd PZ. Een groot deel van het werk bestond uit het voortdurend bemensen van steeds meer kantoren in het land. Veel werving en selectie dus, maar behalve dat ‘het’ moest lachen, ging dat nog niet erg systematisch. Uitspraak Leidy, toen ik een jongedame zeer geschikt vond was: ‘Ja, ja, als het maar lacht hè?’ De grote truc geleerd van dokter Wijnveldt jr. om te letten op schoenen van vrouwen, of ze wel passen bij de rest van de kleding. Zo niet, dan waren ze milder en oppervlakkiger in de contacten, maar minder geschikt om naast een collega te werken die juist wel bloedserieus was. Dat werkte inderdaad meerdere keren op frappante wijze. Aan het eind van mijn RGD-tijd werd toch een nieuw Hoofd PZ aangesteld: Gerard Bergen Henegouwen. Vriend en vijand waren het er over eens dat dit niet het beste Hoofd PZ was, dat de RGD ooit had.

3. Padvinderij.
Zoals ook al elders staat werd ik per 1 januari 1975 groepsvoorzitter van de Wegelaergroep, als opvolger van de roemruchte Kerner. Paul Oomen werd in mijn plaats hopman. Ik had vanaf dat moment geen eigen onderdeel meer en besteedde mijn padvinderstijd om anderen te ondersteunen en van ideeën te voorzien. Bij toerbeurt bezocht ik de verschillende onderdelen, liefst op kampjes. Een jaar later werd Hilde-Mieke akela (jongste jongens) als opvolger van akela Kerner. Raspadvinder Paul Oomen werd na een jaar of twee vervangen door nooit-padvinder-geweest Hendrik van Raay, die met veel energie en enthousiasme aan de slag ging. Toen in het voorjaar van 1978 Hendrik van plan was zonder reservechauffeur en met weinig leiding opnieuw naar Engeland te gaan, achtte ik dat onverantwoord. Twee auto’s en drie chauffeurs was naar mijn mening wel het minste. Dat leidde tot een conflict. Uiteindelijk vertrok ik van de groep, het aan de districtsleiding overlatend of en hoe de groep naar Engeland ging. Uiteindelijk bleek dat ze naar Engeland zijn gegaan, met twee onderdelen en een overmaat aan chauffeurs en leiding. Zelfs met meer dan wat mijn minimum was. Herfst 1978 was mijn padvinderstijd ten einde. Een tijd waarin ik veel geleerd heb, over vele gebieden en onderwerpen, waaronder leiding geven, koken en kaart en kompasgebruik.

4. Vakanties.
Van 23 juli tot 6 augustus 1974 ging ik samen met Hilde-Mieke met vakantie via Duitsland en Zwitserland naar Zuid-Frankrijk en een kort uitstapje naar Spanje, Isobol. Ook in 1975 ging ik met Hilde-Mieke naar Frankrijk, Normandië. In 1976 ging ik met Gerard Laanen met de auto op reis door de Sovjet-Unie. Dat was onze tweede reis door de Sovjet-Unie. Een gedenkwaardige tocht. Via Hongarije, Roemenië, Odessa, Charkov, Kursk, Moskou, Smolensk, Minsk, Polen en Berlijn. In 1977 heb ik niet opgetekend waar de vakantie heenging. In 1978 ben ik wederom naar Engeland en Schotland geweest.

5. Vrienden en vriendinnen.
Vrienden met wie ik (on)regelmatig ben omgegaan waren Gerard Laanen, Paul Oomen, Wilbert Nieuwstraten, John de Baan. Hoewel ik al jaren weg was van de SDUB, ging ik ook nog regelmatig om met oud-collega’s Hans Esveld en Chiel Bouwman. Deze periode stond natuurlijk vooral in het kader van de ontdekking van het verschijnsel ‘vrouw’. Daar begon ik vrij plots mee in mei 1974, en ik heb in de loop van de daarop volgende jaren, met grote gaten er ook tussen, als ik samenwoonde met Hilde-Mieke, met tientallen vrouwen afspraken gehad. Soms was het een kop koffie of een etentje, soms ging het om ‘iets’ meer. Hilde-Mieke is in feite de enige vrouw in mijn leven geweest met wie ik een langdurige relatie heb gehad, die altijd eerlijk tegen me is geweest. We troffen elkaar in een Sturm-und-Drang-periode van mijn leven. Zij was helaas erg jaloers, zodat ik vaak niet kon of wilde uitleggen, waar ik op welk moment was en met wie. Dat leidde er tot twee keer toe, dat we het samen uitmaakten. Met Carin van de Craats heb ik nooit samengewoond. Ze maakte het tussen 1968 en 1975 bij elkaar vier keer aan en uit met mij. De verklaring daarvoor kon ik pas in en na 2011 achterhalen. In februari 1975 hadden wij onze laatste afspraak bij haar thuis. Ze zou zelf het initiatief nemen voor de volgende afspraak, maar dat heeft ze niet meer gedaan. Aangezien ik het heel erg druk had, heb ik het toen zo gelaten. In september of oktober 1975 ging zij van de groep. Met de andere afspraakjes die ik had kon het per persoon om een enkele keer gaan, of om meerdere keren na elkaar met totaal verschillende inhoud. In december 1977 kwam er in het Van Pallandthuis een nieuwe (adspirant)welpenleidster, die luisterde naar de naam Marianne de Kemp. Aangezien het een zaterdag was, komen 24 december en 31 december niet in aanmerking, omdat we op dat soort dagen doorgaans geen opkomst hadden. Dus ik veronderstel dat het om zaterdag 17 december 1977 moet zijn gegaan. Ik zag haar wel direct zitten, maar ze keurde mij aanvankelijk geen enkele blik waardig. Toch ontstond er in de tweede helft van het voorjaar van 1978, of begin zomer 1978 een relatie tussen ons. Ook deze relatie heeft daarna allerlei fases gekend, dat het weer aan en weer uit ging, steeds op haar initiatief. Dat is iets voor de volgende periode.

6. Allerhande.
Mijn eerste auto was in juli 1971 een tweedehands donkergroene Ford Taunus met kenteken 27-96-PK. Eind maart 1974 ruilde ik hem in voor een nieuwe Ford Taunus, die kanariegeel was en een zwart dak had, met kenteken 88-BE-79. Ik ging nog op ongeregelde tijdstippen bij mijn moeder in Zoetermeer langs voor een maaltijd. In het begin van de periode staan er nog meerdere afspraken met Arie en Jan in mijn agenda, maar in de tweede helft van deze periode ontbreken afspraken met hen. De agenda heb ik toen overigens sowieso slecht bijgehouden, dus het is nog maar de vraag of ik ze niet meer zag. Waarschijnlijk toch nog wel.

Hoofdstuk VII, de periode november 1978 – maart 1982.

1. De situatie thuis.
In de zomer van 1979 verhuisde ik van de Seringenstraat 81, Maassluis naar Grutto 19 te Bodegraven. Ik woonde overigens prima in Maassluis, maar voor reizen door het hele land was uitvalsbasis Bodegraven toch een stuk beter dan vanuit Maassluis. Bijna alle kantoren waren dichterbij Bodegraven dan bij Maassluis. Dat scheelde makkelijk een tot twee uur reistijd per dag. Bovendien was Maassluis nog een huurhuis en Bodegraven werd een koophuis. Bezitsvorming, je weet wel. Ik heb in dit huis met Hilde-Mieke samengewoond, die in Kamerik werkte, maar dat betrof niet de gehele periode. Die was dus ook een stuk dichter bij haar werk. Maar ik woonde er dus ook een periode alleen, toen we een periode een proefscheiding hadden. De precieze periode kan ik niet meer reconstrueren. Met Arie en Jan waren de contacten intussen verbroken. Niet omdat we ergens ruzie over gehad hadden, maar zo ging het. Bij moeder kwam ik nog wel af en toe en ik hoorde dan allerlei rare verhalen over mijn broers van haar.

2. Werk.
Eerst werkte ik nog bij de RGD. Ik realiseerde me dat ik niet te lang bij deze werkgever moest blijven, want dat het dan steeds lastiger zou worden om nog ergens anders te gaan beginnen. De RGD was daarbij te klein om me een mooi vervolg van mijn carrière bij voor te stellen, temeer omdat ik geen arts was. Dus, hoewel ik het in vrijwel alle opzichten reuze naar mijn zin had bij de RGD, ben ik bewust gaan solliciteren, hetgeen ik tot dan toe nog helemaal niet gedaan had. Vanaf 26 maart 1980 ben ik bij het Gemeenteziekenhuis Schiedam begonnen als hoofd pz. De sollicitatie was problematisch. Het Gemeenteziekenhuis Schiedam was al in fusiegesprek met het vlakbij gelegen Noletziekenhuis Schiedam. Al tijdens de sollicitatie liet men weten dat er na de fusie uiteraard ook één afdeling personeelszaken zou komen, die ook maar één Hoofd Personeelszaken nodig zou hebben. Dat kon al na een aantal maanden het geval zijn. Het hoofd PZ van het Nolet zat al een jaar of acht op zijn functie en ik zou als de keuze moest vallen hooguit een half jaar hoofd pz zijn. In theorie kon ik het dan nog wel worden, maar de kans was toch vrij aanzienlijk dat het andere hoofd pz dan het nieuwe hoofd pz van het gefuseerde ziekenhuis zou worden. Daar had ik geen probleem mee. Mijn stelling was dat bij zo’n fusieproces op elk hoofd pz van beide ziekenhuizen een zware druk terecht zou komen. Meestal bezwijkt een hoofd pz daaronder en dat ben ik dan niet. Als het andere hoofd pz tijdens de fusie niet bezwijkt, dan moet het wel een hele goeie zijn. En ik kan dan geen bezwaar hebben om onder hem te gaan werken. In het andere geval word ik het hoofd pz van het gefuseerde ziekenhuis. En die laatste variant is het inderdaad geworden. Na een aantal maanden in dienst bezweek het andere hoofd personeelszaken onder de druk en werd ik dus het Hoofd Personeelszaken van het gefuseerde ziekenhuis, het Schielandziekenhuis, met ongeveer 1000 personeelsleden. Later, na mijn vertrek, fuseerde het Schielandziekenhuis op zijn beurt weer met het Holyziekenhuis in Vlaardingen en dat werd het Vlietlandziekenhuis, en dat is het nog tot op de dag van vandaag. Voordat ik in dienst trad gebeurde er nog iets opmerkelijks. Ik moest psychologisch worden getest door het psychologisch adviesbureau van de gemeente Rotterdam. In het nagesprek met de Rotterdamse psycholoog, een zeker drs Mey, vertelde hij begin 1980, dat het met mijn intelligentie en alle andere eigenschappen over de hele linie wel goed zat, met uitzondering van de stabiliteit: die liet duidelijk te wensen over. Dat was dus precies hetzelfde wat mej. Prick van de RPD had gezegd. Maar deze keer liet ik het er niet bij zitten. Ik herkende dat absoluut niet. Het was wel duidelijk dat ik sommige tests niet zo goed of zelfs heel slecht had gedaan, maar ze trokken daaruit volgens mij de verkeerde conclusie. Met mijn stabiliteit was en is niks mis. Ik bleek de kubustest niet goed te hebben gedaan, waarbij je met telkens andere vlakken van eenzelfde kubus in ’t zicht, moest vaststellen wat er stond op een vlak van de laatste kubus. Dan moet je die kubus als het ware telkens in je hoofd net zolang kantelen totdat je hem helemaal hebt. Een tweede test die ik niet goed deed, ook al bij de RPD, ging om cartoons. Dan kreeg je vier plaatjes naast elkaar waarop van alles gebeurde en die moest je dan in de juiste volgorde zetten. Uit de slechte scores van mij op die twee tests trok men de conclusie dat mijn stabiliteit onvoldoende was (????). Na flink daarover door te hebben gepraat met de psycholoog bleek inderdaad dat ze de verkeerde conclusie getrokken hadden. Wat ik namelijk wel herken is, dat ik een slechte spontane waarneming heb. Ik neem gewoon niet waar wat er voor mijn neus gebeurt. Zoals moeder reeds zei: zoekt naar het paard en zit erop. Let wel: het gaat om ‘spontane waarneming’. Als ik echt iets zoek zie ik juist veel meer dan alle andere waarnemers, maar zaken die niet gaan over wat ik zoek, kan ik ook veel beter negeren dan anderen. Zo concentreer ik me beter dan de meeste andere mensen op waar het werkelijk over gaat. Na een tijdje kregen we voor het ziekenhuis een nieuwe Algemeen Directeur, een zekere heer Zonneveld of Sonneveld. Hij was afkomstig van OGEM, een conglomeraat van bedrijven dat failliet was gegaan door veel te grote schulden te maken en vervolgens wanbeheer te plegen, met de te megalomane projecten van de directie, waaronder Z/Sonneveld. Tijdens mijn hele loopbaan ben ik nog nooit zo’n koude kikker tegengekomen. Dat paste wellicht wel goed bij zo’n fusie, want de directie moest natuurlijk tal van impopulaire beslissingen nemen. Ik betwijfel echter of de man wel emoties had. Ik kon in elk geval totaal niet met hem overweg. Gevolg was dat ik al na een jaar of twee weer ging solliciteren, en al na korte tijd door zowel Ahold, (Hoofd PZ regio noordoost), met een auto van de zaak naar mijn smaak als ik vond dat ik die met mijn been nodig had, de Open Universiteit (Hoofd PZ) in Heerlen met een promotie van vier schalen tegelijk, van 11 naar 15, en de PTT met slechts één periodiek extra ten opzichte van wat ik bij het ziekenhuis verdiende. De functie-inhoud bij de PTT was mij daarbij totaal duister, ‘medewerker centrale afdeling personeelsvoorziening en loopbaanontwikkeling’ op de Centrale Directie van de PTT in de Zeestraat Den Haag. Ik koos voor de PTT. Bij zowel Ahold als de Open Universiteit had ik namelijk geen idee wie mijn baas zou worden. Toch moest ik het met die man of vrouw doen. Bovendien wilde ik een stap zetten met meer toekomstperspectief. Als het niet goed ging tussen die persoon en mij dan moest ik weer snel vertrekken en dat was zeker niet goed voor mijn loopbaan. Bij de PTT wist ik ook niet wie mijn baas zou worden, maar werkzaam op een centrale afdeling en met zicht op het hele bedrijf, dat wist ik dan nog wel, moest het wel gek gaan als ik niet een bovenbaas zou tegenkomen die me wel lag en wederzijds. En zo is het inderdaad gegaan. Over die periode gaat het volgende hoofdstuk.

3. Vakanties.
Midden in de zomer van 1979 verhuisde ik van Maassluis naar Bodegraven en heb ik geen aantekening van een vakantiebestemming. Ik veronderstel dat ik dat jaar de vakantie aan mijn herinrichting en verhuizing heb besteed. Ook in 1981 bleef de vakantiebestemming onbekend. Van de vakantie van 1982 weet ik slechts dat hij van 1 tot en met 19 augustus duurde, maar waarheen het ging is onbekend.

4. Vrienden en vriendinnen.
De agenda is in deze periode slecht bijgehouden. Ik zou maandenlang geen afspraak hebben gemaakt. Vrienden komen er ook niet in voor, zelfs niet in het adressenbestand. Blijkbaar was ik daar in de praktijk, na mijn padvinderijtijd mee gestopt. Ik woonde er samen met Hilde-Mieke, maar ik heb er ook een periode alleen gewoond. In mijn agenda stonden de namen van Els Hueber, die ik bij het Schielandziekenhuis had aangenomen, met wie ik ook enkele keren uit eten ben geweest en die tegenwoordig (2016) Facebookvriend is. Marjolein Jellema, thans te Canada, Marianne de Kemp, mijn latere vrouw, Tonnie van Mulken uit Maastricht, Ellen Smelik, die later mijn getuige bij mijn huwelijk was, Joke de Mos, ex RGD-collega, met wie ik af en toe op bezoek ging om zakelijke redenen, Marion Wouda, Margot de Smet en Jeannette van Spaandonk, ex-collega’s bij PZ van de RGD. Marja de Raadt uit Voorburg. Dit zijn de agendacontacten plus mijn geheugen. Of ik werkelijk met ze heb afgesproken, wanneer en hoe vaak is niet vermeld. Vanaf augustus 1979 woonde Marianne de Kemp in de zusterflat van het Leyenburgziekenhuis en bezocht ik haar daar af en toe, maar het was ook een lange periode helemaal uit tussen ons, toen ze een relatie kreeg met een chirurg uit dat ziekenhuis.

5. Politiek.
In mijn nadagen te Maassluis was ik al even actief bij de steunfractie van de gemeenteraadsfractie van D66 Maassluis. Op 14 juni 1979, dat was dus zes weken voor mijn verhuizing naar Maassluis werd ik lid van D66. Bij aankomst in Bodegraven bleek dezelfde dag al dat mijn buurman bij IBM werkte en bovendien actief D66-er was. Zijn naam schiet me nog wel een keer te binnen. Zijn dochtertje heette Mariska en was later vriendinnetje van Charlotte. Ik werd lid van de steunfractie van de eenpersoonsfractie van D66 in Bodegraven. Dat ene lid was Rob Stoutjesdijk, vlieger bij de KLM. Na enige tijd werd ik afdelingsvoorzitter van D66 Bodegraven met circa 35 leden. Op 14 januari 1982 werd ik door de Algemene Ledenvergadering van D66 Bodegraven, op de tweede plaats op de lijst gezet, na lijsttrekker Rob Stoutjesdijk. We verwachtten niet dat we in het overwegend zeer christelijke Bodegraven en tweede zetel zouden krijgen, maar ik werd zo wel zijn eerste vervanger als Rob uit Bodegraven zou vertrekken.

6. Allerhande.
In april 1979 ruilde ik de knalgele Ford Taunus in voor een nieuwe Ford Taunus, die knaloranje was, met kenteken 85 – VR – 44. Op woensdag 18 februari 1981 woonde ik mijn eerste promotie bij van Hans, de broer van Hilde-Mieke, in Leiden. Er zouden er nog vele volgen. Eind 1981 zat ik nog altijd op mijn koor. Ik had een mooi en zeer druk bezocht afscheid van de Schiedamse ziekenhuizen op vrijdag 26 februari 1981. Na de receptie vertrok ik om 17.30 uur naar de parkeerplaats met handen vol cadeaus en ging in mijn auto zitten. Meteen brak ik in een langdurig en onbedaarlijk snikken uit. Ik ben nog nooit zo blij geweest dat ik een werkkring verliet. En toch moest ik onbedaarlijk snikken. Ik kan gewoon emotioneel niet tegen afscheid nemen. Zelfs niet als ik blij ben dat ik ergens vanaf ben.

Hoofdstuk VIII periode van 1 maart 1982 (mijn start bij de PTT) tot augustus 1985 (begin van mijn huwelijk met Marianne de Kemp).

1. De situatie thuis.
Ik woonde de gehele periode in Bodegraven, aan de Grutto 19. Aanvankelijk woonde ik daar nog samen met Hilde-Mieke, maar aan deze relatie kwam op 19 maart 1983 een eind. Niet zo lang daarna kreeg ik een relatie met Marianne de Kemp, met wie ik vervolgens in Bodegraven ging samenwonen. Met Marianne had ik een open relatie afgesproken, want de jaloezie van Hilde-Mieke was me een beetje teveel geweest en was een belangrijke oorzaak van onze scheiding. Dus aanvankelijk had ik nog afspraken, overal in Nederland, met meerdere andere mannen en vrouwen, tussen beide periodes van Hilde-Mieke en Marianne in, maar ook nadat ik ging samenwonen met Marianne waren al mijn afspraken helemaal openbaar, dus waarvan Marianne alles wist.

2. Werk.
Hoewel ik op 1 maart 1982 bij de PTT begon, toen nog Staatsbedrijf der PTT, bleef ik ook nog als freelancer en met toestemming van mijn nieuwe werkgever betrokken bij het Schielandziekenhuis, voor het ontwerpen van meerdere arbeidsvoorwaardenpakketten, waaronder een VUT-regeling. Bovendien viel me pas heel onlangs weer eens op dat ik, hoewel ik dolblij was dat ik er eindelijk vanaf was, toch nog na afloop van het dienstverband van het Schielandziekenhuis een bonus van fl 3.000 kreeg. Dat was toen voor een ziekenhuis totaal ongebruikelijk. Blijkbaar is mijn werk daar toch zeer gewaardeerd geweest, maar was de liefde bepaald niet wederzijds. Ook het uurtarief dat ik kon declareren als freelancer was aan de forse kant. 1982 is zonder twijfel het jaar geweest waar ik het hoogste inkomen had, van alle jaren daarvoor en zeker ook nog van alle jaren daarna tot ergens in mijn tijd als ondernemer, die begon in 1994 en waar ik slechts in 2000 en 2001 meer heb verdiend. Deze free-lanceperiode duurde tot halverwege 1983.
Bij de PTT werd ik promotie- en mutatiemedewerker (kortweg PM-er genoemd) bij de Centrale Afdeling Personeelsvoorziening en Loopbaanontwikkeling (kortweg CAPL).
Ik wist bij de start amper wat de CAPL precies deed en ook niet wat nu precies de taken van een PM-er waren. Daar kwam ik ras achter aan de hand van assistent-to Jopie de Jong, die me snel wegwijs maakte in de organisatie en de materie. Ik behandelde vacantstellingen van hogere functies (vanaf overheidsschaal 11 en hoger meen ik) in een aantal mij toegewezen bedrijfsonderdelen. Ik behandelde de sollicitatieprocedure tot en met de benoeming. In een enorm bedrijf als de PTT toen was geeft dat een enorme papierstroom en veel overleg. Ook organiseerde ik in dezelfde bedrijfsonderdelen, zogenaamde loopbaanberaden, waarbij elk hoger kaderlid in het gezelschap van zijn bazen werd beoordeeld op de vraag wat voor toekomst het bedrijf in betrokkene zag. In augustus 1983 kreeg ik mijn eerste eigen loopbaanindicatie van mijn chef Jan Kwakkenbos. Die indicatie was dat mijn toekomst als zeer positief werd ingeschat, maar dat ik eerst nog even mijn huidige baan moest blijven doen, tenzij zich een unieke kans zou voordoen. De reden dat ik voor deze baan koos en niet voor een andere baan die ik ook kon krijgen, waar ik veel meer persoonlijke verantwoording bij had, was dat ik bij CAPL op een centraal punt in het bedrijf werkte waar ik veel kon overzien en velen mij aan het werk konden zien. Dat zou ervoor zorgen dat ik vroeg of laat vast wel met iemand zou gaan klikken. Hiervoor trok ik toen en voor anderen nog steeds, een periode van twee jaar uit. En inderdaad kwamen in het voorjaar van 1984 gesprekken met meerdere eindverantwoordelijke directeuren van de PTT tot stand en koos ik uiteindelijk voor het postdistrict Den Haag. Ik startte als toegevoegd Hoofd Personeelsdienst (tgv HPSD), maar in feite runde ik na enige tijd de hele dienst. Het postdistrict Den Haag omvatte ongeveer 6.000 medewerkers, terwijl de personeelsdienst ongeveer 150 mensen sterk was. De bedoeling was dat in twee jaar deze dienst in omvang moest worden gehalveerd. Ik deed er ook mee aan de zogenaamde piketdiensten van de Directie, waarbij om de beurt een persoon in een heel weekend van vrijdagavond tot maandagmorgen eindverantwoordelijk was voor alles dat er gebeurde. Post was (en is grotendeels nog steeds) een volcontinubedrijf waarbij op elke tijdstip van het etmaal, ook in het weekend, veel mensen actief zijn en er zijn permanent veel postauto’s op de weg. Aangezien ik de enige was naast de directieleden die aan deze rouleringen meedeed, werd ik dus in feite beschouwd als een mededirectielid, zonder de titel. Het postdistrict Den Haag was een zeer leerzame tijd, vooral over hoe je een zeer grote organisatie runt. Alles wat bij personeel kan voorkomen, gebeurde hier en veel vaker dan elders. De tippelzone aan de Waldorpstraat lag voor de deur van de personeelsingang. Dus al onze onze medewerksters en medewerkers moesten bij aankomst en vertrek tussen de sekswerkers en hun klanten heen lopen. Onze mensen werden steeds op van alles aangesproken. Veel overleg met gemeente en politie. Veel criminaliteit kwam voor. Nog net geen moord, maar overspel, diefstal en allerlei andere ongein was aan de orde van de dag. Wat elders maar eens per jaar voorkwam kwam bij ons vele malen per jaar voor. Dat zat hem uiteraard in de omvang van het personeelsbestand.

3. Vakanties.
Van 14 tot en met 29 juni 1982 was ik op vakantie in Engeland en Ierland, aangezien ik in totaal fl 1800,00 aan Engelse ponden opnam en ook nog fl 1100,00 aan Ierse ponden. Hier kwam ik o.a. aan in Kilkenny, een stadje met 18.000 inwoners, net zoveel als Bodegraven of Haren, maar wel met 96 pubs, tegen een handvol eet- en drinkgelegenheden in Bodegraven en Haren. Ook was ik in Noord-Ierland, the Giant Causeway en Dublin, o.a. de Wexford Inn. De vakantiebestemming en zelfs het tijdvak van 1983 kan ik niet meer terughalen. Wel viel ik op het laatste nippertje van 15 tot en met 19 augustus 1983 in als kookstaf van het welpenkamp van de Stanleygroep. Marjolein Jellema zou dat samen met Hilde-Mieke draaien, maar het zou er bij aankomst wemelen van de muizen, waarvoor Hilde-Mieke panisch was. Dus viel ik in voor Hilde-Mieke en deed samen met Marjolein die week het koken. Ik heb de hele week verder geen muis gezien. In 1984 ben ik met Marianne per auto naar Griekenland geweest. De forel aan het meer van Ochrid was de lekkerste die ik ooit gegeten heb. In juli 1985 was ik, gegeven de stempels in mijn paspoort, blijkbaar opnieuw naar Joegoslavië en Griekenland.

4. Familie, vrienden en vriendinnen.
Met mijn broers en overige familie waren de contacten helemaal verbroken, zonder dat er ooit een aanleiding voor was. We dreven gewoon spontaan uit elkaar. De enige waar ik af en toe nog langs kwam was mijn moeder in Zoetermeer. Dan kwam ik rond etenstijd aan, bleef bij haar eten en ging na afloop weer weg, doorgaans naar een volgende afspraak. Van de oude vriendengroep, tref ik in deze periode alleen nog in het adressenbestand van mijn agenda’s op een afspraak een enkele keer nog Gerard Laanen aan. Ook met andere mannen ging ik nog wel om, maar dat was vooral in mijn werk, de politiek en op het koor en ik had eigenlijk, afgezien van Gerard, nooit een afspraak met een enkele man op een avond of in een weekend. Met vriendinnen des te meer. In mijn agenda’s uit deze jaren stonden wel 35 vrouwen met contactgegevens. Dat was dus precies omgekeerd aan mijn agenda van 1967, waarin 35 mannen en twee vrouwen (mijn moeder en schoonzus) stonden. Hetgeen overigens niet wil zeggen dat ik met al deze vrouwen de lakens heb gedeeld. Er zaten ook nogal wat zakelijke vriendinnen bij.

5. Politiek.
In de loop van 1984 of 1985 vertrok Rob Stoutjesdijk als gemeenteraadslid omdat hij verhuisde naar Bloemendaal. Ik was zijn eerste opvolger en werd dus vervolgens beëdigd als raadslid in de eenpersoonsfractie van D66. Bodegraven was toen een christelijk bolwerk, met partijen als het CDA, alleen al goed voor 8 van de 17 zetels, SGP en CU. Ik heb met anderen gestreden tegen een derde brug over de Oude Rijn, die er toch wel kwam, maar ook nu nog niet veel gebruikt wordt. Bodegraven was de plaats waar de meeste kaas van alle Nederlandse plaatsen was opgeslagen. Het aandeel longaandoeningen was in Bodegraven ver boven het landelijke en streekgemiddelde, maar of er een verband is is onbekend.
Het Reglement van Orde van de Raad vereiste dat tenminste twee leden samen een voorstel konden doen, hetgeen de eenpersoonspartijen, zoals D66 en de SGP benadeelde. Menig keer hebben de SGP-er, de heer Baggerman, en ik elkaars voorstellen gesteund, om ze geagendeerd te krijgen, waarna we vervolgens tegen ons eigen voorstel stemden. Ik dank nog altijd de heer Baggerman voor het in mij gestelde vertrouwen. Het voorzitterschap van de afdeling Bodegraven heb ik neergelegd zodra ik tot gemeenteraadslid benoemd werd. Die functies waren en zijn bij D66 niet verenigbaar.

6. Allerhande.
In 1984 werd ik lid van de Raad van Toezicht van de Hogeschool voor de Gezondheidszorg in Leusden. Mijn eerste en enige commissariaat. Deze school ging na enkele jaren op in een groter conglomeraat en daarmee was deze werkzaamheid ten einde.
Op woensdag 5 september 1984 had ik een auto-ongeluk. Sinds het halen van mijn rijbewijs in 1971 heb ik wel een stuk of vijf ongelukken met de auto gehad. Ik had ze op één uitzondering na, allemaal terwijl ik stilstond. Een keer aan het eind van een file, waar ik nog op tijd stopte, maar de volgende automobilist niet meer. Maar ik had ook diverse keren ongevallen terwijl ik netjes geparkeerd stond op een parkeerplaats. Het was immers de tijd dat ik een zeer aantrekkelijk persoon werd gevonden. De enige uitzondering dat het ook echt mijn schuld was, gebeurde op de Beeklaan in Den Haag, richting en kort voor de Loosduinseweg. Het regende dat het goot en de Beeklaan leek eerder op een riviertje dan een straat. Ik reed achter een tram aan midden op de tramrails, toen er uit een zijstraat rechts plots een auto kwam. Remmen veroorzaakte slechts doorglijden op de rails. Een botsing werd daardoor onvermijdelijk. Alle botsingen gingen met lage snelheid, en ik noch anderen hebben er ooit iets aan overgehouden, behalve dan blikschade.

Hoofdstuk IX. De periode augustus 1985 (begin huwelijk met Marianne) december 1991 (einde huwelijk met Marianne).

1. De situatie thuis. In 1985 woonden Marianne de Kemp en ik samen in Bodegraven. Al vanaf onze eerste kennismaking bij een etentje in het voorjaar van 1978 had ik al duidelijk gemaakt wie ik was en hoe ik het leven zag. Als ze het daarmee niet eens was, kwam er geen relatie tussen ons en al helemaal geen kinderen. Wij bespraken, begin 1985 opnieuw, onze gezamenlijke kinderwens. Ik had een grote kinderwens; van mij konden het er nooit teveel zijn. Hoeveel het er echt zouden moeten worden hebben we uiteraard niet vastgelegd. Elke keer zouden we dat apart beslissen en als één van beiden niet verder wilde zouden we stoppen. Voor mij was wel voorwaarde – zoals ik al vanaf het allereerste begin in 1977 had helder gemaakt – dat ieder van de partners een grote mate van vrijheid zou behouden in contacten met anderen. Met mannen zowel als met vrouwen. Ieder zou zoveel mogelijk een eigen leven leiden, waarbij in geval van twijfel de kinderen altijd zouden voorgaan. Ik had immers heel slechte ervaringen met Hilde-Mieke gehad, die mij juist zoveel mogelijk wilde vastbinden en ook in mijn jeugd de nodige trauma’s opgelopen als het om vastbinden gaat. Zo hadden we ook besloten geen ringen te zullen dragen en op huwelijkse voorwaarden te trouwen. Dat was wederzijds akkoord. Ik had er bij verteld, dat dat standpunt van mij onveranderlijk was. Als zij erop terug wilde komen, was het huwelijk voorbij. Als ze deze afspraak niet wilde, moest ze het nu zeggen, want dan zouden we niet trouwen en geen kinderen krijgen. Dat werd vervolgens allemaal plechtig – o.a. via de notaris – beloofd en zo kon het huwelijk in augustus 1985 worden gesloten.
Mijn getuige was een heel goede vriendin van mij, Ellen Smelik. De getuigen van Marianne waren haar vader en haar moeder. Dat op zichzelf had me al te denken moeten geven. In januari 1986 werd Charlotte in Gouda geboren, waar ik uiteraard bij was. Hoewel we dat nadrukkelijk niet hadden afgesproken, had ik vanaf de zomer van 1985 geen enkele avond- of weekendafspraak meer met een vrouw. Onvermijdelijke zakelijke afspraken met een vrouw verschoven naar de lunch in plaats van naar een diner. Dat is nooit een eis van Marianne geweest maar eigen initiatief van mij. Na Charlotte kwam Jeroen in 1988 en daar was ik natuurlijk ook bij. In november 1989 verhuisden we vervolgens naar de Perklaan 21 te Haren, in verband met mijn werk en met de geconstateerde oogafwijking van Jeroen. Na Jeroen kwam Bart in maart 1991 in Groningen – in mijn aanwezigheid – ter wereld. Op een avond in juni 1991 met de drie maanden Bart bij haar op schoot, stelde Marianne dat ze van de afspraken met mij over ons huwelijk afwilde. Daar was dus geen enkele concrete reden voor. Dit huwelijk is niet uit elkaar gegaan vanwege vreemdgaan van man of vrouw. Marianne wilde mij plots – zonder enige reden – vastbinden. Dat betekende niet alleen het breken van de huwelijksbelofte, met als gevolg dat dit het einde van ons huwelijk zou zijn, zoals tevoren afgesproken, maar was ook het signaal dat ze me blijkbaar totaal niet vertrouwde. Een huwelijk waar de een de ander totaal niet vertrouwt is tot ondergaan gedoemd. Ik herinnerde haar aan onze trouwbeloftes en we besloten eerst nog drie maanden denkpauze in acht te nemen, voordat we definitieve plannen maakten. Drie maanden later, oktober 1991 bleef ieder bij het eigen standpunt, en besloten we uit elkaar te gaan. Niemand moet proberen mij – en nog wel zonder enige reden – vast te binden en bovendien is het huwelijk er sowieso niet mee, als het vertrouwen compleet weg is. Verder samenblijven zou ten koste van de kinderen gaan. Op 14 december 1991 kreeg ik de sleutels van een splinternieuwe flat aan de P.J. Noël Bakerstraat in Groningen. Ik wilde ten behoeve van de kinderen in Haren blijven wonen, dus dit adres was tijdelijk. Tijdens het hele scheidingsproces is er geen ruzie geweest en zelfs geen boos woord is er over en weer niet gevallen. Ik ben altijd open en eerlijk tegen Marianne geweest, het omgekeerde kun je je afvragen. In augustus 1988 nam Marianne ontslag uit het dienstverband van het Leyenburgziekenhuis en moest ik het gezinsinkomen alleen opbrengen.

2. Werk.
Eerst werkte ik nog als Hoofd Personeelsdienst bij het postdistrict Den Haag. Na deze periode ging ik – september 1986 – weer terug naar de oude CAPL in de Zeestraat, waar ik vandaan was gekomen. Deze dienst bestond enkele jaren tevoren nog uit zo’n 150 medewerkers en inmiddels had de oude Directieraad van de PTT besloten deze afdeling grotendeels op te heffen, doordat vele werkzaamheden zouden worden gedelegeerd naar de werkmaatschappijen Post en Telecom. Bij terugkeer trof ik al een grotendeels ontmanteld CAPL aan. Vele lege kamers. Onder andere de centrale werving en selectie was inmiddels verdwenen, evenals de psychologische dienst. De medewerkers waren verspreid over de diverse business-units en werkmaatschappijen. Er moest een kleine en slagvaardige concernstaf Management Development worden gebouwd, met de beste PZ-persoon van Telecom en de beste van Post. Dat waren blijkbaar Peter Woltman van Telecom en ik van Post. Ook stond de verzelfstandiging van de PTT al vast. Begin 1988 werd de benoeming bekend van Ir. Wim Dik tot beoogd CEO van de verzelfstandigde PTT, dat later KPN zou gaan heten. Hij trad per 1 april 1988 aan. Op 1 mei 1988 traden Ad Scheepbouwer en Ben Verwaayen in dienst, als nieuwe eindverantwoordelijken voor respectievelijk Post en Telecom. Aanvankelijk waren zij nog geen lid van de Raad van Bestuur. Al snel, in elk geval ruim voor de vakantieperiode van 1988, werd duidelijk dat Dik een centrale werving en selectie, aanvankelijk zelfs voor alle niveaus, op holdingniveau wilde, terwijl die nou net was afgeschaft. Dat gaf de nodige discussies in de Voorlopige Raad van Bestuur. Van meet af aan liet ik aan Peter Woltman blijken dat ik wel belangstelling ervoor had om die centrale Werving en Selectie voor heel KPN op te zetten. Peter had, net als de meeste andere oude PTT-managers, nu juist zoveel slechte ervaringen met de centrale werving en selectie gehad, hetgeen nu juist de reden was geweest om daarmee te stoppen.

Aanvankelijk heb ik me bij de nieuwe concernstaf MD bezig gehouden met de ontwikkeling van nieuwe kaders voor Management Development, de loopbaanberaden voor de hoogste kaders van het bedrijf, en de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden, waaronder de pensioenvoorziening, voor de nieuwe groep medewerkers die een Persoonlijke Arbeidsovereenkomst (PAO) zouden krijgen, omdat ze boven de de hoogste (13e) schaal van de nieuwe CAO betaald zouden gaan worden. Deze groep zou de hoogste 500 mensen van de nieuwe KPN omvatten. Peter bleef de benoeming van het nieuwe Hoofd Werving en Selectie langdurig voor zich uitschuiven. Het ging daarbij waarschijnlijk niet om mijn persoon, maar omdat hij het centraliseren van werving en selectie op holdingniveau totaal niet zag zitten. Pas op 9 december 1988 werd ik benoemd tot Hoofd Werving en Selectie voor heel KPN, met de opdracht om KPN binnen 5 jaar te brengen tot de 5 populairste werkgevers van Nederland en de kwaliteit van werving en selectie aanzienlijk te professionaliseren en te verbeteren. Vanaf de eerste dag ben ik daarmee aan de slag gegaan. Alle doelstellingen heb ik ruim binnen de gestelde termijn gehaald. Dit is zo’n spectaculair proces geweest, dat dit mijn Opus Magnum is geworden. Mijn Levenswerk. Wat daar gebeurd is, daar zal ik een aparte website aan gaan wijden. Daardoor zal de periode van 9 december 1988 tot 1 oktober 1994, mijn vertrek bij KPN, in de rubriek’ werk in deze levensbeschrijving niet verder worden behandeld. Zodra dat kan kan zal hier dat webadres komen te staan.

3. Vakanties.
In 1985 ging ik na mijn trouwen met Marianne op vakantie naar Joegoslavië. In 1986 ging ik met Marianne en Charlotte naar Brommat in Frankrijk. Ook in 1987 was Frankrijk de bestemming met Marianne en Charlotte. In de zomer van 1988 was Jeroen net geboren en heb ik geen vakantiebestemming genoteerd. We hebben met Jeroen wel maandenlang overal naartoe heen en weer gesjouwd, dus waarschijnlijk was ik enkele weken gewoon thuis. Mijn vakantie van 1989 was in elk geval van 1 juli tot en met zondag 23 juli, maar ook deze keer bleven we waarschijnlijk thuis. In 1990 was ik de hele maand juni vrij en gingen we op vakantie naar Zwitserland en Frankrijk. Marianne wilde altijd naar een warm land, maar niet te ver rijden. Dan ben je pas kort bij de Franse zuidkust zeker van zon en warmte, maar dat vond ze te ver. Dan bleven we halverwege Frankrijk hangen en dan kon het weer mee of tegen zitten. In 1991 zijn we maar een week weggeweest en wel in Oxford, Engeland. We verbleven in het Linton Lodgehotel, voor de somma van fl. 960,–.

4. Familie, vrienden en vriendinnen. De gehele periode had ik af en toe een afspraak met mijn moeder in Zoetermeer. Zaterdag 7 juli 1990 waren Jan en Anneke 25 jaar getrouwd, en volgens Jan was dit feest in de Prinsestraat in Den Haag en was ik daarbij. Met Arie en Joke hadden we een afspraak op zondag 6 april 1991. Ik vermoed in Haren, maar of hun kinderen daarbij waren is niet opgetekend.In 1987 begon mijn vriendschap met Theo de Graaf uit De Meern, die tot op heden (2016) bleef en met Eric Hisgen ging ik in deze periode een aantal keren uit. Met vriendinnen ben ik de gehele periode niet of nauwelijks uit geweest of heb ik avondafspraken mee gehad. Op zaterdag 25 november 1989 werd in het Van Pallandthuis een groepsreünie gevierd, wegens het 25-jarig bestaan van het Van Pallandthuis. Daar was ik niet voor uitgenodigd, dus daar wist ik het bestaan niet van. Pas ergens na 2010 heb ik daar voor het eerst van Carin van gehoord. Aan deze reünie ging een voorbijeenkomst bij Carin thuis vooraf. Daar zijn foto’s van. Daar waren behalve uiteraard Carin, de Kerners, de gebroeders Jacobs, Anneke Kuipers-de Combe (zie 5 oktober 1968), Rob Rapmund en Joop Thijssen bij, hoewel feitelijk Rob Rapmund en Paul Jacobs nooit lid of leider van de groep waren geweest en ook Anneke nooit meer dan hulpje is geweest. Nooit lid of leidster in elk geval.

5. Politiek.
In het voorjaar 1986 was ik als lijsttrekker van D66 gekozen in de gemeenteraad van Bodegraven. En was daar actief, ook met vele avondafspraken, allemaal te Bodegraven. Dat duurde tot november 1989 toen ik verhuisde naar Haren. Aangekomen in Haren heb ik mij – nog in november 1989 – als eerste – ter kennismaking – vervoegd bij de toenmalige afdelingsvoorzitter van Haren: Dick Pegtel, thans (2016) nog lid van mijn eetclub. In het jaar 1990 werd ik verkozen tot zijn opvolger als afdelingsvoorzitter van Haren. Bijzonder is het proces in aanloop naar de verkiezing tot lid van Provinciale Staten van Groningen op 6 maart 1991 geweest. In het vroege najaar van 1990 moest je je daarvoor al kandidaat stellen, hetgeen ik inderdaad tijdig had gedaan. Ik kende vrijwel geen enkel D66-lid in de provincie Groningen, met uitzondering van enkele Harense leden en ook die maar kort. Op het aanmeldingsformulier werd ook gevraagd of je je kandidaat wilde stellen voor lijsttrekker en dat heb ik ook gedaan. Ik wist immers niets van deze provincie en dus ook niet of zich anderen kandidaat zouden stellen. In oktober 1990 vond in een te kleine zaal in de stad Groningen de ALV plaats waar de kandidaten zich konden presenteren en daar was ik dus ook bij en heb mij gepresenteerd. Ik kende er helemaal niemand. Daarna vond de schriftelijke poststemming plaats zodat de lijstvolgorde kon worden vastgesteld. Tot mijn verrassing bleek ik een vijfde plaats op de lijst bemachtigd te hebben, van zeker 25 kandidaten. Er bleek één andere kandidaat te zijn voor lijsttrekker en dat was Koosje van Doesen, die al fungerend fractievoorzitter was, tegen wie volgens mij toen niemand bezwaar had. Het leek me onjuist om als complete vreemdeling het te gaan opnemen tegen een goed functionerende fractievoorzitter en kandidaat-lijsttrekker. Ik trok mij dus terug en zodoende werd Koosje de volgende lijsttrekker. In de hele provincie heb ik campagne gevoerd, precies volgens de plannen van de verkiezingscommissie. Ik kwam op tal van plaatsen waar ik nog nooit van mijn leven was geweest. Ik ben er nooit vaker dan eenmalig en niet langer dan enkele uren geweest. D66 haalde voor de provincie negen zetels en ik was dus ruimschoots als lid gekozen. Opnieuw tot mijn verbazing haalde ik in zowat alle Groningse plaatsen voorkeurstemmen, in sommige plaatsen tientallen, en bij elkaar zo’n 500. De meeste andere kandidaten van onze en andere lijsten haalden (veel) minder voorkeurstemmen. Ik had zelfs meer voorkeurstemmen dan de alom bekende Groningse communist en volksmenner/stakingsleider, Fré Meis. Waar ik zoveel voorkeurstemmen aan verdiend had in een streek waar ik totaal onbekend was, is me altijd een raadsel geweest. Bij de portefeuilleverdeling kreeg ik de portefeuille algemene zaken, waaronder financiën. Aangezien vrijwel alles dat je politiek wilt geld kost, gaf die portefeuille de gelegenheid me – indien ik dat wilde – me overal mee te kunnen bemoeien. Het was een goed team, dat het de volle vier jaar met elkaar uithield.

6. Allerhande.
In februari 1985 kocht ik een nieuwe Ford Sierre Laser, PD-85-NX. Kleur niet onthouden of genoteerd. Ik bleef ook nog lid van de Raad van Toezicht van de Hogere School voor de Gezondheidszorg te Leusden. In de week van 21 maart 1988 was ik met een flinke delegatie van de voormalige leiding van de Wegelaergroep bij het graf van vroegere mede-leider Loek Leeuwenburg. Dit was nog door de oude Kerner georganiseerd, dus had hij mij ook uitgenodigd en was ik er ook. Loek was vermoord, volgens de politie in het homoseksuele milieu. Loek was alleen geen homo maar juist een uitgesproken hetero. Loek was zwaar spastisch en kon
dus lastig of zelfs geen meisje krijgen. Effect was dat hij blijkbaar de seks in andere kringen zocht en daarbij niet de goede keus heeft gemaakt. Een mooi voorbeeld van een totaal verkeerde inschatting en van het slechte recherchewerk van de politie. In augustus 1988 was de begrafenis van Kim de Voogd, het in onze padvinderstijd alom tegenwoordige hulpje van de Kerners, die voor Kerner en het van Pallandthuis zorgde. De groepsvertegenwoordiging was door Carin van de Craats verzorgd en dus werd ik niet geïnformeerd en was ik er ook niet. De Jacobsen en haar andere criminele vrienden en vriendinnen waren er ongetwijfeld wel. Bij de reünie van november 1989 was ik evenmin uitgenodigd en ook – door Carin – het criminele deel van de leiding van toen wel. Een aantal van hen was zelfs nooit lid of leider van de groep geweest. Op 21 juli 1988 heb ik het Canadese adres van Marjolein Jellema gekregen, die dus toen nog net niet of juist net wel was geëmigreerd naar Canada. Op donderdag 31 mei 1990 had ik het laagste gewicht sinds mijn jeugd: 87,1 kilo.

Hoofdstuk X, de periode van december 1991 – 1 oktober 1994 (ontslag bij KPN en start als zelfstandige).

1. De situatie thuis.
Direct na de feitelijke scheiding van Marianne op 14 december 1991 was ik vreselijk verdrietig en heb de hele avond en nacht gehuild, maar was ik tegelijk ook enorm opgelucht, omdat ik vooral het gevoel had dat ik was ontsnapt uit de gevangenis. Van meet af aan heb ik nog wel mijn kinderen naar bed gebracht. Verhaaltje voorgelezen en ingestopt en daarna meteen weer vertrokken. Zo maakten we de overgang voor de kinderen zo soepel mogelijk. We hadden nog wel gezamenlijk aan de schoolleiding gemeld dat we uit elkaar gingen, zodat de juffen en meesters konden opletten of het allemaal wel goed ging met onze beide oudsten. Later hebben wij vernomen dat de school aan de kinderen helemaal niets van ons uit elkaar gaan heeft gemerkt. Noch in hun gedrag, noch in hun schoolprestaties. Dat vond ik toen een heel goede prestatie van ons. De kinderen hebben niet onder de scheiding geleden, op een manier dat het anderen is opgevallen. Het voorlezen en in bed stoppen heb ik volgehouden totdat het kind 12 was. Eerst nog geruime tijd bij Marianne thuis. Ook bracht ik Charlotte en later ook Jeroen nog heel regelmatig, meerdere keren per week doorgaans, naar school. De laatste keer dat ik dat heb genoteerd was in december 1994, dat was inmiddels ruim drie jaar na de feitelijke scheiding. Ook heb ik ze altijd wekelijks naar zwemles gebracht en vervolgens weer naar huis. Ook wegbrengen en ophalen van scouting op de zaterdagmiddagen zat er heel vaak in en Jeroen naar paardrijles voorbij Glimmen. Marianne maakte elk half jaar, half juni en half december een bezoekschema voor het komende half jaar. Om het andere weekend waren onze kinderen bij haar en bij mij en de helft van de vakanties, zoals was afgesproken. In de loop van het half jaar kon natuurlijk bij beiden wel eens voorkomen dat het verblijf van de kinderen toch niet zo goed paste. Dat gebeurde Marianne overigens veel vaker dan mij. Dan nam ik ze gewoon een weekend extra. Dat liep eigenlijk heel goed. Na een jaar, dus eind 1992, kon ik een huis in Haren huren, aan de Heesterlaan 21, dat groot genoeg was om alle drie ook bij mij een eigen kamer te laten hebben. Pas in de loop van 1993 zijn we de scheiding ook formeel gaan regelen. Ik was bereid om aan alle wensen/eisen van Marianne te voldoen, onder slechts één voorwaarde: dat wij beiden co-ouder van onze kinderen zouden zijn en alle belangrijke beslissingen over de kinderen samen zouden nemen. Dat vond Marianne een heel moeilijke beslissing. Ze wilde eigenlijk per se alleen voor de opvoeding zorgen en zelf alle beslissingen nemen. Na een hoop gedoe en gezeur werden we het dan toch eens: we werden co=ouder van onze kinderen met gelijke beslissingsbevoegdheid. En we spraken een ruimhartige vergoeding en verblijfsrecht in onze woning af, tot zelfs een half jaar voor mijn rekening, nadat ze eventueel een nieuwe vriend had gevonden. De hele periode was ik er altijd bij als Jeroen naar dr. Simons ging, in Amsterdam, Rotterdam en een keer naar Adelboden, Zwitserland.

2. Werk.
Hiervoor verwijs ik naar de afzonderlijke website die hierover gemaakt is: www.

3. Vakanties.
Eind van 1991, tot en met de jaarwisseling ben ik alleen per auto naar Polen en Tsjechië gegaan. Ik wilde eventjes het hoofd helemaal vrij maken.In 1992 ben ik alleen met de auto op vakantie naar Roemenië geweest. De Roemeense lei was vrijwel niets waard. Toen ik een keer bij een bank voor honderd gulden Roemeense lei wilde hebben, kreeg ik enorme stapels bankbiljetten mee. Ik zag me daarmee nog niet over straat lopen, ook niet in de bijgeleverde boodschappentas. Ik vroeg dus uiteraard naar grotere coupures, want dat als ze me met zoveel geld de straat op zou sturen, ik daar niet zo gelukkig mee zou zijn. Waarop de bankmedewerkster antwoordde: ‘Zoveel geld, en dan nog niet gelukkig?’ Daar had ik niet van terug.
In 1993 had ik het te druk met vriendinnen voor vakantie en in 1994 heb ik ook bewust geen vakantie opgenomen, aan de vooravond van mijn start als zelfstandige. Ten eerste zou een vakantie tijd hebben gekost, maar vooral ook geld. Ik moest vanaf 1 oktober 1994 immers zelf mijn eigen geld verdienen. In augustus 1994 heb ik nog wel een vriendin, Joline, naar St. Jean Pied-de-Port gebracht, aan de Frans/Spaande grens, waar zij begon aan haar voettocht naar Santiago de Compostella, en ik weer terug naar Nederland ging.

4. Familie, vrienden en vriendinnen.
Bij mijn moeder kwam ik nog altijd af en toe langs, maar vaker dan enkele keren per jaar was het niet. In de hele periode heb ik geen enkele afspraak met Arie of Jan genoteerd, maar dat wil nog niet zeggen dat we elkaar helemaal niet gezien of gesproken hebben. Erg dik was de relatie echter met geen van beiden. Aan vrienden valt Theo de Graaf op, met wie ik regelmatig afsprak voor een etentje. Vanaf het voorjaar van 1992 kreeg ik weer nieuwe vriendinnen, waarvan ik met Isabel, Geer, Joke R. en Els het meeste afsprak, tot ongeveer het eind van de periode. Met Isabel ben ik in augustus 1992 naar een concert van Yo Yo Ma gegaan in het Concertgebouw: alle cello-suites van Bach. Met Joke de Mos, en een hele reeks andere vrouwen en mannen had ik ook afspraakjes, vooral ’s avonds, maar die waren vooral bedoeld om een netwerk op te bouwen, dat ik vanaf 1 oktober 1994 nodig had, om opdrachten te kunnen krijgen. De meeste namen uit deze periode zeggen me in 2016 helemaal niets meer. Tegen 1 oktober 1994, ontslag bij KPN en ben van mijn periode van zelfstandigheid, had ik alle persoonlijke relaties afgebouwd: ik wilde hoofd, handen en portemonnee helemaal vrij hebben voor mijn nieuwe onderneming.

5. Politiek.
Ik was lid van Provinciale Staten van de Provincie Groningen, tevens lid van de Commissies Algemene en Bestuurlijke Zaken en Financiën. Het was een zeer actieve club van negen, met naast vele vergaderingen, overal in de provincie, ook allerlei werkbezoeken, om ons op de hoogte te houden van wat zich in de provincie voordeed. Daarnaast was ik het grootste deel van deze periode voorzitter van de Afdeling Haren van D66. En ook in die hoedanigheid waren er tal van activiteiten. Aan het eind van deze periode heb ik het voorzitterschap van de afdeling neergelegd, omdat ik immers mijn handen vrij wilde hebben voor mijn nieuwe onderneming, maar het Statenlidmaatschap heb ik voortgezet tot aan het eind van de periode (voorjaar 1995).

6. Allerhande.
Op 23 mei 1992 kreeg ik nog een nieuwe auto van de zaak. Die zou ik ook in de eerste jaren van mijn zelfstandigheid kunnen blijven gebruiken. Woensdag 31 maart 1992 sliep ik mijn duurste nacht ooit: in het Amstelhotel, op uitnodiging van en voor rekening van Manpower uitzendbureau. Bij het champagne-ontbijt voor gasten/klanten van Manpower heb ik toen een presentatie gegeven over KPN. Dinsdag 21 december 1993 bezocht ik de Phantom of the Opera in Scheveningen, maar helaas heb ik niet genoteerd met wie.

Hoofdstuk XI, de periode van 1 oktober 1994 (start eigen onderneming) tot 1 januari 2000.

1. De situatie thuis.
Ik woonde de gehele periode aan het adres Heesterlaan 19 te Haren. Ik was inmiddels gescheiden een na een nieuwe periode, na mijn scheiding van Marianne, met enkele vriendinnen, was ik weer geheel alleenstaand. En het beviel me prima. Mijn drie kinderen hadden alle drie een kamer bij mij, waar ze om het andere weekend, en ook wat vaker soms, en in de helft van de vakanties waren of konden zijn. Ik had bewust na mijn vertrek bij KPN alle vriendinnen afgeschaft, voor zover ze mij niet eerder hadden afgeschaft, daar is geen enkele ruzie of probleem mee gepaard gegaan en was grotendeels met de plaatselijke politiek gestopt. Ook familie- en vriendenbezoek heb ik een tijdje op een zeer laag pitje gezet. Dit alles om mijn handen en hoofd zoveel mogelijk vrij te hebben om aan mijn nieuwe onderneming te kunnen wijden. Wat wel gewoon doorging waren mijn verplichtingen tegenover mijn kinderen, hoewel ik vanaf eind 1994 niet meer bij
hun moeder verhaaltjes heb voorgelezen, en ze niet meer naar school gebracht of naar het zwembad. Dat kon alleen daarom al niet omdat ik vanaf die 1e oktober 1994 kantoor hield in Amsterdam. Daarover bij ‘werk’ meer. Wel bracht ik ze soms nog naar scouting op zaterdagmiddag of naar paardrijden. En uiteraard had ik mijn kinderen nog om het andere weekend, plus extra weekends, en in de helft van de vakanties. In januari 1998 ben ik met Charlotte de diverse scholen langgewenst Zernike, Maertens en Praedinius om een keuze te kunnen maken voor haar school voor voortgezet onderwijs. Ze kreeg een VWO-advies van de Brinkschool mee. Ruzie met Marianne, die een gymnasium maar helemaal niks vond. Wat moet je met die dode talen? Jammer dat Marianne dom geboren is en nooit iets heeft bij geleerd. Dat ging dus ten koste van haar kinderen, maar daar had Marianne blijkbaar geen enkel probleem mee. Het werd dus het Zernike voor Charlotte, hoewel dat volgens alle net gepubliceerde onderzoek de slechtste school van alle mogelijkheden was. Het was namelijk lekker makkelijk voor moeder, omdat deze school het dichtste bij was. Dat is blijkbaar voor Marianne het enige criterium geweest.

2. Werk.
Op de overgang van KPN naar volgend werk, dus al voordat ik echt weg bij KPN was, hebben diverse partijen, waaronder enkele reclamebureaus, gepoogd om mij in te lijven, met mijn succesvolle imageformule. Dat werden vreselijk moeilijke onderhandelingen, waarbij ik werd bijgestaan door de fiscalisten en juristen van Ernst en Young en de tegenpartijen door andere adviseurs. Ook moest regelmatig toestemming voor een bedachte constructie uit Amerika komen, omdat die bureaus Amerikaanse moeders hadden. Om een lang verhaal kort te maken: we konden geen enkele constructie verzinnen die zowel voldoende mijn belangen als de belangen van die bureaus zouden dienen. Elke constructie ging uiteindelijk ten koste van een van beiden of zelfs allebei. Wel was ik een vermogen aan juridische en fiscale kosten kwijt. Achteraf bezien was dit dus een verkeerde keus, om zo’n constructie überhaupt te willen overwegen. Een headhunter waarmee KPN toen samenwerkte, een zekere Peter Hendriks, van zijn bureau United Consultants to Management (UCM), bood me aan om geheel om niet gebruik te maken van een kamer in zijn kantoor in Amsterdam-Zuidoost. Zelfs kreeg ik – eveneens geheel om niet – een secretaresse toegewezen, die mijn telefoon kon beantwoorden, de agenda kon beheren en dergelijke meer. Daar heb ik toen inderdaad gebruik van gemaakt vanaf de start op 1 oktober 1994 tot een met het voorjaar van 1995, de precieze datum is niet overgeleverd. Vanaf de zomer van 1995 kreeg ik een eigen kantoor in Maarssen, met twee eigen medewerksters. Het ging dus blijkbaar goed. Opdrachten van KPMG, Delta Lloyd (beide voor de selectie van academici), het Openbaar Ministerie (werving en selectie van Officieren van Justitie) en de Hogeschool Holland. In september 1999 werd de onder mijn verantwoordelijkheid ontworpen en ingerichte softwaresysteem voor studenten en medewerkers opgeleverd. Dat was exact op de tevoren afgesproken datum, binnen het gegeven budget en met realisering van alle tevoren geinventariseerde functionele wensen. Dat verbaasde iedereen, zelfs de leiding van de softwareleverancier People Soft. Deze projecten bij de overheid lopen overal uit de hand qua budget en/of timing en indien gerealiseerd, kan het systeem ook nog niet wat bedoeld was. Hiervoor heb ik veel lof geoogst. Dat kon ik dus ook. Ook heb ik uiteraard getracht KPN als klant te krijgen en daartoe heb ik aan een hele rij verantwoordelijken, die ik uiteraard allemaal goed kende een zij mij,bezoeken afgelegd. Het leverde geen enkele opdracht op. Mijn vorige baas, nu bij Telecom, Peter Woltman, gaf voor miljoenen aan wervingsopdrachten weg, maar daar heb ik geen stuiver van gezien. KPN heeft me op geen enkele manier geholpen om een succes van mijn tent te maken. Dat geeft natuurlijk wel het goede gevoel dat ik toch wel succesvol werd, ook zonder KPN. Na mijn vertrek kreeg ik dan nog wel een bonus van enkele duizenden guldens, hetgeen blijkbaar zeer uitzonderlijk was voor een PAO-er die zelf was vertrokken, maar toen in dezelfde tijd afscheid moest worden genomen van een persoon die ik bij Post was opgevolgd, trok KPN wel de portemonnee voor enkele tonnen. Hij had het blijkbaar niet goed gedaan en ik wel, en daarom kreeg de mislukte manager enkele tonnen mee en de geslaagde enkele duizenden euro’s. Erg zuur allemaal. In de jaren daarna kreeg ik nog opdrachten van onder andere: Shell in Den Haag, de Hogeschool Holland in Diemen, ASML in Veldhoven, alsmede enkele keren van Post (hbo-selectieproces) van Telecom: één onmogelijke functie, die al een jaar lang niemand had kunnen vervullen en ik dus uiteindelijk ook niet, Kirby (verkopers), (nog verder in te vullen). Waarschijnlijk in de loop van 1998 verliet ik het pand in Maarssen en bleef ik voorlopig mijn werk vanuit Haren, mijn huis verrichten. Ik had geen ondersteuning en eigen kantoor meer nodig en de omzet bleef en groeide zelfs. B ij een acquisitiebezoek bij Peter Woltman, mijn voormalige baas bij KLPN, op 6 oktober 1999 heb ik hem op glasheldere toon verweten dat hij in alle afgelopen vijf jaren nog geen enkele wervingsopdracht aan mij had gegund, terwijl hij intussen voor vele miljoenen aan dit soort opdrachten aan andere bureaus had gegeven. Hier knapte het definitief tussen ons. Op dinsdag 30 november 1999 wordt Invictus een b.v.

3. Vakanties.
Van de jaren 1995, 1996 en 1997 heb ik geen aantekeningen in mijn agenda’s staan, maar ik ben ongetwijfeld met mijn kinderen op vakantie geweest. Zuid-Frankrijk en Italië staan me bij van deze periode. In 1998 was de vakantie van 4 tot en met 23 augustus. Alleen de eerste nacht ligt vast: het Golden Tulip Hotel in Born, Limburg. Ongetwijfeld waren we op weg naar Zuid-Europa. Zondagmorgen 1 augustus 1999 haalde ik een Ford Windstar op, waarmee ik met vakantie met mijn kinderen ben geweest, via Zuid-Frankrijk overgestoken naar Corsica, rondrit Corsica, overgestoken naar Sardinië, rondrit Sardinië, overgestoken naar Rome. Daar onder andere het Vaticaan bezocht, alsmede het Colosseum. Vandaar naar het noorden, naar Venetië. Onder andere gondelvaart. Van Venetië via Oostenrijk naar Zuid-Duitsland. Vlak over de Oostenrijks/Duitse grens pizza gegeten en overnacht. Toetje na de pizza was ijs dat bij het opdienen al flink aan het smelten was. Alle vier de hele nacht diarree en ziek. Dokter, apotheek, spuitje en pilletjes. Uiteindelijk was iedereen zondag 15 augustus weer thuis.

4. Familie, vrienden en vriendinnen.
Bij afwezigheid van de agenda’s 1996 en 1997 is over familie en vrienden niets vastgelegd of terug te vinden. Het enige dat ik met zekerheid kan melden is dat ik deze periode nog wel heel af en toe bij mijn moeder langs ben geweest. Wel had ik de bewuste strategie gekozen om vanaf de start van mijn zelfstandigheid, 1 oktober 1994, met alle vriendinnen te stoppen, als zij al niet met mij gestopt waren. Met Theo de Graaf en met hem Ad van Bree en Johan Rolf (de club van vier) had ik nog wel enkele keren per jaar een dinerafspraak. Met Arnold Pouls, een voormalige medewerker van me die inmiddels in Breda of Tilburg woonde, heb ik meerdere afspraken gehad met plannen voor een gezamenlijke onderneming. Met Joline Luyckx en Karin Stavast ging ik nog wel af en toe uit eten, maar deze relaties waren 100% platonisch.
Op maandag 2 januari 1995 werd ik op mijn kantoor in Amsterdam gebeld door Carin van de Craats. Die had ik twintig jaar, sedert januari 1975, niet meer gezien of gesproken. Zij meldde mij dat de oude Reinier Kerner ernstig ziek in het Bronovoziekenhuis in Den Haag was opgenomen en niemand nog wist of hij het nog zou halen. Zij – als vertegenwoordiger van de voormalige leiding van de Wegelaergroep – stemde met Reiniers neef Bart Kerner namens de familie Kerner – de bezoeken aan de zieke Reinier af, zodat het aan zijn ziekbed niet te druk zou worden. Dus als ik er belangstelling voor had om eens bij de zieke Kerner op bezoek te gaan, dan moest dat via haar. Ze vroeg dus of ik belangstelling had hem te bezoeken en eventueel ook wanneer het me dan zou schikken. Keren was de man aan wie ik zoveel te danken heb gehad. Vanzelfsprekend wilde ik hem bezoeken en wat mij betreft dezelfde avond nog, al was het maar omdat het elk moment de laatste keer kon zijn. Maar dezelfde avond kon helaas niet. Die was al bezet. Wel kon de volgende avond, dus dinsdagavond 3 januari 1995, het bezoek zijn. Akkoord wat mij betreft. Aangezien het bezoekuur om 19.00 uur begon, bood Carin mij aan om bij haar thuis eerst iets te eten en dan gezamenlijk naar Bronovo te gaan. Dus was ik de volgende avond om een uur of zes bij haar thuis, met onze eerste ontmoeting sinds 20 jaar, aten een warme hap en togen vervolgens naar Bronovo. Daar lag Reinier dus op de IC, aan allerlei apparatuur vast en was niet aanspreekbaar. Ik ben na afloop weer met Carin mee naar Rijswijk gegaan omdat daar mijn auto stond. We hebben ongetwijfeld bij haar thuis nog wat nagesproken, over hoe het haar en mij de afgelopen twintig jaar vergaan was, maar daarna ben ik wel weer naar mijn hotel in Amsterdam gereden. Ik begreep dat ze intussen een aantal jaren had samengewoond met een zekere Jan Korrubel (spelling onzeker), maar dat deze een aantal jaren eerder onverwacht was overleden. Ze was alweer enkele jaren vrijgezel, net als ik. Omdat de gezondheid van Reinier Kerner zo zwak was en niemand wist hoe lang het nog kon duren ben ik vanaf dit moment zeker twee maal per week op bezoek in Bronovo geweest, telkens via en met Carin. Er is een moment gekomen dat ik na afloop van het bezoek aan Reinier bij haar bleef slapen. Wellicht al vanaf half januari 1995, maar in elk geval vanaf half maart 1995 was dat het geval. Op 17 maart 1995 werd Reinier Kerner als genezen ontslagen uit het Bronovoziekenhuis en waren dus uiteraard ook de regelmatige bezoeken aan hem voorbij. In deze periode heb ik niet geweten welke oud-leiders en -leidsters er in deze periode nog meer bij Reinier op bezoek zijn gegaan. In de maanden na de ziekenhuisperiode van Reinier ben ik nog met regelmaat langs Carin gegaan en heb daar ook overnacht. In die tijd begreep ik van haar dat behalve wij ook de tweeling Peter en Paul Jacobs bij Reinier op ziekenbezoek is langs geweest, maar verder geen andere oud-leiding. Mogelijk ook nog Ria en Gerard Gutz – Wegner. In juni 1995 is er op initiatief van Peter Jacobs nog een etentje georganiseerd, met het echtpaar Kerner en allen van de groep die tijdens zijn ziekteperiode op ziekenbezoek waren geweest. Dat waren dus Carin, de gebroeders Jacobs en ik. In december 1995 moest Kerner opnieuw met spoed worden opgenomen, maar er was in de Haagse ziekenhuizen voor hem geen plaats. In Leiden, onderweg naar het LUMC is hij in de ziekenauto overleden. Woensdag 13 december 1995 werd hij begraven. Bij die gelegenheid heb ik nog als enige namens de groep, het woord gevoerd. Ook Carin, de Jacobsen en de Gutzen waren op deze uitvaart aanwezig. Aan de hotelrekening kan ik zien dat ik voorafgaand aan en na afloop van deze gebeurtenis heb overnacht in mijn hotel in Maarssen. Daarna heb ik nog regelmatig bij Carin overnacht, grofweg eenmaal per veertien dagen, af en toe gecombineerd met een bezoek aan de weduwe Kerner, maar vakanties en dergelijke had ik deze periode uitsluitend nog samen met mijn kinderen. Op zaterdag 1 juni 1996 was er een reünie van de Wegelaergroep. Die was voorbereid door het koppel Carin van de Craats/ Jantine Hansen. Jantine was ook een oud-leidster van de groep. Dat leek daarom ook zo’n mooi koppel, omdat Jantine bij de groep kwam, twee dagen nadat Carin er was vertrokken. Dus Carin ging over de periode van de oprichting in 1946 tot haar vertrek in 1974 en Jantine over de periode vanaf 1974. Dat er voor deze reünie heel andere motieven waren dan op het eerste gezicht leek, had ik toen niet door en daar kreeg ik pas meer helderheid over na 2011. Ook deze gebeurtenis komt dus later nog opnieuw ter sprake. Heel kort voor deze reünie overleed mijn ex-schoonvader Cor de Kemp, die na mijn tijd jarenlang groepsvoorzitter van de Wegelaergroep was geweest en ik kwam daardoor iets later binnen. Ik kreeg (dus?) geen deelnemerslijst, geen consumptiebonnen, geen aanbod om in te tekenen op het nog te verschijnen herdenkingsboek, en geen informatie met nieuwsbrief over de stand van zaken bij de groep, terwijl voor iedereen die zich had aangemeld bij de ingang een pakketje met zijn of haar naam erop klaar lag. Mijn pakketje zou er dus ook geweest moeten zijn en dan na afloop ook moeten zijn overgebleven. Maar ondanks het feit dat Carin de bijeenkomst had georganiseerd en ik regelmatig met haar omging heb ik (de stukken die in) dit pakketje (hebben gezeten) pas gezien in de jaren na 2011 en ben toen – door de inhoud – voor grote verrassingen gekomen. Daarover dus ook later meer. Op 20 augustus 1995 is er op initiatief van Carin een etentje bij Istana in Den Haag, met eerst verzamelen bij Carin, waar behalve zij en ik ook aanwezig waren: de gebroeders Peter en Paul Jacobs en hun neef Rob Rapmund. Dit moet de oprichtingsbijeenkomst geweest zijn van wat daarna de Antilopengroep werd genomen, en waarvan ook nog deel uitmaakten Gerard Laanen, Paul Oomen en Wilbert Nieuwstraten. Bij de voorbijeenkomst bij Carin thuis werd mij verteld dat bij de reünie was gebleken dat de groep er financieel heel slecht voor stond. Ik wist van niks, er was mij helemaal niets gebleken, omdat ik immers het welkomstpakketje niet had gekregen. Mij werd dus de situatie uitgelegd, waarvan de anderen al op de hoogte waren. Maar ook toen kreeg ik de gemiste stukken nog niet. Het idee was om een soort klankbordgroep te vormen, om de huidige leiding bij te staan in het besturen van de groep en het verkrijgen van voldoende financiën. Deze Antilopengroep kwam enkele jaren tot zeker 2002 vier tot zes keer per jaar bij elkaar. Vanaf 2002 nog maar een keer per jaar en werd uiteindelijk in 2010 opgeheven. De groep heeft met al haar bijeenkomsten helemaal niets voor de Wegelaergroep betekend. Het heeft de Wegelaergroep geen cent opgeleverd en de groep heeft ook geen enkele bestuurder geleverd en zelfs geen enkel bestuurlijk advies gegeven. Er bestond dan ook geen of nauwelijks contact met mensen van de Wegelaergroep. Het hele bestaan van de Antilopengroep heeft totaal geen zin gehad. Dat de Antilopengroep in werkelijkheid een heel andere reden van bestaan heeft gehad werd mij pas in 2011 en de jaren daarna duidelijk. Daarover vanaf 2011 meer. Zondag 6 december 1998 ontmoette Marianne Jan Zandberg, die haar volgende echtgenoot zou worden. Vanaf die datum ook stopte elke informatie van Marianne aan mij over onze kinderen. Ik kreeg geen informatie meer over ouderavonden van school of hobby’s van de kinderen, geen schoolfoto’s, geen schoolrapporten. Helemaal niets meer. Blijkbaar beschouwde ze Jan Zandberg voortaan als haar partner met wie ze alles met en over de kinderen besprak en met wie ze naar ouderbijeenkomsten ging. Aanvankelijk had ik dat helemaal niet door. Je weet namelijk niet wat je niet weet. Niet eerder dan in de lente van 1999 begin ik door te krijgen dat ik informatie had gemist en ook toen begreep ik het nog als een opgetreden misverstand. Dat kan gebeuren. Later kwamen er meer ‘misverstanden’ aan het licht, totdat ik doorkreeg hoe de vork in de steel zat. Op 22 december 1998 overleed na een lang ziekbed, Jeanne Kerner, de weduwe van Reinier. Op haar begrafenis op 28 december ben ik niet geweest, omdat er vanwege het slechte weer onderweg naar Den Haag op meerdere plaatsen meerdere lange files stonden.

5. Politiek.
Eind 1994 was ik gestopt als afdelingsvoorzitter van Haren, met opvolger Flip van Hasselt, en woensdag 8 maart 1995 waren er verkiezingen voor Provinciale Staten, waarvoor ik dus geen kandidaat meer was. Na ongeveer een maand, eind april 1995, waren dus mijn politieke activiteiten ten einde en bleef ik voorlopig nog gewoon en inactief lid van D66.

6. Allerhande.
Op 10 februari 1996 kwam ik vlakbij mijn huis aan de Heesterlaan door een roekeloze automobiliste ten val, waarbij ik mijn rechterenkel flink verstuikte. Carin zou of al langskomen of is voor de gelegenheid langsgekomen, want ik had op dat moment een opdracht bij TPG aan de Maanweg in Den Haag, voor hun HBO-campagne, en ik kon amper nog lopen.
Met Carin ben ik dus naar Rijswijk gegaan en TPG was zo goed me ’s morgens vroeg van de Rembrandtkade op te laten halen en aan het eind van de dag weer terug te brengen. Donderdag 15 februari kwam plots en voor mij compleet onverwacht Peter Jacobs bij Carin langs, die ons beiden voor een etentje uitnodigde bij C’est moi in de Herenstraat te Rijswijk. Waarschijnlijk maar niet zeker was ik ook het volgende weekend nog bij Carin en in elk geval de volgende week vanaf maandag 19 februari de hele week weer wel. Daarna ben ik vanaf huis of een hotel gaan werken. Op vrijdag 1 maart 1996 kreeg ik mijn eerste mobiele telefoon als particulier, 0652700729. Ik had er hoogstwaarschijnlijk al een gehad in mijn KPN-tijd, maar deze laatste was uiteraard van de zaak (KPN). Die van 1 maart 1996 betaalde ik zelf. Het was nog een autotelefoon, die men er wel uit kon halen en ermee kon gaan lopen, maar dan had je in je ene hand een looiege telefoon en in de andere hand sjouwde je nog een accu mee zo groot als een kleine schoenendoos.De jaarwisseling 1996/1997 was ik nog alleen. Later zou ik die doorgaans met Carin doorbrengen. Van maandag 20 tot en met woensdag 22 april 1998 was Carin opgenomen in Bronovo. Ik ben niet op ziekenbezoek geweest, omdat ik hiervan niet op de hoogte was. Op 7 juli 1998 heb ik de auto afgeschaft en begon een maandnetkaart bij NS. Dan kon ik onbeperkt met de treinen van NS rijden. Daar ben ik op 26 november 1998 weer mee gestopt en ben overgestapt op een huurauto van de firma Kuperus in Hilversum, doorgaans een Golf. Nadat ze elkaar begin december 1998 voor het eerst hadden ontmoet, trok Jan Zandberg bij Marianne in vanaf 1 maart 1999. Volgens de door mij met Marianne al eerder gemaakte afspraken mochten ze daar dan tot 1 september 1999 voor mijn rekening blijven wonen. Op 6 december 1999, precies een jaar na hun eerste ontmoeting trouwen Marianne en Jan Zandberg met elkaar. Meerdere weekends na elkaar die hierop volgden waren onze kinderen bij mij.

Hoofdstuk XII, het kalenderjaar 2000.

Het kalenderjaar 2000 licht ik er even in zijn geheel uit. In dit jaar gebeurden zoveel zaken van verschillende soort dat het de moeite is dit jaar apart te behandelen. Na het jaar 2000 komt er weer een periode van een aantal jaren.

Vanaf begin 2000 had ik een mooi en langlopend contract met de Hogeschool Holland in Diemen.

Vanaf begin dit jaar had ik weer een eigen medewerkster: Kazia, met een kantoortje in Amsterdam.

Vanaf het moment van scheiding in 1991 ben ik met elk van mijn kinderen op de avond van hun verjaardag uit eten geweest. Vanaf ongeveer hun vijfde verjaardag. In de eerste jaren was dat uiteraard vooral de McDonalds, maar in latere jaren waren dat alle mogelijke andere restaurants van hun keuze en steeds op de verjaardag zelf. Daar waren onder andere bij: pizzeria’s, een Japans restaurant, le Grillon en Ni Hao, de luxe-Chinees. De eerste uitzondering op deze regel kwam op 14e verjaardag van Charlotte, 9 januari 2000. Dat was zondag 9 januari 2000, maar het restaurantbezoek met haar was op maandagavond 10 januari. Dat was in een Japans restaurant in Zuidlaren. Blijkbaar wilde zij voor het eerst op de avond van haar verjaardag thuis of met vriendinnen zijn. Ik maakte daar geen probleem van.
Woensdagavond 12 januari kwam ik op bezoek bij Marianne en Jan Zandberg. Het ging ongetwijfeld over de keuze van de volgende school van Jeroen. Ik zou samen met Jan Zandberg en Jeroen de diverse open dagen gaan bezoeken. Op dinsdag 25 januari 2000 ging de website www.qatraze.nl live, toen nog in ‘persoonlijke dienstverlening’ terwijl enkele dagen later Qatraze b.v. officieel werd opgericht.

Begin februari 2000 ben ik volgens afspraak samen met Jan Zandberg en Jeroen diverse open dagen langs geweest voor de keuze van de volgende school voor Jeroen. De open dag van het Praediniusgymnasium, volgens mij en alle onderzoekers van die tijd, was dit de beste school voor VWO, maar toen ik de open dag van deze school opzocht, was hij al voorbij. De zoveelste keer dat ik door Marianne was bedrogen. Zij had ongetwijfeld die informatie wel, maar maakte de afspraak voor de rondgang nadat de open dag van het Preadinius al voorbij was.

Woensdag 16 februari 2000 ging Charlotte onder het mes bij de KNO-arts. Ik had er een vrije dag voor genomen. Die middag heb ik op Bart en Jeroen gepast. Marianne had mij verteld dat Charlotte één nacht moest worden opgenomen en de volgende dag weer naar huis kon. Ik ben dus die avond ook nog bij Charlotte in het ziekenhuis op ziekenbezoek geweest. Aldaar aangekomen begreep ik plots dat Charlotte twee nachten zou blijven. Ik had de volgende dag belangrijke verplichtingen in Diemen, waar ik niet meer onderuit kon. Marianne en Jan Zandberg en haar opa en oma zijn ook de tweede dag bij Charlotte op bezoek geweest, maar haar vader kwam niet, omdat hij niet was geïnformeerd, maar dat is Charlotte natuurlijk nooit verteld. Ik had hierover gruwelijk de smoor in, en heb dat uiteraard ook aan Marianne laten weten. Het aansluitende weekend, waren de kinderen weer eens een weekend extra bij mij, omdat de heer en mevrouw Zandberg nog een weekend samen weg wilden. Van Bart zelf hoorde ik dat ik hem na scouting nog naar drumles moest brengen, maar desgevraagd kon Bart me niet vertellen waar dat was en hoe laat. Marianne had mij ook dit niet verteld, zodat ik hemel en aarde heb moeten bewegen om er achter te komen waar dat was en hoe laat. Het is me op het nippertje wel gelukt hem op het juiste adres te krijgen. Ook dit heb ik Marianne na afloop van het weekend op de boterham gesmeerd. Ik kwam er geleidelijk steeds meer achter dat Marianne alle zaken over de kinderen met haar nieuwe echtgenoot Jan Zandberg besprak en mij daarbij onwetend liet. Onze onderlinge verstandhouding bleef vanaf de scheiding eigenlijk heel lang heel goed, zelfs ook na haar tweede huwelijk, eind 1999. Geleidelijk kwamen er steeds meer van dit soort misverstanden, maar ik had nog niet door wat de oorzaak daarvan was. Vanaf eind februari 2000 verslechterde en verzuurde onze onderlinge relatie steeds verder.

Vanaf maart 2000 viel me op, dat waar Charlotte altijd heel enthousiast had meegebouwd aan de huisjes voor de treinbaan, ze er van de ene op de andere dag mee ophield. Ik begreep totaal niet hoe ze zo als een blad aan de boom kon veranderen. Wellicht denken sommigen of misschien zijzelf ook wel, dat het iets met haar pubertijd van doen kon hebben gehad, maar dat betwijfelde ik toen ook al. Ze was verder totaal niet onhandelbaar of dwars. In maart ontdekte ik dat ik ook de ouderavonden van de diverse scholen had gemist, en had ik aanleiding om naar het Zernike en de Brinkschool te gaan, om met ze af te spreken dat ik voortaan rechtstreeks wilde worden geïnformeerd over ouderavonden, en andere zaken over de kinderen, zoals hun schoolrapporten en het spreekuur van de klassendocenten , omdat ik alle schoolinformatie om mij onbekende redenen niet meer via hun moeder vernam. Marianne bleef echter samen met haar nieuwe man Jan Zandberg de ouderavonden bezoeken, alsmede de spreekuren van de klassendocenten. Dat weigerde ze ook desgevraagd samen met mij te doen, dus ik ging apart.
Op 17 maart 2000 heb ik het huis Perklaan 21 te Haren, onze echtelijke woning, aan het echtpaar Zandberg-de Kemp verkocht. Daarbij is de gratis woonperiode die vanaf 1 september 1999 voor hun rekening zou komen, niet meteen afgerekend. Ik heb het bedrag toen geraamd op 7 maanden maal 2.500 gulden huur is 17.500 gulden, in guldens van 1999. Dat bedrag heb ik dus nog van Marianne tegoed.
Woensdagavond 29 maart ging ik, exact op zijn verjaardag, met Bart uit eten.
Woensdag 5 april was ik opnieuw bij Marianne en Jan en opnieuw over de nieuwe school voor Jeroen. Marianne (en Jan?) wilde(n) de Montessori-laptopvariant die het Zernike aanbood. Dat leek mij de allerslechtste keus. Je wordt van het werken met een laptop absoluut niet slimmer, noch weet je meer en zelfs mindert, en de Montessorivariant blijkt bij elk onderzoek tot lage prestaties te leiden. De combinatie is heel slecht voor Jeroen. Ik liep op hoge poten weg met het uitroepen: ik zie je voor de rechter. Ik kende echter de aanpak van rechters al. De rechter geeft de ouder gelijk die het meeste met het kind omgaat. Bijna altijd – en in elk geval in ons geval – dus de moeder. Omdat deze ouder immers de meeste consequentie moet dragen. Het belang van het kind speelt daarbij geen enkele rol.

Deze maand werden er diverse opnamen gemaakt en interviews gegeven over onze nieuwe tent in ‘persoonlijke dienstverlening’.

Ook in de maand april kreeg ik de kinderen een weekend extra. Het weekend van 30 maart/1 en 2 april had ik de kinderen, evenals de weekends van 14, 15 en 16 april en van 28, 29 en 30 april. Daar kwam deze maand het extra weekend 7,8 en 9 april bij. Zodoende had ik in de hele maand april slechts één weekend voor mezelf: het Paasweekend, van vrijdag 21, zaterdag 22, zondag 23 en maandag 24 april. Een extra lang weekend dus. Carin werd op 22 april 2000 50 jaar en dat betekende een extra groot feest. Omdat dit mijn enige vrije weekend van de maand was, wilde ik uiteraard graag met Carin afspreken. Maar dat was niet mogelijk. Ze was op het hele enige beschikbare weekend niet beschikbaar, voor geen nacht, geen avond en zelfs geen uur. De eerste afspraak die ik met haar deze maand kon maken was voor dinsdagavond 25 april, toen we weer aan het werk waren. Dat heb ik toen maar gedaan en dit werd ook de enige afspraak die we in de maand april 200 met elkaar gehad hebben. Ik had hier zwaar de smoor over in. Ik zat nog niet in de modus dat ik vroeg waar ze het dan zo druk mee had. Ik respecteerde haar (en ieders) keuze, zonder naar het waarom te vragen. Het gaat mij gewoon niet aan wat iemand voor andere afspraken heeft. Later heb ik haar dit wel vele malen gevraagd, maar ik heb hierop nooit antwoord gekregen. In mijn ontdekkingen over de periode vanaf 1968, die vanaf 2011 als rijpe appelen uit de bomen vielen kan ik wel reconstrueren wat in dit weekend gebeurd is. Daarover dus later meer.

Donderdag 11 mei deed ik in de Brabanthallen in Den Bosch examen reisverkeringen. Daar deden duizenden anderen daar tegelijk ook. Die anderen waren vrijwel allemaal vrouwen. Ik heb niet eerder en ook niet daarna zoveel vrouwen bij elkaar gezien. Ik slaagde voor het examen.

Het weekend van 12, 13 en 14 mei had ik de kinderen opnieuw. In dit weekend heb ik Charlotte voorgesteld om de Donald Duck, waarop we op haar naam geabonneerd waren en die ze ook altijd als eerste kreeg, over te schrijven op naam van Jeroen of Bart. Zij was immers al 14. Ik had me al helemaal schrap gezet, omdat ik verwachtte dat ze zich hier fel tegen zou verzetten. Maar tot mijn stomme verbazing was ze het hier meteen mee eens. Dat was dus achteraf bezien het volgende signaal dat er iets met Charlotte aan de hand was, maar ik op dat moment niet kon duiden.

Op dinsdag 23 mei 2000 maakte ik kennis met Jeanette en Willem Hol in Vinkeveen. Mijn medewerkster Kazia, had op internet gevonden dat zij een alleenstaand huisje aan de Vinkeveense plassen te huur hadden. Ik heb dit huisje dus inderdaad gehuurd, waarvan de huur op 1 juni 2000 in ging. Hier heb ik mijn bedrijfje ingericht en had ik tevens een eigen overnachtingsadres, zodat ik niet meer in zoveel hotels hoefde te overnachten. Carin was en is ongetwijfeld nog steeds een natuurmens die was grootgebracht in een schitterend in de natuur gelegen huisje aan de Kwekerijweg in Den Haag. Carin is heel veel in dit huisje geweest, ook als ik er niet was. In juli gaat Jeroen van school en hij had op 12 juli zijn afscheidsmusical, waar ik uiteraard bij ben geweest. Er moet ook rond deze tijd de traditionele boottocht voor groep acht zijn geweest. Dat was een boottocht naar Amsterdam en andere Hollandse plaatsen, ter afscheid van de Brinkschool. Er werd ook altijd om ouders gevraagd die wilden helpen bij deze tocht, met eten koken, en afwassen voornamelijk. Dit bericht heeft mij (uiteraard) niet bereikt zodat ik mij niet kon opgeven. Jan Zandberg wist het uiteraard wel, en die is wel meegewerkt met de kinderen van groep acht met deze boottocht, hoewel hij geen ouder van een van deze kinderen was, ook niet van Jeroen. Voor de zoveelste keer was ik weer in de luren gelegd.

Ben augustus is er dan de rechtszaak over de schoolkeuze van Jeroen, die ik inderdaad volgens mijn eigen voorspellingen verloor. Kleine genoegdoening voor mij was wel dat de rechter Jan verbood aanwezig te zijn, hetgeen Marianne en Jan zo graag hadden gewild. Jan werd de zaal uitgestuurd.

De zomer was Carin regelmatig in Vinkeveen. Het was er prachtig en stil. Een doodenkele keer kwam er een roeiboot voorbij (in de orde van één keer per week of minder), maar dat was dan ook alles.

In de nacht van 1 op 2 oktober 2000 maakte ik om 00.10 uur in Vinkeveen mijn laatste sigaret uit, om er nooit meer een aan te raken. Met roken was ik begin tachtiger jaren begonnen, met hetzelfde merk dat Hilde-Mieke rookte: mentholsigaretten.

Het weekend van 3, 4 en 5 november had Charlotte voor het hele weekend bij mij afgezegd. Tot die tijd was ze altijd trouw gekomen. Het weekend daarna (10,11 en 12 november) was er het zoveelste extra kinderweekend voor mij en kwam ook Charlotte weer mee. Nadat Jeroen en Bart naar bed waren gegaan is Charlotte nog geruime tijd samen met mij in de woonkamer geweest. Had ik maar geweten of vermoed wat er de volgende dag zou gaan gebeuren, want dan had ik zeker het gesprek met haar geopend, maar ik had geen idee. De volgende dag, zondag 12 november bleef Charlotte het grootste deel van de dag op haar kamer. Zondagavond heb ik ze alle drie weer naar hun moeder gebracht. Dit weekend vroeg Jeroen me ook naar mijn e-mailadres en zijn we onderling gaan e-mailen.

O.a. dinsdagavond 21 november 2000 was ik weer eens bij Carin. Ik vertelde haar dat ik voor mijn komende radioreclame voor het nieuwe reisbureau Qatraze,de onderliggende muziek wilde laten maken door Paul Jacobs. Een stukje van Bach, sonate in D-moll. De reclame zou worden uitgezonden op kleine maar doelgerichte zenders: Business Nieuws Radio en ClassicFM. Carin hield me niet tegen. Donderdag 23 november was ik dus inderdaad bij Paul Jacobs in Epe en maakten we afspraken over de opnamen.Uiteraard heb ik hem hiervoor ook betaald. Ook op dit punt kom ik weer terug als het 2011 is geweest, toen ik ontdekte wat er zich ook bij dit punt achter mijn rug om zich afspeelde. Ook hier kom ik dus later op terug. Vrijdag 24 november werden de fluitopnamen ook werkelijk gemaakt. Het weekend van 34/25 november had ik een lui weekend, zonder kinderen.Woensdag 29 november 2000 is de stem van Mariska Lacunes in en studio te Amsterdam opgenomen. Ik had haar uit tientallen uitgekozen. Zij heeft een heldere stem, articuleerde goed en had een groot bereik. Mariska Lacunes maakte ooit furore als Tika Tovenaar, dochter van Tita Tovenaar. Op vrijdag 1 december werden de stem en de muziek (dwarsfluit en klavecimbel) gemixt. Dezelfde vrijdag 1 december om 16.45 uur stond Charlotte onverwacht voor mijn deur. Ze vroeg hoe laat ze verwacht werd. Wat een vreemde vraag. Al bijna tien jaar haalde ik haar twee tot drie weekends per maand op vrijdag om 18.00 uur op bij haar moeder. Nog een wonder dat ik toevallig al thuis was, want doorgaans kwam ik rechtstreeks van een klant. Bij aankomst vertelde ze al dat ze zondagmiddag om 13.30 uur met vriendin Kim bij haar moeder had afgesproken om sinterklaassurprises te gaan maken. Ze zou daarna niet meer terugkomen. Jeroen is zaterdag om 16.45 uur, bij donker dus, vanaf scouting naar mij teruggefietst. Zondag hoorde ik van zijn moeder dat hij niet in het donker mocht fietsen. Ook dat was weer beslissing waar ik niet bij betrokken was geweest, en waarvan ik zelfs niets wist. Zo deed ze al het hele jaar: mij overal onkundig van houden en tegelijk maar melden aan iedereen die het horen wilde dat zij zoveel van haar kinderen hield en ik helemaal niet. Gr……..

Actueel op: 24 mei 2016, 15.40 uur. Hierna is en wordt deze pagina niet meer bijgewerkt of aangevuld. Verbeteringen, correcties en aanvullingen, ook met documenten en foto’s worden geleidelijk wel gerealiseerd bij het gedeelte, iets hoger op de homepage, bij ‘Mijn leven’, resp. ‘Mijn kwartierstaat’ en ‘Mijn bezigheden’. Als u daar met de cursor op gaat hangen verschijnen de verschillende hoofdstukken, die wel zijn en worden bijgewerkt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *